Soms denk ik terug aan Amersfoort. De naam kwam op een bord voorbij, mijn rijtuig schoof er langzaam langs. Het was een mooie dag in mei.
Het treinstel piepte. Ik keek op. Er stapte niemand in of uit, zelfs in de winkel was het stil. En ‘Amersfoort’, schoof langs mijn ruit.
Ik zag verweerde oude balken, en veel beton met spiegelramen. Een wachthok zonder wachters, op hen die nooit meer kwamen.
Een elektronisch fluitje klonk. De trein kwam langzaamaan op gang, de bossen gleden langs mijn raam. De oorlog duurde één stop lang.
Adlestrop
Yes. I remember Adlestrop— The name, because one afternoon Of heat the express-train drew up there Unwontedly. It was late June.
The steam hissed. Someone cleared his throat. No one left and no one came On the bare platform. What I saw Was Adlestrop—only the name
And willows, willow-herb, and grass, And meadowsweet, and haycocks dry, No whit less still and lonely fair Than the high cloudlets in the sky.
And for that minute a blackbird sang Close by, and round him, mistier, Farther and farther, all the birds Of Oxfordshire and Gloucestershire.
(Edward Thomas)
Dit gedicht onstond naar aanleiding van de foto van Remko Schotsman van het station Amersfoort, die hij samen met het gedicht van Edward Thomas plaatste op social media.
Gedichten schrijven is zo moeilijk
niet, nu de regels breken en
de wereld niet te rijmen lijkt.
Nu steeds meer ogen stuk-
geschoten, wegkijken of verblind. Nu
steeds meer levens sterven voordat
ze ooit tot lezen komen, nog voordat
ze betekenis gegeven wordt.
Weggevaagd in onnadenkendheid
is gedichten schrijven niet.
Dit zijn de feiten
zoals ik ze zal onthouden:
één kik slechts, de navelstreng
geknipt door mij.
Met vingertoppen hart masseren
in het rustig ritme van de vroedvrouw.
Het zacht gesis van zuurstof,
het noemen van je naam
en het ingehouden huilen
van je moeder.
Hoe jij toen al met ons een stukje stierf.
We staan gelukkig nog in leven
waar het bos wat koelte geeft.
Het ven verbergt zijn diepte
terwijl de rolstoel in de modder stokt.
De bomen ruisen en ik zucht —
morgen zal je jarig zijn, mijn rug
vormt zich naar de dikke takken.
Een grap van jou waarop
we samen lachen. Je hoofd schudt,
je lijf deint met je ledematen mee.
We staan hier samen,
nooit eens op dezelfde plek.
Ik ruik de bodem na de regen,
terwijl jij je ogen sluit
voor het veel te felle licht.
Zomaar uit het niets jouw lachen.
Hoe ik in dit ruisen meedraai
en jij me steeds weer weet te vinden
in het sterven van ons leven.
Dit gedicht kreeg een eervolle vermelding van Meander Magazine bij de Rob de Vos prijs 2025. Het gedicht met juryrapport is hier te lezen.