Van bovenaf hoor ik flarden van de toespraak die over het water richting mijn sloep waaien.
‘Een stap voorwaarts … Verbinding met het achterland … Na jaren gerealiseerd … Open ik …’
Ik heb de touwen zo gezet, dat mijn open sloep precies in het midden van de rivier blijft liggen. De brug heeft mij mijn inkomen ontnomen.
‘We beschouwen het werk dat u verricht heeft als vrijwilligerswerk, daarom heeft u geen recht op een uitkering. U weet dat we de situatie jarenlang gedoogd hebben, maar de plaatsing van de brug hebben we ruim op tijd bij u aangegeven.’
De man van de gemeente had in ieder geval de moed gehad om het mij persoonlijk te komen vertellen. Hij was, ondanks zijn strak aangemeten pak, opmerkelijk snel.
‘Ik stuur de hond achter je aan! Uitzuiger.’
Ik heb geen hond. Ik had wel een hond. Een herdershond. Astra, mijn ster, mijn koningin, het middelpunt van mijn leven.
‘Dankuwel, meneer de burgemeester. Dan zullen nu als eerste de kinderen van basisschool De Veeneweg de brug inwijden.’
Drieëndertig jaar geleden streek ik hier neer. Drieëndertig jaar, tweeëntwintig dagen en pak hem beet drie uur geleden. Het oude huisje was vervallen, maar ik knapte het op. De boer had het als opslagplaats gebruikt. Ik mocht het als woning gebruiken. De sloep tikte ik op de kop via een kennis van de boer. Door een kabel zo laag mogelijk onder de waterlijn met de dukdalf te verbinden, kon ik de stroming gebruiken om de sloep van de ene wal naar de andere te manoeuvreren.
Zo zette ik mijn eigen veerdienst op en werd een kapitein met een pet. Het scheelde de fietsers meer dan vijfentwintig minuten reistijd. Het overzetten duurde slechts twee minuten. Er was plaats voor vijf passagiers met hun fietsen. Als er een wachttijd was, dan loonde het nog steeds de moeite om mijn veer te gebruiken. Daarmee betaalde ik mijn bijdrage voor het huisje en kon ik voorzien in mijn levensbehoeften.
Astra is dood. Verdronken. Door mijn schuld. Zij was mijn enige werkelijke gezelschap. Op een ochtend sprong ze in mijn sloep. Niemand leek haar op te merken, maar ik voelde direct een band. De forensen wisselden groeten en korte zinnen met mij, maar dat voelde nooit zo vertrouwd als de aanwezigheid van Astra. Zij sliep op mijn bed en wekte mij met een lange streek van haar tong, vanaf mijn kin tot voorbij mijn voorhoofd. Met haar aan mijn zijde liep ik via de weilanden naar de dichtstbijzijnde winkel. Ze hield zich doodstil als ik aan het vissen was en joeg de ratten op, die te dicht bij mijn huis kwamen. Ze lag naast me tijdens de veerdiensten, zonder een enkele passagier te storen.
Haar naam haalde ik uit een gedicht. Asta astra ster koningin. Het gedicht stond in een krant, naast Marc groet ’s morgens de dingen. Eén van mijn klanten bracht op werkdagen elke ochtend de krant mee als betaalmiddel. Astra luisterde meteen naar haar naam, alsof ze nooit anders had geheten.
Wat er in me opkwam weet ik niet, maar blijkbaar gewoon uit verveling, siste ik:
‘Astra, een kat!’
Op het land deed ik het vaker. Astra liep dan als een dolle de weilanden in. Uitgelaten sprong ze in het rond op jacht naar een beest dat er niet was. Minstens drie keer zocht ze mij dan op en keek me aan, wachtend op een aanwijzing die ze nooit kreeg. Haar staart kwispelde volop. Dit keer zaten we midden op het water. De sloep was op ons na, leeg.
Aan de andere kant wachtten twee reizigers op de overtocht. Astra sprong. Ik dook voorover en half hangend over de reling greep ik naar haar halsband. Ze keek me met wijdopengesperde ogen aan. Haar poten probeerden in wilde bewegingen vat op het water te krijgen. Bij het naar binnen trekken knapte de gesp. Terwijl de boot de kant naderde, zag ik haar verder afdrijven. Ze bleef naar me kijken. Ik keek terug, de halsband in mijn hand. Haar kop dook onder en kwam al snel weer boven water. Het leek alsof haar blik mij smeekte om ook in het water te springen. Ik kon het niet.
Terwijl de eerste passagier aan boord stapte, zag ik haar kop een laatste keer onder water verdwijnen.
‘Goedemorgen,’ werd ik vriendelijk begroet.
‘Goedemorgen,’ mompelde ik terug.
Ze hadden schijnbaar niets meegekregen van het voorval.
De halsband bewaar ik achter de reddingsboei, die ik na het voorval kocht.
Schuin boven me klinkt het rinkelen van fietsbellen en het geratel van tussen de spaken gestoken speelkaarten. Kinderen joelen. Volwassenen klappen.
Dan zie ik de vrouw pas. Ik schrik. Door de touwen te verschikken zet ik de sloep schuin op de stroming. Zo vaar ik naar de haar toe. We kennen elkaar goed.
Net als Astra was ze op een ochtend verschenen. Niet zomaar een ochtend. Precies zeven jaar na het overlijden van mijn hond. Ze had dezelfde blik in haar ogen. Ik voelde me schuldig en blij tegelijk.
‘Dag visserke vis met de pet,’ zei ze lachend toen ze voor het eerst de sloep in stapte.
‘Dag visselijn mijn,’ antwoordde ik voor mijn doen openhartig.
Ze besloot meteen die eerste keer al om drie keer achter elkaar heen en weer te varen. Genoeg tijd om twee gedichten luidkeels en tweestemmig het water op te sturen.
‘Ik ben vernoemd naar een filmster. Of eigenlijk naar een gedicht over een filmster,’ vertelde ze.
Asta Nielsen Asta Astra Ster Koningin Onze Lieve Vrouw, dacht ik.
Iedere dag nam ze mijn veer. Ze hoefde niet te betalen. Vaak bleef ze wat langer zitten, ze kwam doordeweeks op een tijd dat er geen andere klanten waren. In de weekeinden zat ze hele dagen in mijn sloep. Zwijgend -vrijwel onzichtbaar- als er passagiers aan boord waren, volop pratend en lachend als we met zijn tweeën waren.
Sinds een paar dagen is zij de laatst overgebleven passagier. Ze kuste me toen ik daarom moest huilen.
Ik leg de boot aan.
‘Hallo,’ begroet ze me.
‘Hallo.’
‘Hoe is het met je?’
‘Het is nu definitief tijd voor wat anders.’
‘Je moet wel,’ antwoordt zij met een glimlach.
‘Ik heb wat voor je meegenomen.’
‘Wat is het?’ vraag ik.
Ze heeft een plastic zak bij zich.
‘Dat zul je wel zien. Zet me eerst maar over.’
‘Weet je,’ zegt ze halverwege, ‘ik hou van je. Ik heb altijd van je gehouden.’
Mijn hart slaat een slag over, ik probeer mijn hoofd niet te laten kleuren. Ik hou ook van haar.
Ze opent de plastic tas.
‘We moeten de koers verleggen. Voorgoed,’ zegt ze met een plechtige stem.
Ik staar naar haar, ik staar naar de bijl die ze in haar hand heeft. Met twee ferme halen slaat ze de touwen door. De kabel zakt naar de bodem van de rivier. Even lijkt de boot te aarzelen, maar dan pakt de stroming ons op.
Langzaam verdwijnt de brug uit het zicht. De rivier neemt ons mee richting het meer. In de verte pakken donkere wolken zich samen. Onweer dreigt.
‘Kijk, een kat,’ sist ze plotseling.
Ze lacht. Ik voel me ongemakkelijk.
‘Een kat,’ sist ze nogmaals en kijkt me met ontblote tanden en valse hondenogen aan.
Van schrik spring ik op, stap achteruit en tuimel overboord.
Vanuit het water zie ik hoe ze hurkt. Als ze overeind komt houdt ze de reddingsboei omhoog en gooit deze theatraal, met een boogje op het bankje van de sloep. Weer zie ik hoe ze door haar benen buigt. Weer komt ze overeind. Ze heeft de halsband om, hij past haar precies.
Langzaam zak ik naar beneden, ik heb nooit leren zwemmen.
Geef een reactie