De fiets ligt in het gras, ik zit op de bank en kijk uit over de rivier. In de verte nadert een boot.
Een boot of een schip, denk ik, wat is het verschil eigenlijk?
Mijn vader zou het weten. Hij is een man die van alles een beetje weet en vaak iets meer dan een beetje. Zijn kransslagaders zijn omgelegd. Vier bypasses.
Als de boot of het schip nu dwars op de stroom komt te liggen, hoe lang zou het dan duren om vier bypasses te graven?
Er is ruimte genoeg. De dijkhuisjes achter me zouden onder water komen te staan. Of misschien zouden er een soort riviereilandjes gecreëerd kunnen worden, dan kunnen de huisjes blijven staan. Met een beetje slim ondernemen zouden ze tot hotelkamers omgebouwd kunnen worden. Vier volwaardige kamers per huisje en één huisje als eetkamer. Geen restaurant. Groot denken in het kleine. Landerigheid in het actieve. Met roeibootjes zouden de toeristen overgevaren kunnen worden. Of misschien met sloepen. In de winter, bij strenge vorst, zou de stroom uit de bypass gehaald kunnen worden, zodat het water in ijs kan veranderen. Dan kan een arrenslee de oversteek verzorgen. Paarden met spijkers in hun hoefijzers en belletjes aan hun halsters. De hoofdstroom moet dan ijsvrij blijven, als die dat nog aankan.
Hoe haal je de stroom uit een kunstmatige zijtak van een rivier?
De zon schijnt fel. Ik ben mijn zonnebrand vergeten. Vanavond onder de douche zal ik dat merken. Ik voel het niet als ik verbrand. Eerst zal ik de douche op iets onder de achtendertig graden zetten, daarna zal ik hem langzaam opdraaien. Ik zal het knopje indrukken dat de beveiliging ontgrendelt, waardoor ik de thermostaatkraan richting vijftig graden kan draaien. Zover laat ik het niet komen. De hitte brandt de pijn uit mijn huid. Een paar dagen later zal ik gaan vervellen. Mijn armen kan ik bedekken, maar mijn gezicht niet. De vellen zullen aan de linkerkant loslaten. Voorzichtig zal ik ze op het toilet proberen los te pulken, zodat niemand het ziet. Onbegonnen werk. Mijn schouder zal vol schilfers komen te zitten, omdat ik constant met mijn vingers langs de verbrande plekken zal schrapen. Het verval sluipt, het roeptoetert nooit.
Het is een schip. Beroepsvaart schippert. Als het mooi klinkt, is het vaak waar. Ik kan mijn vader bellen. Hij is zeker thuis. Een helende wond dwars over zijn borstbeen, vastgehouden met een soort ijzerdraad. Het hijgen terwijl hij spreekt is voorbij. Hij zal slapen. Een middagdutje.
Het schip heeft een hogere snelheid dan ik had verwacht. Zijn vracht bestaat uit stenen. Hoge bergen grind. Het water slaat over het dek. De man die langs de rand loopt, stapt met laarzen aan door het water. Zijn bewegingen stralen rust uit.
Zou een schip Cruise Control hebben?
Is dit de schipper die zijn lading inspecteert?
Roodkapje en de wolf. Stenen in de buik van de wolf en de jager die het weer dichtgenaaid heeft. Niet over het borstbeen.
Hoewel, waar zit je maag? Mijn vader. Nee, ik bel hem niet.
De wolf strompelt langs mijn bankje richting het water. Hij zal proberen te drinken en voorover tuimelen. Verdrinken.
‘Wodan, hierrr.’
Geen wolf natuurlijk.
‘Goedemiddag,’ groet zijn baas.
‘Goedemiddag.’
Als ieder schip dat hier dagelijks met grind voorbijvaart, precies op deze plek zo’n twee emmers van zijn lading verliest, hoe lang zal het dan duren voor de rivier verstopt raakt? Vierenzeventig jaar? Sluipend dichtslibben. Elke dag een beetje. Rivierverkalking. Vader op zoon. Als onwelkome erfenis.
Vanaf de schroef van het schip kolken de golven in een V-vorm naar de kanten. Als ik naar rechts kijk, zie ik hoe strak zijn koers is. De twee keer dat ik een zeilboot mocht besturen, werd ik geroemd om mijn whisky-koers.
Als jongen mocht ik lege flessen wegbrengen naar de gemeentewerf. Een grote betonnen bak was de inzamelplek voor oud glas. Een hoge achterwand. Hoog genoeg om er het oud glas tegenaan tot stukken te gooien. Zeker tien lege flessen sherry in vijf dagen en nog wat groentepotten. Ik kreeg er vijftig centen voor, maar ik deed het voor het gooien. Mijn vader kookte als een vrouw. Een glaasje sherry bij de hand. De fles daarnaast. Behalve als we bezoek kregen, dan kookte mijn moeder. Wat de smaak van eten betreft, hoopte ik nooit op bezoek.
Mijn moeder doet nu weer de boodschappen. Dat valt haar tegen. Sinds vierendertig jaar doet zij weer boodschappen en de winkels zijn veranderd. Pasjes en pincodes, bonusaanbiedingen en nieuwe merken.
Geen sigaretten meer. Hij is gestopt. De dokter was duidelijk. De boodschap was duidelijk. Als mijn vader gemotiveerd wordt, kan hij besluiten nemen.
Het schip is alweer een stip aan de horizon. Het klotsen van het water dat tegen de wal aansloeg is gestopt. Het is niet stil, maar het ruist aangenaam.
Morgen maar eens de huisarts bellen. Bloeddruk op laten nemen en naar mijn hartruis laten luisteren. Het zal wel meevallen. En toch.
Ik sta op en pak mijn fiets.
Zou ik het schip in kunnen halen? Wat is zijn snelheid in kilometers per uur? Hoe reken je knopen om in kilometers per uur?
Ik zal mijn vader bellen. Als ik thuis ben. Na zijn middagdutje. Ik schop wat stenen richting het water. Een paar plonsen naar beneden, het water in. De rivier lijkt er niet minder hard door te stromen.
-
Knopen tellen
-
No questions asked
‘Toen ik op school zat was ik de beste in touwklimmen. Ik was het snelst boven en weer beneden.’
Ik denk dat hij dit zegt. Mijn Engels is redelijk, maar verre van volmaakt. Hij kan niet ouder dan veertien jaar zijn geweest, daarna heeft hij de school gedwongen verlaten. Het is een rekensom, die ik zelf maak met de informatie die ik al heb.
Ik denk terug aan mijn schooltijd en de gymles. Ik kwam nauwelijks omhoog in het klimtouw en naar beneden gleed ik zo snel, dat er blaren in mijn handen stonden.
‘Je zult wel van die pijnlijke hoe heten ze ook alweer in het vel van je handen hebben gehad.’
Ik weet het Engelse woord voor blaren niet meer.
‘Ja, van de hele school. Het snelst naar boven en naar beneden.’
Allebei spreken we Engels met ons eigen accent.‘Je moet je gehoorapparaat indoen!’ schreeuwt zijn vrouw vanuit de keuken.
‘Zijn ene oor was al doof vanuit de oorlog, maar nu gaat zijn andere oor ook achteruit,’ vervolgt ze in het Nederlands tegen mij.
Tante en aangetrouwde oom. Zo’n twintig jaar leeftijdsverschil.
‘Ik ben veertig jaar getrouwd met die vrouw en nu wil ze opeens dat ik naar haar luister,’ zegt hij opgewekt.Hij heeft de gave om onze kinderen op hun gemak te stellen, ookal spreken zij geen woord Engels en hij nauwelijks een woord Nederlands.
Telkens als we ’s avonds na het eten naar onze huur Condo rijden, wordt er opgewekt gezwaaid door geopende autoraampjes en danst hij met brede armgebaren als een soort trekpop zonder koordje, over zijn oprit. Een lange slanke man, die zijn leeftijd goed weet te maskeren.Ik ken zijn verleden op hoofdlijnen, uit boeken, documentaires en verhalen. De geschiedenis van anderen, die ook zijn geschiedenis is. In flarden heb ik voorvallen gehoord, uit zijn leven voordat hij naar Amerika ging. Over een tocht bijvoorbeeld, waarbij hij zijn broer op zijn rug meenam. Zijn broer stierf. Vlak voor of net na de bevrijding uit het concentratiekamp. Ik weet het niet precies, anderen vertelden het.
‘Van de hele school de snelste, zelfs van de oudere jongens. En ze vertelde mij daar ook het verhaal van de broers Fin en Hun. Die kregen ruzie. Fin stichtte Finland en Hun stichtte Hungary. Dat vertelde ze op school. En weet je, dat was een grote ruzie, want ze verstonden elkaars taal voorgoed niet meer.’
Hongarije, ik vraag me af of hij nog wel eens Hongaars spreekt. Het is één van de vele vragen die ik hem niet stel.‘Help je me nog herinneren dat ik de grill schoon moet maken, morgen?’
Het is onze standaardgrap sinds de dag dat we hamburgers van de gasbarbecue hebben gegeten.
‘Ja morgen zal ik je eraan herinneren dat je de grill moet schoonmaken.’
‘Mooi, dan doe ik het vandaag niet.’Elke avond eten we bij ze. Rijke maaltijden, met rijke verhalen. Over zijn tijd bij de luchtmacht, zijn ontmoeting met zijn vrouw, hoe hij haar voor zich won en het wonen in Florida.
Als we aan het eind van de avond naar onze auto lopen komt hij achter ons aan.
‘Ken je dit botje?’
Hij poetst de resten vlees van een dun y-vormig kippenbotje.
‘In Hongarije mochten de kinderen ieder aan een uiteinde trekken en een wens doen. Van degene die het langste botje lostrok, zou de wens uitkomen.’
‘Nee, dat ken ik niet,’ antwoord ik.
‘Ik deed het vaak met mijn broer. Je wist nooit wie het langste botje trok.’Jongens die nog wat te wensen hadden.
Niemand trekt aan het botje.
De autoraampjes gaan weer open, er wordt gezwaaid en geroepen. Hij danst heen en weer op de oprit.
Ik staar in het licht van de koplampen. Toch zal ik eens doorvragen.
Morgen.
-
Burengerucht
Over de toppen van de bomen zie ik in de verte de kerktoren, die het centrum van de stad markeert. Ik staar vaak naar buiten. Ik zie het verkeer dat altijd in beweging is, vogels die voorbij schieten en de bomen die mijn zicht op de omgeving in de vaste cadans van de seizoenen verhullen en onthullen. De nacht biedt me een magische lichtshow.
Vandaag is het niets. De zon schijnt, het is warm en ik zou blij moeten zijn.
Toch. De afgrond.
Als ik dicht tegen de vensterbank aan ga staan, kan ik recht naar beneden kijken en zie ik een deel van de betegeling die langs de flat naar de bergingen leidt. Daar liep ik jarenlang vier keer per dag met de hond.
De vloer en de muren scheiden mij van drie andere appartementen. Boven mij is het dak. De buren schuin onder mij tel ik niet mee. Ik ken ze geen van allen. Alleen het echtpaar, dat met mij de hal van de lift deelt ken ik van gezicht en kort gekuchte groeten.
De balkonnen zijn ontmanteld. Betonrot, die een snelle renovatie noodzakelijk maakt en met excuses voor het ongemak. Voor eventuele vragen kunt u zich wenden tot … Brieven met mooie logo’s en in meerkleurendruk.
De dikke betonnen platen zaten met enorme bouten aan de woningen vastgemaakt, gedragen door twee steunen. Ook van beton.
Binnen drie dagen was het gelukt om de flat van zijn uitstulpingen te verlossen. Het plaatsen van nieuwe balkonnen zal meer dan twee weken duren.
De grond roept. Daagt uit.
Kom dan!
Spring dan!
Durf eens!
Ik schuif het raam open. De wind slaat naar binnen. Ik steek mijn hoofd naar buiten. Als ik zou springen, zouden ze me niet kennen. Er is niemand die me kent. Niemand. De flat is te groot. De stad is te groot. Mijn vaste gezelschap is overleden. Het is tijd voor actie.
Ik trek mijn hoofd terug.
De buurt zal me leren kennen. Mij nooit meer vergeten.
Ik loop naar de gang, schuif de voorgoed verlaten hondenmand opzij, open de kast en pak de rol, die al jaren ongebruikt ligt te wachten op noodgevallen. Dan ga ik naar de keuken. Daar is de balkondeur. Op slot en aan de buitenkant afgezet met plastic rood-wit gestreept lint. Ik draai de sleutel om, open de deur en duw hem door het lint heen. Het plastic rekt op. Rood kleurt naar oranje, naar wit en knapt. Bijna tuimel ik voorover, maar ik grijp me vast aan de post. Nu nog niet. Straks.
De geluiden van de straat lijken door het gemis van een barrière luider naar binnen te dringen. De uiteinden van de rol bevestig ik aan de verwarmingsbuis. De rest gooi ik de lucht in. Op de drempel haal ik diep adem. Ik kijk naar beneden. Daar liep ik met de hond. Mijn gezelschap. Mijn verbond met het leven.
Heel even duizelt het voor mijn ogen. Voorzichtig keer ik mijn rug naar de wereld, mijn blik de keuken in. Ik schuifel naar achter. Weer grijp ik de deurpost vast.
Dan stap ik op de eerste tree van de touwladder.
Bij iedere keukendeur zal ik aankloppen.
Ze zullen me leren kennen.
-
Losgeslagen
Van bovenaf hoor ik flarden van de toespraak die over het water richting mijn sloep waaien.
‘Een stap voorwaarts … Verbinding met het achterland … Na jaren gerealiseerd … Open ik …’
Ik heb de touwen zo gezet, dat mijn open sloep precies in het midden van de rivier blijft liggen. De brug heeft mij mijn inkomen ontnomen.‘We beschouwen het werk dat u verricht heeft als vrijwilligerswerk, daarom heeft u geen recht op een uitkering. U weet dat we de situatie jarenlang gedoogd hebben, maar de plaatsing van de brug hebben we ruim op tijd bij u aangegeven.’
De man van de gemeente had in ieder geval de moed gehad om het mij persoonlijk te komen vertellen. Hij was, ondanks zijn strak aangemeten pak, opmerkelijk snel.
‘Ik stuur de hond achter je aan! Uitzuiger.’
Ik heb geen hond. Ik had wel een hond. Een herdershond. Astra, mijn ster, mijn koningin, het middelpunt van mijn leven.‘Dankuwel, meneer de burgemeester. Dan zullen nu als eerste de kinderen van basisschool De Veeneweg de brug inwijden.’
Drieëndertig jaar geleden streek ik hier neer. Drieëndertig jaar, tweeëntwintig dagen en pak hem beet drie uur geleden. Het oude huisje was vervallen, maar ik knapte het op. De boer had het als opslagplaats gebruikt. Ik mocht het als woning gebruiken. De sloep tikte ik op de kop via een kennis van de boer. Door een kabel zo laag mogelijk onder de waterlijn met de dukdalf te verbinden, kon ik de stroming gebruiken om de sloep van de ene wal naar de andere te manoeuvreren.
Zo zette ik mijn eigen veerdienst op en werd een kapitein met een pet. Het scheelde de fietsers meer dan vijfentwintig minuten reistijd. Het overzetten duurde slechts twee minuten. Er was plaats voor vijf passagiers met hun fietsen. Als er een wachttijd was, dan loonde het nog steeds de moeite om mijn veer te gebruiken. Daarmee betaalde ik mijn bijdrage voor het huisje en kon ik voorzien in mijn levensbehoeften.Astra is dood. Verdronken. Door mijn schuld. Zij was mijn enige werkelijke gezelschap. Op een ochtend sprong ze in mijn sloep. Niemand leek haar op te merken, maar ik voelde direct een band. De forensen wisselden groeten en korte zinnen met mij, maar dat voelde nooit zo vertrouwd als de aanwezigheid van Astra. Zij sliep op mijn bed en wekte mij met een lange streek van haar tong, vanaf mijn kin tot voorbij mijn voorhoofd. Met haar aan mijn zijde liep ik via de weilanden naar de dichtstbijzijnde winkel. Ze hield zich doodstil als ik aan het vissen was en joeg de ratten op, die te dicht bij mijn huis kwamen. Ze lag naast me tijdens de veerdiensten, zonder een enkele passagier te storen.
Haar naam haalde ik uit een gedicht. Asta astra ster koningin. Het gedicht stond in een krant, naast Marc groet ’s morgens de dingen. Eén van mijn klanten bracht op werkdagen elke ochtend de krant mee als betaalmiddel. Astra luisterde meteen naar haar naam, alsof ze nooit anders had geheten.
Wat er in me opkwam weet ik niet, maar blijkbaar gewoon uit verveling, siste ik:
‘Astra, een kat!’
Op het land deed ik het vaker. Astra liep dan als een dolle de weilanden in. Uitgelaten sprong ze in het rond op jacht naar een beest dat er niet was. Minstens drie keer zocht ze mij dan op en keek me aan, wachtend op een aanwijzing die ze nooit kreeg. Haar staart kwispelde volop. Dit keer zaten we midden op het water. De sloep was op ons na, leeg.
Aan de andere kant wachtten twee reizigers op de overtocht. Astra sprong. Ik dook voorover en half hangend over de reling greep ik naar haar halsband. Ze keek me met wijdopengesperde ogen aan. Haar poten probeerden in wilde bewegingen vat op het water te krijgen. Bij het naar binnen trekken knapte de gesp. Terwijl de boot de kant naderde, zag ik haar verder afdrijven. Ze bleef naar me kijken. Ik keek terug, de halsband in mijn hand. Haar kop dook onder en kwam al snel weer boven water. Het leek alsof haar blik mij smeekte om ook in het water te springen. Ik kon het niet.
Terwijl de eerste passagier aan boord stapte, zag ik haar kop een laatste keer onder water verdwijnen.
‘Goedemorgen,’ werd ik vriendelijk begroet.
‘Goedemorgen,’ mompelde ik terug.
Ze hadden schijnbaar niets meegekregen van het voorval.
De halsband bewaar ik achter de reddingsboei, die ik na het voorval kocht.Schuin boven me klinkt het rinkelen van fietsbellen en het geratel van tussen de spaken gestoken speelkaarten. Kinderen joelen. Volwassenen klappen.
Dan zie ik de vrouw pas. Ik schrik. Door de touwen te verschikken zet ik de sloep schuin op de stroming. Zo vaar ik naar de haar toe. We kennen elkaar goed.
Net als Astra was ze op een ochtend verschenen. Niet zomaar een ochtend. Precies zeven jaar na het overlijden van mijn hond. Ze had dezelfde blik in haar ogen. Ik voelde me schuldig en blij tegelijk.
‘Dag visserke vis met de pet,’ zei ze lachend toen ze voor het eerst de sloep in stapte.
‘Dag visselijn mijn,’ antwoordde ik voor mijn doen openhartig.
Ze besloot meteen die eerste keer al om drie keer achter elkaar heen en weer te varen. Genoeg tijd om twee gedichten luidkeels en tweestemmig het water op te sturen.
‘Ik ben vernoemd naar een filmster. Of eigenlijk naar een gedicht over een filmster,’ vertelde ze.
Asta Nielsen Asta Astra Ster Koningin Onze Lieve Vrouw, dacht ik.
Iedere dag nam ze mijn veer. Ze hoefde niet te betalen. Vaak bleef ze wat langer zitten, ze kwam doordeweeks op een tijd dat er geen andere klanten waren. In de weekeinden zat ze hele dagen in mijn sloep. Zwijgend -vrijwel onzichtbaar- als er passagiers aan boord waren, volop pratend en lachend als we met zijn tweeën waren.
Sinds een paar dagen is zij de laatst overgebleven passagier. Ze kuste me toen ik daarom moest huilen.Ik leg de boot aan.
‘Hallo,’ begroet ze me.
‘Hallo.’
‘Hoe is het met je?’
‘Het is nu definitief tijd voor wat anders.’
‘Je moet wel,’ antwoordt zij met een glimlach.
‘Ik heb wat voor je meegenomen.’
‘Wat is het?’ vraag ik.
Ze heeft een plastic zak bij zich.
‘Dat zul je wel zien. Zet me eerst maar over.’
‘Weet je,’ zegt ze halverwege, ‘ik hou van je. Ik heb altijd van je gehouden.’
Mijn hart slaat een slag over, ik probeer mijn hoofd niet te laten kleuren. Ik hou ook van haar.
Ze opent de plastic tas.
‘We moeten de koers verleggen. Voorgoed,’ zegt ze met een plechtige stem.
Ik staar naar haar, ik staar naar de bijl die ze in haar hand heeft. Met twee ferme halen slaat ze de touwen door. De kabel zakt naar de bodem van de rivier. Even lijkt de boot te aarzelen, maar dan pakt de stroming ons op.
Langzaam verdwijnt de brug uit het zicht. De rivier neemt ons mee richting het meer. In de verte pakken donkere wolken zich samen. Onweer dreigt.
‘Kijk, een kat,’ sist ze plotseling.
Ze lacht. Ik voel me ongemakkelijk.
‘Een kat,’ sist ze nogmaals en kijkt me met ontblote tanden en valse hondenogen aan.
Van schrik spring ik op, stap achteruit en tuimel overboord.
Vanuit het water zie ik hoe ze hurkt. Als ze overeind komt houdt ze de reddingsboei omhoog en gooit deze theatraal, met een boogje op het bankje van de sloep. Weer zie ik hoe ze door haar benen buigt. Weer komt ze overeind. Ze heeft de halsband om, hij past haar precies.Langzaam zak ik naar beneden, ik heb nooit leren zwemmen.
-
Knagend geweten
Uitgeverij Letterrijn schreef de verhalenwedstrijd ‘Insomnia’ uit. ‘Schrijf een verhaal in de traditie van Edgar Allen Poe.’ Een moeilijk thema. Onderstaand verhaal haalde de bundel niet
Knagend geweten.
‘Cuando el amor no es locura, no es amor.’
Pedro Calderón de la Barca.Na drie dagen vrijwel onafgebroken lopen heeft William Lasalle eindelijk een plek gevonden waar hij tot rust kan komen. Buiten raast de storm. De regen slaat onder de dakpannen door en druppelt op de aarden vloer, waar zich kleine plasjes water vormen. Achterin de schuur bevindt zich een verhoging. Daar weet hij zich gewikkeld in een verweerd stuk zeildoek te beschermen tegen de kou, het vocht en de flarden wind. Op zijn wangen, verscholen tussen de stoppels, zitten spetters bloed. Zijn kleren vertonen, wonderbaarlijk genoeg, geen sporen van de slachtpartij.
De vermoeidheid verspreidt zich door zijn lijf. Meer dan een week zonder een moment van nachtrust heeft zijn tol geëist, de slaap komt daardoor snel. De aanwezigheid van de ratten zal hij pas bij zijn ontwaken bemerken.De vader van William was bij leven een hoge militair, die makkelijk naar de fles greep. In één van zijn dronken buien brak hij voorover vallend zijn nek op de rand van een tafel. De moeder van William had daarna meerdere relaties, maar durfde niet te hertrouwen, omdat ze bang was dat de toelage van het leger dan zou stoppen.
De herinneringen aan zijn vader en de vrienden van zijn moeder staan gegrift in Williams gezicht en in zijn rug. Die hebben hem sterker gemaakt. Met hem valt niet te spotten en hij weet zichzelf te beschermen op een manier die de wet niet altijd toestaat. Dat was de reden om uit te wijken naar de stad, waar hij nu uit weggevlucht is.Bij het aanbreken van de ochtend is de storm gaan liggen. Het geritsel onder de verhoging heeft hem gewekt. Zijn maag knort. Onderweg heeft hij voldoende gedronken, maar de voedselvoorraad was te beperkt. De dwaaltochten van lang geleden door de bossen en langs de rivier, samen met de vrienden die hij toen nog had, hebben hem geleerd wat eetbaar is. Van deze kennis heeft hij de afgelopen dagen te weinig gebruik gemaakt, nu zal hij er zijn voordeel mee doen.
Voorzichtig rollend uit het zeil, valt zijn oog op de spade die achter hem tegen de wand staat. Het lukt hem niet om bij het stuk gereedschap te komen, zonder dat de planken onder zijn voeten kraken. Het geritsel verstomt. Nu is het wachten op het juiste moment. In de plunjezak hebben zich broodresten opgehoopt tussen de kreukels van de stugge stof. Hij schraapt ze los en verzamelt zo een kleine handvol kruimels. Met de spade in zijn ene hand en het kruim in de andere stapt hij behoedzaam naar de rand van de verhoging. Daar strooit hij het voedsel vanuit zijn hurken voor zich op de vloer uit en wacht op wat er zal komen. Na een kleine tien minuten klinkt het geritsel weer. Een rat scharrelt uit zijn schuilplaats. William moet zich beheersen om niet te snel naar voren te schieten.
Rattenkop, galmt het in gedachten door zijn hoofd. Een snelle uithaal. In een goed geplaatste en nauwkeurig uitgevoerde beweging wordt de nek van het beest doorkliefd. Even ziet hij in een flits het onthoofde lichaam van John Wilson voor zich.
De rat heeft geen kans gehad om nog een geluid uit te stoten. Bloed loopt over de grond. Nog een laatste stuiptrekking.Rattenkop, denkt William nogmaals.
Weer ziet hij John Wilson voor zich, de man die hij heeft vermoord.
John was mager en klein van stuk, met een mond die opviel door de vooruitstekende tanden. Iedereen vond hem lelijk, maar ondanks zijn tekortkomingen wist hij makkelijk contact met anderen te leggen. Ze waren van dezelfde leeftijd. John had enkele goedlopende winkels opgezet. Het succes was vooral te danken aan zijn talent om nieuwe ontwikkelingen te ontdekken en aan zijn lef om deze te introduceren. Er zat geen spoor van kwaad in hem.
Net als iedere man wentelde ook John zich graag in de aandacht van de vrijgezelle dames. Dat kostte hem nog moeite, maar uiteindelijk wist hij iemand aan de haak te slaan. Helaas voor John zou hij met de jongedame trouwen waar William van hield. Dat wist de vrouw niet. Dat John het niet wist kostte hem het leven.
Sinds William de huwelijksaankondiging had gezien, kon hij niet meer slapen. Het vergif van de jaloezie sloop zijn lichaam binnen. De vrouw had diepblauwe ogen, lichtblond opgestoken haar, haar boezem stond door de nauwgesloten kleding ferm naar voren, haar lach was van ver te horen en vanaf de eerste blik die zij met de zijne kruiste, voelde hij zich als betoverd. Soms durfde hij haar aan te spreken, dan bleef ze staan, keek naar hem en lachte om zijn stuntelige pogingen om indruk te maken.
‘Ik mag je wel, kerel,’ zei ze en liep hardop lachend verder, waarbij ze hem met een in al zijn poriën tintelend lichaam achterliet.
Voor haar zou hij alles willen doen.
Ze was in verhouding oud voor een huwelijkskandidaat. William kon niet begrijpen dat zij voor John koos. Pas na het lezen van het voornemen om in de echt te treden, zag hij dat ze weduwe was. Bij het mededelingenbord voor het gemeenschapshuis, verspreidden de geruchten zich dat het geld van haar erfenis er inmiddels doorheen gejaagd was. Volgens de algemene mening was dat de reden waarom ze zou trouwen met de lelijke John Wilson.
Tijdens de slapeloze uren zag hij hen voor zich. Hoe zij elkaar aanraakten, kusten en uiteindelijk behaagden. Het maakte hem misselijk.
Ieder beeld dat hij zich vormde, wakkerde zijn woede aan. Het gezicht van John, met zijn opvallende voortanden, vervormde zich in zijn haatfantasieën tot een echte rattenkop.
Rattenkop, dacht William toen voor het eerst, starend naar het houten plafond. De blik van de vrouw waar hij van hield kwam hem voor ogen en zijn hele lijf raakte ingesteld op wraak.
‘Hee, rattenkop!’ had William dan ook geroepen toen John de drankgelegenheid had verlaten en de steeg naar zijn huis inliep. Het was drie dagen na de bruiloft.
John keek met troebele ogen naar William. Sinds zijn jeugd had niemand hem meer zo genoemd.
‘Wat wil je van me?’ antwoordde John.
Het waren zijn laatste woorden.
‘Gefeliciteerd met je huwelijk!’ siste William.
Met de officierssabel van zijn vader sloeg hij in één houw het hoofd van Johns romp. Op het moment dat hij naar de liggende stukken lijf keek, begreep William dat niet John, maar zij gedood had moeten worden. Zij zou opnieuw een ander vinden, maar nooit hem.
‘Vervloek haar en jou erbij, John Wilson.’
Een koude zucht wind trok langs hem heen en heel even dacht hij aan het eind van de steeg een glimp van de inmiddels dubbele weduwe te zien. Het leek of hij haar lach hoorde.
Een rat likte aan het langzaam leeglopende hoofd, dat nauwelijks twee meter van William verwijderd lag. Het beest was uit het niets verschenen en stak zijn kop via de luchtpijp dieper naar binnen.
De ogen van John waren opengesperd, het oogwit kleurde rood om de bruine irissen. Plotseling draaiden ze enigszins schokkerig in de richting van William. De blik bleef op hem hangen. William staarde als aan de grond genageld terug. Het ooglid van het rechteroog sloot zich rustig tot een knipoog, bleef een korte tijd gesloten en opende in een snelle beweging. Het bruin was naar diepblauw verkleurd. William deinsde achteruit, liet het wapen uit zijn hand glijden, rende naar huis, greep zijn plunjezak, stopte deze vol met eerste benodigdheden en vluchtte de stad uit.Vervloekte rattenkop.
Buiten steekt de wind weer op. William loopt naar de deur van de schuur, schuift hem open en werpt een blik op het naastgelegen landhuis. Het ziet er verlaten uit. Dat is schijn, er is een man aanwezig. Dat had hij al gezien toen hij zijn schuilplaats observeerde, maar hij vermoedt dat het slechte weer de bewoner weg zal houden van de schuur. Hij sluit de deur en loopt terug naar zijn komende maaltijd, terwijl zijn ogen speuren naar materialen om een vuurplaats mee op te bouwen. Stenen en hout zijn al snel gevonden en daarnaast ook een kleine, nog goed gevulde, olielamp.
Waar is de rat? Waar is zijn lijf?
William kijkt naar de plas bloed en de kop die de bron van de donkere plek markeert. Het onderlijf ontbreekt.
Verdomde beesten!
Met een trap schiet hij de kop van het beest verder de schuur in. Inmiddels roffelt de regen weer op het pannendak en dringt de kilte van de tocht door tot in zijn botten. Hij grijpt naar de plunjezak op zoek naar een restje voedsel. Door een gat vallen de laatste kruimels naar beneden. De snelheid en het lef waarmee de ratten zijn plunjezak open hebben gevreten, verrast hem. Het boekje lucifers is droog gebleven, hij pakt het uit de zak en legt dat naast de lamp, daarna slaat hij het zeildoek om zich heen in de hoop al slapend de dag door te komen.
Bij het ontwaken is het donker. De storm beukt nog steeds op de schuur en de bomen daaromheen. William ontsteekt de olielamp. Het lijkt of er iemand voor de ingang zachtjes staat te lachen. Voorzichtig loopt hij half op de tast naar de uitgang van de schuur. Met enige kracht krijgt hij de deur open, de wind slaat hem bijna naar binnen. Buiten is er geen levend wezen te bekennen. Hij is moe en twijfelt aan zijn waarnemingen. Het landhuis trekt zijn aandacht. De lichten zijn gedoofd op één kamer na. Door het venster is een flakkerend licht te zien. De dood en het huis zijn voor zijn gevoel met elkaar verbonden. Vlak daarna ziet hij de voordeur opengaan. De contouren van een man verschijnen in de opening. Even denkt William dat de bewoner hem ziet, maar als de man de deur sluit voelt hij zich opgelucht. Het besef van tijd is hij kwijt. Hij besluit verder te slapen. Op de weg terug stoot zijn voet tegen iets zachts. Hij loopt door. De slaapplaats is nog warm van zijn lichaam en het lukt hem om snel in slaap te vallen.
Bij zonsopgang wekt het geritsel hem opnieuw. Dit keer schrikt hij ervan. William schiet overeind. Ondanks de kou is hij klam van het zweet. De vermoeidheid heeft hem nog lang niet verlaten. William voelt zich koortsig. Naast hem ligt de kop van de rat, die hij gisteren nog de schuur heeft ingetrapt.
Rattenkop, denkt hij opnieuw.
‘Rattenkop!’ schreeuwt hij het uit.
‘RATTENKOP!’
Met een onbehaaglijk gevoel staart hij naar het levenloze stuk dier.
De zwarte kralenoogjes draaien plotseling naar hem toe. Williams lijf gehoorzaamt niet meer aan zijn hoofd. Hij wil naar de spade grijpen, maar zijn armen weigeren dienst.
Wat wil hij van mij?
‘Wat wil je van mij?’ herhaalt hij hardop.
Bij zijn voeten kriebelt het.
Rattenkop.
De ogen staren hem nog steeds aan.
Een knipoog. Een diepblauw gekleurd oog.
Meteen daarna een stekende pijn in zijn tenen. Vanuit alle hoeken en gaten springen de ratten naar voren. Eerst knagen ze aan de makkelijk te grijpen delen; de vingers, de tenen, de oren, de neus en daarna storten zij zich op de wekere delen, zoals zijn slapen, lippen, wangen, ogen en buik. Dwars door zijn kleding banen de scherpe tanden zich een weg naar zijn geslachtsdelen. William voelt hoe ze naar binnen dringen. De pijn is ondraaglijk. Op de achtergrond hoort hij de vrouw lachen.
Zijn gedachten lijken te vertragen, tot ze bijna stoppen.
William is blij als het leven tenslotte uit zijn lichaam wegvloeit. Het duurt nog weken voor zijn resten gevonden worden. Het skelet is kaal gevreten. Er is geen restje vlees over, dat door rotting in stank omgezet kan worden. De arts die erbij gehaald is, spreekt het vermoeden uit dat deze landloper door uitputting om het leven is gekomen.In de stad wordt de zoektocht naar de moordenaar gestaakt, verder zal niemand hem missen. De weduwe knabbelt glimlachend aan een broodje in haar nieuwe woning.