Verhaal


  • Vriendendienst

    Uitgeverij Letterrijn schreef de verhalenwedstrijd ‘Insomnia’ uit. ‘Schrijf een verhaal in de traditie van Edgar Allen Poe.’ Een moeilijk thema. Onderstaand verhaal haalde de bundel niet.

    La famille est une Cour de justice qui ne chôme ni nuit ni jour.
    M. De Chazal

    Vriendendienst.

    Terwijl ik met mijn hoofd boven de toiletpot hang besluit ik dat ik nooit meer met mijn vriendinnen uit zal gaan. Dat is niet de eerste keer. Telkens als ik met hen uit geweest ben, eindig ik hier misselijk van de drank en met gaten in mijn geheugen.
    Een golf braaksel baant zich een weg vanuit mijn maag, via mijn slokdarm, naar mijn mond om in spetterend geweld stuk te slaan op het witte porselein. Druppels vliegen rond en brandende etensresten blijven hangen in mijn neus. Ik haal mijn neus op en spuug het zuur uit. Als ik op wil staan voel ik een volgende golf aankomen. Snel zak ik weer naar beneden, op mijn knieën.
    Biefstuk en verschillende groentesoorten wervelen in slechtgekauwde brokken door het water dat vermengd is met veel te veel wijn. Rode wijn.

    ‘Een oude vrijster, dat ben jij.’
    ‘Vrijster? Heeft ze sowieso wel eens een man aangeraakt?’
    ‘Ja, inderdaad. Heb je wel eens zo’n warm kloppend lid vastgegrepen?’
    ‘Met je mond.’
    Mijn vriendinnen barsten in een luid gelach uit. Ik lach opgewekt mee, maar weet een antwoord te vermijden.
    ‘We gaan een keer een gigolo voor haar regelen. Waar val je op?’
    ‘Val je wel op mannen, anders regelen we een lekkere meid voor je!’
    Weer een gezamenlijke lachsalvo, nu antwoord ik wel.
    ‘Geef mij maar een man, hoor. Dat weten jullie best. Een man met donkerblond haar, een stoppelbaardje en een lekker kontje. Mooi gespierd ook, geen zwaar fitnesstype, maar meer als een zwemmer. En ouder dan ik ben.’
    ‘En een grote lul zeker.’
    Als we dronken worden, rollen de vulgariteiten steeds makkelijker over de tafel.
    ‘Ja, ja, zo’n grote als de vibrator die we je twee jaar geleden hebben gegeven. Gebruik je die nog wel eens?’
    Ik voel hoe het bloed naar mijn hoofd stroomt. In het halfdonker en met zoveel drank op zullen ze het niet zien. De gezichten om me heen glimmen van het zweet, een aantal van mijn vriendinnen kijkt wat onvast uit hun ogen.
    ‘Nee,’ zeg ik, ‘die ligt ergens te verstoffen op zolder.’
    ‘Ooh, je bloost. Zien jullie. Ze bloost! Je liegt, ik zie het wel. Dat geeft niet hoor.’
    ‘Ik heb er ook één, die gebruik ik als mijn vriend er niet is. Alleen dat gezoem is zo hinderlijk.’
    Het gezoem herken ik en het vervelende gekronkel van het rubberen uiteinde bedenk ik erbij. Ik vond het een onding. Het lag al snel in een krant verpakt bij het vuil. Dat ik hem vrijwel meteen heb weggegooid durf ik niet te zeggen.
    ‘Die gigolo vind ik wel een mooi plan. Jij bent de enige zonder vent.’
    ‘Hoeveel kost zoiets eigenlijk?’
    ‘Met onze salarissen kunnen we dat samen best voor elkaar krijgen. We zijn met zijn zessen en Ellen moet nu echt eens aan de man.’
    ‘Ja, laten we het gewoon doen.’
    Ik voel me opgelaten.
    ‘Kom op meiden. Ik kan wel voor mezelf zorgen. Dan heb ik liever een middagje Beauty Farm. Kunnen we ook nog samen gaan.’
    ‘O ja, een Beauty Farm. Dat is ook leuk! Wanneer gaan we?’
    Het onderwerp lijkt soepel verlegd te zijn, maar toch is er altijd nog iemand die een steek onder water geeft.
    ‘Maar die gigolo kan altijd nog.’
    Ik ril bij de knipoog die Marja mij geeft. Marja is van al mijn vriendinnen de beste. Ik ken haar door en door en zij mij. Een leven zonder haar is voor mij onvoorstelbaar. Daarom kan ik veel van haar en haar flauwe grappen hebben.
    ‘Marja, ik weet dat het idee voor die vibrator ook bij jou vandaan kwam. Dit keer laat je het hoor.’
    ‘Wie weet,’ antwoordt ze.

    De misselijkheid trekt eindelijk weg. Voorzichtig sta ik op en breng mijn hoofd meteen naar de kraan. Eerst spoel ik mijn mond en daarna slik ik in kleine hoeveelheden voorzichtig wat water door. Ik draai me om, klap de toiletbril naar beneden en veeg met grote proppen wc-papier het oppervlak schoon. Vervolgens trek ik mijn broek en slip naar beneden, ga zitten en plas boven op mijn eigen kots. Bij het doortrekken spoelt niet alles weg. Ik walg van mezelf, maar heb de energie niet om nu al schoon te maken. Als de werkster maandag komt om dit veel te grote huis aan kant te krijgen, zal ik het opgeruimd hebben. Heel even schaam ik me.
    Met mijn broek half opgetrokken ga ik naar de slaapkamer, daar kleed ik me uit. Het valt me op dat de deur van de logeerkamer gesloten is, dat is niet mijn gewoonte. Waarschijnlijk heeft de tocht hem dichtgeslagen. Het kost me moeite om de afgelopen dag te reconstrueren. Vooral de chronologie ben ik kwijt. Ik heb het lang geleden ook meegemaakt, toen waren er gigantische gaten in mijn geheugen geslagen. Dat was na het overlijden van mijn broertje en een veel te grote hoeveelheid drank. Het duurde een week voordat ik mijn geschiedenis weer op de juiste plek en in de juiste volgorde in mijn geheugen had. Mijn therapeut en ik zijn het erover eens dat het de laatste paar jaar goed met me gaat. Ik laat mijn schoenen en kleding liggen op de grond, schuif naakt onder het dekbed en val vrijwel direct in slaap.

    Het is licht als ik wakker word. Van beneden hoor ik het geluid van voetstappen. Mijn hoofd doet zeer, ik voel me erg duf. Een pan rammelt op het fornuis. Water stroomt door de keukenkraan. De straal klatert in de metalen wasbak. Zo stil mogelijk verlaat ik het bed. Uit de kast pak ik een shirt en een joggingbroek. De derde tree van boven kraakt, die sla ik over. Het zijn vreemde geluiden, die me toch geen angst aanjagen. De deur naar de woonkamer open ik met ingehouden adem. Het rumoer uit de open keuken gaat onverminderd door. Ik kijk om de hoek van het muurtje dat de woonkamer van de keuken scheidt. Hij ziet me.
    ‘Hallo Ellen. Zin in een eitje? Je zal het wel nodig hebben, daarom ga ik je eens extra verwennen. Hoe was het gisteren? Bijzondere vriendinnen heb jij toch. Niet te dronken geworden?’
    Het zijn veel woorden achter elkaar. Hij doet me denken aan de knipoog van Marja, ik had het kunnen verwachten. Mijn vriendinnen zijn de liefste mensen op aarde, maar ook de meest onbetrouwbare. Hij staat er in een boxershort en T-shirt, met een keukenschort voor, waarop het lichaam van een vrouw in bikini is afgebeeld. Donkerblond haar, gespierd zoals zwemmers, een duidelijk lekker kontje en zelfs het stoppelbaardje hebben ze doorgegeven. Naar mijn smaak is hij iets teveel aan de oude kant. Maar toch, ze hebben voor hem betaald, dus waarom zou ik deze vette vis laten glippen. In tegenstelling tot wat de meeste van mijn vriendinnen denken, ontvang ik wel vaker mannen in mijn huis. In mijn bed zelfs. Marja heeft hem vast mijn voordeursleutel gegeven.
    ‘Ja hoor,’ speel ik het spel mee, ‘een gebakken graag. Met ham.’
    Hij lacht naar me.
    ‘Een gebakken ei met ham, voor mevrouw.’
    ‘En neem zelf ook wat.’
    ‘Vanzelfsprekend, schoonheid. Je weet waar eieren goed voor zijn.’
    ‘Nou, dat mag je me straks laten zien meneertje.’
    ‘Jij weet wel hoe je spanning af moet reageren zeg, maar ik weet niet of dat zo slim is.’
    ‘Waarom niet?’
    ‘Straks horen ze ons nog. Nee hoor, het is nog niet het juiste moment. Dat vind jij toch ook? Je moet eerst nog bijkomen van gisteren. Laten we lekker eten.’
    Het windt me eerlijk gezegd wel op. De suggestie van seks met veel lawaai. Ik vraag me af of de buren daar last van zullen hebben. Ze zijn oud en redelijk hardhorend. Vanaf de eettafel heb ik goed zicht op zijn rug, zijn shirt kruipt iets omhoog. Hij heeft kuiltjes vlak boven zijn billen. Ik stel me voor hoe ik daar met mijn vinger langs glij, met mijn nagels door de plukjes haar die ik uit zijn broek zie pieken.
    ‘Maar vertel, hoe was het gisteren? Ik moest er wel aan denken hoor.’
    ‘Wat wil je ervan weten? Wat moet je ervan weten?’
    ‘Als je er nu niets over wilt vertellen, dan hoeft het niet. Dat snap ik wel. Natuurlijk heeft het zijn sporen achtergelaten. Fijn dat jullie er als vriendinnen samen nog op uit trekken, ik en mijn vrienden zouden meteen naar huis zijn gegaan. Voor jouw wetenschap, ik heb heerlijk alleen geslapen.’
    Nu weet ik weer wat me tegenstaat in een relatie. Het gekeuvel over niets, de drang om onder het mom van liefde elkaar uit te horen. Ik ben gesteld op het leven dat ik leid, zonder dat ik daar verantwoording over af hoef te leggen.
    ‘Hier is uw ei, schone dame.’
    Ik merk dat zijn woorden me tegen beginnen te staan. De lust die ik net nog had om hem mee naar boven te nemen slaat om in afkeer. Het voelt niet echt. Niet warm, zou zelfs Marja zeggen.
    Hij zet ook voor zichzelf een bord neer. Drie eieren met ham en kaas, terwijl ik er slechts twee heb gekregen. Zo zijn mannen. Hij smakt. Ik houd niet van smakken.
    ‘Wat is er Ellen?’
    ‘Niets hoor.’
    Ik wacht op het juiste moment om hem te bedanken voor zijn diensten, dat is lastiger dan ik had gedacht. Mijn vriendinnen hebben hem al betaald, dus is er geen enkele reden om hem met een schuldgevoel de deur te wijzen. Dat we niet in bed belanden is misschien een aantasting van zijn beroepseer, maar daar zal hij wel overheen komen. Zouden ze ook nog om een grote lul gevraagd hebben? Ik schrik van mijn eigen gedachten.
    ‘Volgens mij is er wel wat. Je eet niet eens. Als je er over wilt praten luister ik graag hoor.’
    ‘Nee, nee, het is niets. Na het eten moest je maar gaan.’
    ‘Zie je wel! Wat is er mis met je?’ antwoordt hij.
    Met zijn donkere ogen kijkt hij me aan. Het duurt me iets te lang. Dan staat hij op.
    ‘Laat me je vasthouden. Gewoon zonder woorden er voor elkaar zijn.’
    ‘Dat wil ik niet. Blijf van me af!’
    ‘Kom op Ellen, waarom mag ik je niet even vastpakken?’
    ‘Je blijft met je tengels van me af,’ zeg ik agressiever dan ik verwacht had.
    ‘Ik knijp je niet fijn.’
    ‘Denk niet dat je mij aan kan raken, omdat je dat vaker hebt gedaan. Blijf uit mijn buurt!’
    ‘Maar Ellen, ik weet dat je het nodig hebt. Je gaat nu toch beginnen over de andere vrouwen?’
    Het blijven noemen van mijn naam geeft me een onaangenaam gevoel. Ondanks mijn waarschuwingen stapt hij op mij af.
    ‘Wegwezen jij, ga mijn huis uit. Het was een mooi cadeau, maar nu moet je gaan. Ga weg hoor je me!’
    ‘Ik ga niet zomaar weg. Je mag bijvoorbeeld best een reden geven. Praat met me. Wat je begint moet je ook afmaken. En het is er nu misschien niet het juiste moment voor, maar jij hebt ook je ervaring met mannen. Mij houd je niet voor de gek. Ik laat me nu niet zomaar wegjagen! Je doet me wat, dat merk je toch?’
    ‘Rot op, hoor je me!’
    ‘Word nu eens rustig mens. Ik ga je niet vermoorden. Wat is er met je? Zo ben je toch niet werkelijk?’
    Zijn toon verandert, het zachte is vervangen door hoekige woorden met een kille onderstroom. Hij is duidelijk niet van plan zijn toenaderingspogingen te staken en ik ben niet van plan het onderspit te delven.
    ‘Ik waarschuw je nog één keer. Trek je kleren aan en verdwijn uit mijn huis.’
    ‘Maar Ellen, hou je …’
    Weer mijn naam. Ik gris de vork van de tafel en haal ongecontroleerd, maar met alle kracht uit. De tanden boren zich een weg in zijn oogbol. Met een schreeuw buigt hij voorover. Verbijsterd kijk ik hem aan, met het eetgerei nog stevig in mijn hand. Plotseling komt hij overeind en stort zich bovenop mij.
    ‘Ellen, kom bij je verstand!’
    Ik hak met de vork in op alle plekken die ik maar kan raken. Zijn weerstand verslapt. Zijn ademhaling is eerst zwaar, maar daarna zacht en kort, tot het stokt. Het lukt me om onder zijn lijf uit te komen. Mijn shirt is besmeurd met bloed. Dit was de bedoeling niet. Dit wilden mijn vriendinnen niet. Zelfverdediging was het.
    Zelfverdediging, houd ik mezelf nog een keer voor.
    Verdwaasd sta ik op en staar voor me uit. Mijn hoofd bonkt van de spanning en van de kater. De vork glijdt uit mijn hand en valt op het levenloze lichaam.
    Achter me hoor ik de deur opengaan.
    ‘Mama, wat is dat voor een lawaai? Hoe was het trouwens op de begrafenis van Marja?’
    Voordat ze begint te krijsen kijk ik in de spiegeling van het raam. In één nacht ben ik jaren ouder geworden.


  • Dwalingen

    Toen Dmitri Orlov na het verlaten van het station de straat op stapte, waren zijn gedachten nog volop bij de reis die achter hem lag en was hij nog geen halve seconde verwijderd van de aanrijding die hij niet zou overleven.

    ‘Dimka, u krijgt de taak om af te reizen naar de familie om deze brieven persoonlijk te overhandigen.’
    ‘Zal ik mijn uniform aantrekken of in burgerkleding gaan, Vlad?’
    ‘Dat laat ik aan u over. Ik denk dat het goed is om dat ter plekke te beoordelen. Tijdens de reis kunt u in burger gaan.’
    Het tekende de sfeer tussen de collega’s. Ze noemden elkaar bij de voornaam, bij de verkleining daarvan zelfs, en hielden tegelijkertijd de beleefdheidsvorm u aan.
    ‘Dimka, het zal uw laatste tocht zijn.’
    ‘Ik weet het.’
    Dmitri had zijn hele werkzame leven in dienst van de staat gesteld. Hij had veel wetsovertreders, waaronder moordenaars en elementen die zich tegen de veiligheid van de samenleving hadden gekeerd, opgepakt. Zijn eenheid had speciale rechten, waarvan het gebruik schuurde tegen de bestaande wetten en in het geval van een gewone burger tot een gevangenisstraf of erger zou leiden. De mensen die door dit elitekorps aangehouden werden, eindigden vrijwel altijd op een executieplaats. Het juridisch werk was van zo’n hoogstaande kwaliteit, dat de procesgang kort was en het vonnis vaak al binnen een week voltrokken kon worden.
    Anderhalve week geleden hadden ze de seriemoordenaar, die jarenlang zijn gang kon gaan, weten op te pakken. Deze man had op de meest gruwelijke wijze jonge mensen, zowel vrouwen als mannen, om het leven had gebracht. En waarom? Omdat dat voor dit beest de enige manier was om zijn sperma naar buiten te werken.
    Dmitri was trots op zijn land en trots op de bijdrage die hij kon leveren aan de stabiliteit van de maatschappij. Hij was blij dat hij onmensen zoals deze man op mocht sporen en voelde geen enkel medelijden bij zijn terdoodveroordeling, die vrijwel meteen voltrokken werd. En toch had juist deze zaak hem aan het denken gezet.
    ‘U bent toe aan uw pensioen. Er zijn weinigen die dat binnen ons soort werk halen.’
    ‘Ik weet het Vlad, maar die dag is nog niet aangebroken.’
    ‘Laat u niet bezwaren door uw gemoed, Dimka. U zet een misverstand recht, maar dat misverstand is niet door u of mij ontstaan. Het was zijn eigen gedrag dat dit uitgelokt heeft. Hij heeft zelf bekend.’

    Nadat hij zijn koffer had ingepakt, draaide hij de schroefdop van de fles wodka, zette de hals aan zijn mond en nam een slok. De afwas stond opgestapeld op het aanrecht en in de wasbak. De aardappels in een pan op het fornuis, werden aan het zicht onttrokken door een dikke laag pluizige schimmel. Met de inhoud van de koffiepot schonk hij de plant voor zich op tafel bij.
    ‘Mijn pensioen,’ zei hij lachend tegen de stilte om zich heen.

    De treinreis naar het dichtstbijzijnde plaatsje duurde twee dagen. Daarna zou hij met de bus nog drie uur onderweg zijn, voor het reisdoel bereikt was.
    ‘Als ik met de trein reis, zie ik steeds opnieuw de grootsheid van ons land,’ begon de reiziger tegenover hem zijn monoloog.
    ‘Kijk hoe de gebouwen de wildernis hebben getemd, hoe de mens zijn kracht heeft getoond.’
    Voor zijn gevoel vuurde zijn reisgenoot twee dagen en een nacht de gesproken zinnen onafgebroken tegen hem aan.
    ‘Zie die bomen. Zie hoe ze naar de hemel reiken en bescherming bieden aan het leven onder hun bladerdek. Zo zorgt onze regering ook voor ons. Ze bieden ons bescherming en onderdak.’
    Het enthousiasme waarmee de man sprak, bracht hem het geloof in zijn leiders bijna terug. Hij was het kwijtgeraakt en Vladimir wist het. Daarom had hij deze opdracht gekregen. Als hij loyaal aan de staat bleef, bleef de staat loyaal aan hem.
    Bij iedere landschapswijziging wist zijn coupégenoot hem te wijzen op een vergelijking met de geneugten van de heilstaat. Met broodjes en grote slokken wodka wisten de twee mannen hun reis op een voor hen aangename wijze door te brengen.
    Hoewel Dmitri weinig gesproken had, was hij gul geweest in het delen van zijn drank en zo verlieten ze elkaar als vrienden die wisten dat ze nooit meer contact zouden hebben.

    Van de busreis kreeg hij weinig mee. De voorgaande dagen hadden hem zoveel energie gekost, dat hij vrijwel meteen na vertrek in slaap was gevallen en pas bij het eindpunt wakker werd.
    Het dorp kwam op hem over als een spookplaats. De ramen en deuren van veel huizen waren met planken dichtgespijkerd, de gebouwen die over waren oogden klein en verwaarloosd. Een hotel was er niet en hij voelde ook geen behoefte om hier te overnachten. Met wat geluk kon hij het bezoek kort houden en zou hij de laatste trein terug naar huis kunnen halen. Het uniform kon in de koffer blijven, het zou teveel aandacht trekken.
    De weg naar de ouders had hij snel gevonden. Achter de woning lag een klein stukje land waar een man bezig was met het wieden van onkruid. Dmitri liep door naar de deur en klopte aan. De deur wiegde mee met de slagen van zijn knokkels.
    ‘Wie is daar?’
    ‘Is dit het huis van Aleksandr K …,’ hij kreeg de kans niet om zijn zin af te maken.
    Een oude vrouw opende de deur.
    ‘Heeft u nieuws over onze Sasja! Kom binnen, kom binnen. Vader, er staat hier een man met nieuws over Sasja!’
    De moed zonk hem in de schoenen.
    ‘Wacht even met vertellen hoor, tot mijn man er is. We zijn zo benieuwd. Hij is al jaren geleden verhuisd en we horen niets van hem. Als een persoon als u hier komt in zulke mooie kleren, dan zal het hem vast goed gaan. Ga zitten, ga zitten.’
    Een man schuifelde de kamer binnen. Dezelfde man die het onkruid aan het wieden was.
    ‘Nee, ik blijf liever staan. Dan kan ik straks de bus nog halen.’
    ‘Natuurlijk, natuurlijk. Vertel alstublieft. Gaat het goed met onze Aleksandr?’
    ‘Mevrouw, ik ben hier slechts om deze brieven te overhandigen.’
    Dat was een leugen. In één brief stonden de officiële excuses van de partijleider voor de onterechte executie van hun zoon, in de andere brief zat een cheque ter compensatie van de geleden ongemakken. In gevleugeld taalgebruik hadden de tekstschrijvers van de president deze Aleksandr tot martelaar weten te verheffen. Gestorven voor een hoger doel. Het was zijn taak om de brief en de omstandigheden mondeling toe te lichten. Met het oppakken van de seriemoordenaar was ook de onterechte veroordeling van Aleksandr aan het licht gekomen, nu al twaalf jaar geleden. Deze mensen wisten van niets. Niets van een veroordeling. Niets van een executie. Zijn geloof in de heilstaat had zijn laatste houvast verloren. Hij kon zich er niet toe zetten om een toelichting te geven.
    ‘Wilt u echt niets drinken? U komt zo te zien van ver. Ik ben zo benieuwd wat hij te schrijven heeft. De reden dat u er speciaal voor komt is een teken dat het hem voor de wind gaat.’
    ‘Nee, dank u. Neem deze brieven aan. Ik moet gelijk gaan.’
    ‘Als u echt niet wilt, dan laat ik u gaan. U maakt mijn dag zo goed.’
    Dmitri verliet gehaast het huis en meende niet lang daarna een ijselijke schreeuw te horen. Hij herinnerde zich de bekentenis van hun zoon. Woorden die door een mond vol bloed werden gefluisterd.

    De terugreis duurde lang. Hij zag dezelfde landschappen voorbijtrekken als die van de heenweg. Landschappen die door mensenhanden steeds meer in verdrukking kwamen, kale plekken door erosie, mijnbouw en het afbranden van grote delen van het woud. Hij zag de lekkende pijpen van de olieleidingen, die langs grote delen van de rails mee leken te reizen. Hij zag zijn leven aan zich voorbijtrekken.

    Bij het station stapte hij zwaar vermoeid uit de trein. Hij wilde zo snel mogelijk naar huis. Zijn gedachten waren nog volop bij de reis die achter hem lag. Hij stapte de straat op. Toen hij opzij keek naar de aanstormende auto, zag hij Vladimir achter het stuur zitten.
    Als hij de tijd nog had gehad om te denken, zou hij zijn kameraad begrepen hebben.

     

     

    Dit verhaal is fictie, maar vindt zijn inspiratie in de informatie over Aleksandr Kravtsjenko uit deze link


  • Bianca

    Een witte poes op startblok nummer 3. Echt verbaasd ben ik niet. Stom genoeg zie ik haar pas zitten op het moment dat ik de kant aantik na mijn eerste baan.
    Er lopen hier muizen rond. In de kleedruimtes, maar ook langs de randen van het bad. Eén keer heb ik een muis weg zien glippen in één van de roosters aan de kant. Straks drijven de keutels nog in het water. Een poes inzetten vind ik zeer verstandig. Thuis heb ik ook last van muizen. Helaas kan ik zelf geen huisdieren houden.
    Elke dag ben ik twee keer in het bad. ’s Morgens om half zeven en ’s avonds om kwart over negen. Twintig baantjes precies.
    Vanaf het moment dat ik de poes voor de eerste keer gezien heb, staat ze telkens als ik er ben op hetzelfde startblok. De koningin van het bad. Ze staat er zo vanzelfsprekend dat het personeel geen acht op haar slaat.
    ‘Miauw,’ zeg ik elke keer als ik de kant aantik. Ze kijkt me doordringend aan.
    Na een paar dagen lijkt ze met haar ogen naar mij te knipperen. Ze kijkt vriendelijk. Ik begin tegen haar te praten. Ik zwem haar tegemoet, spreek een korte zin en keer me om.
    ‘Dag witte dame, nog wat gevangen vandaag?’
    ‘Poezen houden niet zo van water. Anders had u rustig een baantje mee mogen trekken.’
    Het zijn onzinnige uitspraken, maar ze geven me rust.
    Ik besluit mijn zwem-meters met één baan te verlengen. Zo kom ik met mijn laatste zwemslagen bij haar uit. Ik klim uit het water. Zittend op startblok 4 begin ik met haar te praten. Bianca, noem ik haar.
    ‘Wat een mooi weer buiten, vind je niet Bianca?’
    ‘Miauw,’ zegt ze terug.
    ‘Je hebt echt mooie ogen.’
    Bij complimenten begint ze te spinnen. Opgewekt ga ik weg.
    Er zijn weinig mensen in het bad op de tijden dat ik zwem. De andere zwemmers horen bij een vaste club. Zij kijken niet op van mijn vaste ritueel op startblok 4. Sowieso zijn ze vooral met zichzelf bezig. Het badpersoneel schenkt al helemaal geen aandacht aan mij.
    Bianca geeft me plezier in mijn leven. Ongemerkt leg ik de eenentwintig banen steeds sneller af.
    ‘Bianca, je hebt niet eens een halsband. Dat kan toch niet. Een dame als jij heeft een sieraad om haar nek nodig.’
    Bianca spint volop.
    Ze krijgt haar halsband.
    ‘Hier, zelf gemaakt. Spikes in leer. Staat u mij toe mevrouw?’
    Tot mijn verbazing springt Bianca soepel van haar startblok en loopt op mij af. Zonder problemen mag ik de halsband om haar nek vastgespen. Daarna geeft ze me onophoudelijk kopjes.
    ‘Bianca, mag ik je kussen?’
    Ik verbaas me over mijn eigen woorden. Bianca kruipt op mijn schoot en drukt haar snoet tegen mijn mond. Ik kus haar voorzichtig en voel mijn lijf tintelen.
    In mijn dromen zie ik haar terug. Ze verandert in een mooie jonge vrouw. Tweeëntwintig jaar schat ik mijn droombeeld. De leeftijd van mijn zusje. De eeuwige leeftijd van mijn zusje. Mijn vader heeft haar overreden met de auto. Een ongeluk. Dat is zijn verhaal. Ik weet beter. Ik was erbij toen hij en mijn zusje de meest vreselijke woorden naar elkaar schreeuwden. Verwijten over en weer. En klappen. Van beide kanten. Het is nooit bewezen. Moeder was gelukkig niet meer in leven en is dit bespaard gebleven. Mijn vader schrijft me brieven die ik niet lees. Hij is nooit een fijne man geweest. Streng en onrechtvaardig. Daar laat ik het bij.
    Mijn zusje mis ik nog elke dag. Naast mijn bed heb ik een foto van haar staan. Sinds haar dood houd ik een dagboek bij. Een man met een dagboek, daar heb ik me een poos voor geschaamd.
    Bianca verschijnt regelmatig op de bladzijden.
    ‘Bianca zat er vandaag weer stralend bij. Haar halsband staat haar goed. De zon scheen door de koepel recht op haar startblok. De witte vacht leek te gloeien. Alleen al naar haar kijken maakt me zo blij. Met haar praten geeft me de kans om de chaos in mijn hoofd te verdringen. Als Bianca een mens was, zou ik met haar willen trouwen.’
    Ik begin niet met: Lief dagboek. Een dagboek is niet lief.
    ’s Avonds praat ik langer met haar dan ’s morgens. Ik blijf dan tot het zwembad gaat sluiten. In de ochtend moet ik me haasten, want dan heb ik andere afspraken.
    Bianca doet haar werk goed. De muizen zijn weg. Dat maakt me soms bang. Als er geen muizen meer zijn, zou Bianca dan overbodig worden? Wat zullen ze dan met haar doen? Ik ga het niet aan het personeel te vragen. Toen ik hier net kwam durfde ik ze pas na een paar weken met een knik te groeten. We praten niet met elkaar. Nooit. Gesprekken ervaar ik als een verplichting. Ik kan het wel. Anderen laten me dat vaak genoeg weten.
    Mijn zusje was de prater. Met haar ging ik wel eens de kroeg in. Echt leuk was dat niet. Terwijl mijn zus rondfladderde van de ene leuke jongen naar de ander, zat ik aan de bar en sloeg de pilsjes achterover. Vaak kon ik mij de volgende dag niet meer herinneren hoe de nacht daarvoor verlopen was. Mijn zusje probeerde mij wel aan leuke meisjes te koppelen. Als dat gebeurde was ik vaak al te dronken om nog een zinnig woord te kunnen zeggen.
    ‘Doe nu eens gezellig en drink niet meteen zoveel,’ hield ze mij voor.
    ‘Zo kom je nooit aan de vrouw.’
    Daarin had ze meer dan gelijk gekregen. Bianca is de eerste met wie ik heb gekust. Een kus die meteen duidelijk maakt wat ik tot nu toe gemist heb.

    ‘Dit kan niet waar zijn!’ denk ik verschrikt. Bianca is er niet. Haar startblok is leeg. Ik voel een paniekaanval aankomen. Gelukkig weet ik hoe ik die kan voorkomen. Goed ademhalen is het geheim. Na de dood van mijn zusje heb ik verschillende aanvallen gehad. Met hulp heb ik geleerd hoe ik hiermee om kan gaan.
    Ik besluit mijn banen gewoon te zwemmen. Twintig. De laatste extra baan heeft geen meerwaarde.
    ‘Ga ik het vragen? Het is maar een poes. Ze zullen me uitlachen.’
    Er spelen veel gedachten door mijn hoofd. De energie sijpelt uit mijn lichaam. Ik doe over twintig banen langer dan over de eenentwintig banen van de voorgaande weken. Vanmiddag heb ik een belangrijk gesprek. De verdwijning van Bianca komt me totaal niet uit. Hoe kan ik me nu concentreren?
    ‘Terug naar de ademhaling,’ houd ik mezelf voor.
    Het lukt me om rustig te blijven. Vroeger zou ik de hoop opgegeven hebben. Nu niet. Douchen, afdrogen, omkleden en voorbereiden op het gesprek.
    ‘Bianca,’ denk ik steeds en ik zie een mengeling van de witte poes en mijn droomvrouw voor me. Het leidt me af, maar op een positieve manier.
    ‘De aanval is de beste verdediging,’ was een favoriete uitspraak van mijn zusje.
    Aan die woorden houd ik me vast als ik het gesprek voorbereid. Ik zal er voor zorgen dat ik het meest aan het woord ben en mijn sterke kanten benadruk.
    ‘Ik ben sportief. Ik zwem elke dag twee keer met veel plezier. Geheel vrijwillig.’ zal ik ze voorhouden. Ik twijfel of ik zal knipogen bij mijn opmerking over de vrijwilligheid.
    ‘Ik kan omgaan met tegenslag,’ waarbij ik ze misschien over mijn zus zal vertellen, maar niet over Bianca.
    Het gesprek zal gevoerd worden met drie personen en mijzelf. Voorheen zou dat me zenuwachtig maken. Dit keer niet. Ik heb er het volste vertrouwen in.
    In de wachtruimte ben ik alleen. Ik blader door de tijdschriften, maar vind niets dat mijn aandacht vast weet te houden. Flitsen van Bianca trekken door mijn hoofd. Ik moet om mezelf lachen. Zoveel gevoel voor een witte poes, die waarschijnlijk helemaal geen Bianca heet.
    Met een grote grijns sta ik op als ze me naar binnen roepen. Zoals ik verwacht had is het een prima gesprek. Het drietal krijgt weinig kans om hun vragen te stellen. Ik ben ze voor. De weinige vragen die er gesteld worden weet ik met overtuiging te beantwoorden. Het uur vliegt om. De gespreksvoorzitter staat op. Hij schudt me de hand.
    ‘Gefeliciteerd meneer. U heeft er hard aan gewerkt en het resultaat mag er zijn. Neemt u deze papieren mee en geeft u ze af aan de balie,’ zegt hij op een net iets te luide toon.
    Ik merk dat het mij niet hindert. Ik ben blij. Maanden heb ik er naar uit gezien en nu is het zover. Snel handel ik de formele zaken af.
    In de hal staan mijn tassen. Ik pak ze op en loop langs de receptionist die de schuifdeuren voor mij opent. De zon schijnt. Ik sla de hoek om en bij de bushalte zie ik haar staan. Ze heeft mijn halsband om.
    ‘Bianca?’ vraag ik.
    ‘Hoe weet je mijn naam?’ antwoordt de vrouw.
    ‘Ik raadde het,’ zeg ik.
    ‘Waarom zat jij hier?’ vraagt ze aan mij.
    ‘Waanvoorstellingen, maar vandaag mag ik voorgoed naar huis.’

    Dit verhaal verscheen eerder in de bundel ‘Keerpunt’ van uitgeverij Letterijn, zie ook de Homepage.


  • Oud verhaal

    Via de spiegel zie ik hoe zij de kleren zorgvuldig strijkt, opvouwt en voorzichtig in de mand plaatst. Morgen zal ze de leeftijd van een vrouw hebben, maar de blikken van de jongemannen om haar heen verraden dat zij die status allang bereikt heeft. Puur natuur.
    Mijn huid vertoont enkele rimpels. Het haar bij mijn slapen werk ik wekelijks bij om het grijs te verbergen. Mijn echtgenoot vindt mij nog steeds mooi. Ik geloof hem niet. Een oude man, die zich voortsleept op zijn laatste benen.
    Aan de lijst van de spiegel hangt een foto van toen ik zelf een jongedame was, genomen door de duivel. Mijn blik dwaalt weer naar haar. Ze is nu al mooier dan ik ooit geweest ben.

    ‘U moet ik hebben,’ had hij gezegd.
    De duivel was opmerkelijk direct en gehuld in het lijf van een goed geklede man met een visitekaartje. L. Moenen, Plastisch Chirurg. Ik vulde in dat hij Luciën zou heten, hij sprak dit niet tegen. Later ook niet. Zelf hield hij het simpelweg bij Moenen.
    Ik zat op een bankje bij het kruispunt te wachten tot er een vrachtwagen voorbij zou denderen, groot genoeg om me ervoor te werpen. De eerste drie had ik voorbij laten gaan, moed verzamelend voor deze onomkeerbare stap. Ik zou er alles voor over hebben om mijn leven over te mogen doen. Mijn verleden tot dan toe bestond uit spotternij en onzekerheid. De wereld om mij heen had me ervan overtuigd dat ik een monsterlijk wezen was. God had mij verlaten.
    Luciën wreef met een papieren zakdoek in zijn oog. Ik was overdonderd door zijn opmerking. Zonder een reactie af te wachten vervolgde hij:
    ‘Ik heb zojuist een kliniek geopend. Dat moet natuurlijk gevierd worden, daarom wil ik iemand een gratis totaalbehandeling geven.’
    ‘Wat houdt een totaalbehandeling in en wat is de invulling van gratis?’
    ‘Je bent een slimme meid, maar dat wist ik al. Ik tover je om tot de meest begeerlijke vrouw van het land.’
    ‘Wat wil je ervoor terug?’
    ‘Ik word je raadgever voor het leven.’
    ‘Voor altijd? Of kan ik ook van je af komen.’
    ‘Er is een ontsnappingsclausule.’
    Het kon me weinig schelen wat die clausule was, de meest begeerlijke vrouw van het land leek me aanlokkelijk genoeg.
    Luciën hield woord. Zijn ingrepen brachten me uiteindelijk in de slaapkamers van veel vooraanstaande mannen. Ik genoot van hun aandacht, hun hunkering naar mijn lijf en de geschenken die ze mij toebedeelden. Ik had hen in mijn macht en leerde dat in de wereld van het geld terughoudendheid helemaal geen voorwaarde voor geheimhouding is.
    Toen de koning weduwnaar werd, wisten we beide allang wat we aan elkaar hadden. De prinses was nog jong en had nooit echt de aandacht van haar vader gehad. Ik gaf haar de behandeling die ik zelf in mijn jeugd had ondergaan. Ze leek er alleen maar sterker, zekerder én mooier door te worden.

    ‘Hij is dood.’
    Even stopt ze met vouwen. Ik kijk nog steeds via de spiegel naar haar. Luciën komt naast me staan. Hij slaat een arm om me heen en druk een kus op mijn voorhoofd. Met zijn duim en wijsvinger trekt hij wat rimpels recht.
    ‘Morgen neem ik je weer even onder handen.’
    Hij werpt een blik op haar. Ze is zwijgend verdergegaan. Tranen lopen over haar wangen. Hij kijkt te lang. Met beide handen grijp ik zijn hoofd beet en druk een zoen op zijn lippen. In de reflectie zie ik de mooiste vrouw van het land. Ik heb geen ontsnappingsclausule nodig.
    Morgen zal ik de jager opdracht geven om met haar naar het bos te gaan.


  • Aan de rol

    Toen Albert zeven jaar oud was, had zijn vader de schouderriem van de driepuntsgordel achter zijn rug om geleid, zodat hij alleen met de heupriem op de passagiersstoel zat. De klap op het dashboardkastje had de herinnering aan het ongeluk weggewist en zijn zicht op de wereld voorgoed veranderd. Zijn moeder had hem en zijn vader jaren daarvoor al verlaten.
    Albert groeide op met een beperking en zijn vader leefde verder met een schuldgevoel. Op dat schuldgevoel en het litteken bij zijn linkeroog na, leek hij op zijn vader. Ze hadden beide een lichtgetinte huid, donker haar, een gespierd lijf door intensief zwemmen, een gevoeligheid voor verslavingen en een goed stel hersenen.
    Albert’s vader had zich lang geleden al weten te ontwikkelen tot chirurg en hield zijn nachtmerries in bedwang met pillen en poedertjes uit de ziekenhuisapotheek. Albert maakte gebruik van zijn al vroeg verworven zelfstandigheid en zijn uiterlijk. Ook wist hij zijn beperking in te zetten om zoveel mogelijk meisjes in zijn bed te krijgen. Toen hij negentien jaar was had hij op de wand achter het bed in het tuinhuisje, dat omgebouwd was tot zijn residentie, al meer dan tweehonderd veroveringen afgeturfd. Zijn vader financierde zijn grillen en vroeg zelden waar hij het geld voor gebruikte. Alleen een auto behoorde niet tot de mogelijkheden. Daarvoor was zijn zicht te zeer verwoest.

    ‘Albert, ik heb met Harmsen van de experimentele chirurgie gesproken. Er zijn nieuwe ontwikkelingen op het gebied van de oogheelkunde.’
    ‘Kan je me het zout even geven?’ antwoordde Albert.
    ‘Albert, luister nou. Dit is echt interessant,’ vervolgde zijn vader terwijl hij het zout aangaf.
    ‘Luister, ik hoef jullie proefkonijn niet te zijn. Bij de vorige ingreep heb ik mijn oog helemaal verloren. Laat me nu maar lekker eten.’
    ‘Hiermee zou je kunnen beginnen met autorijden.’
    Even stopte het malen van de kaken en met volle mond zei Albert:
    ‘Autorijden zei je? Vertel me meer, maar weet wel dat je aanstuurt op een Porsche.’
    ‘Het is nog experimenteel, maar in China boeken ze er al goede resultaten mee. China gaat wat makkelijker om met het uitvoeren van proeven op mensen.’
    ‘To the point pa!’
    ‘Goed. Ze hebben een oog ontwikkeld dat elektrische impulsen omzet naar beeld.’
    ‘En dan gaan ze zeker allemaal draden leggen in mijn hoofd!’
    ‘Nee Albert. Het is vrijwel draadloos. Het oog is een zender en er wordt een kleine ontvanger in de hersenen geplaatst.’

    Vader en zoon spraken sinds lange tijd weer serieus met elkaar. De gesprekken werden voortgezet met experimenteel chirurg Harmsen, die een kans zag om zichzelf voorgoed op de kaart te zetten.

    ‘De operatie is geslaagd,’ hoorde Albert in de uitslaapkamer.
    Hij was nog versuft, maar dat was hem bijgebleven. Hij moest leren kijken. De vlekken die hij in het begin zag, moest hij afstemmen met het zicht van zijn andere oog, maar na verloop van tijd zag hij steeds scherper. De auto kwam er. Binnen twee jaar. Een Porsche. Daarmee breidde de turflijst achter zijn bed zich gestaag uit.

    Bij het schoonmaken van zijn oog had hij een andere mogelijkheid ontdekt. In het zwembad bij de dameskleedhokjes zat hij in zijn zwembroek, met gesloten oog en één lege oogkas te genieten van wat hij zag. Een handdoek verborg zijn erectie. Die verslapte slechts wanneer hij eraan dacht dat zijn oog zou vallen en over de grond zou rollen.