De fiets ligt in het gras, ik zit op de bank en kijk uit over de rivier. In de verte nadert een boot.
Een boot of een schip, denk ik, wat is het verschil eigenlijk?
Mijn vader zou het weten. Hij is een man die van alles een beetje weet en vaak iets meer dan een beetje. Zijn kransslagaders zijn omgelegd. Vier bypasses.
Als de boot of het schip nu dwars op de stroom komt te liggen, hoe lang zou het dan duren om vier bypasses te graven?
Er is ruimte genoeg. De dijkhuisjes achter me zouden onder water komen te staan. Of misschien zouden er een soort riviereilandjes gecreëerd kunnen worden, dan kunnen de huisjes blijven staan. Met een beetje slim ondernemen zouden ze tot hotelkamers omgebouwd kunnen worden. Vier volwaardige kamers per huisje en één huisje als eetkamer. Geen restaurant. Groot denken in het kleine. Landerigheid in het actieve. Met roeibootjes zouden de toeristen overgevaren kunnen worden. Of misschien met sloepen. In de winter, bij strenge vorst, zou de stroom uit de bypass gehaald kunnen worden, zodat het water in ijs kan veranderen. Dan kan een arrenslee de oversteek verzorgen. Paarden met spijkers in hun hoefijzers en belletjes aan hun halsters. De hoofdstroom moet dan ijsvrij blijven, als die dat nog aankan.
Hoe haal je de stroom uit een kunstmatige zijtak van een rivier?
De zon schijnt fel. Ik ben mijn zonnebrand vergeten. Vanavond onder de douche zal ik dat merken. Ik voel het niet als ik verbrand. Eerst zal ik de douche op iets onder de achtendertig graden zetten, daarna zal ik hem langzaam opdraaien. Ik zal het knopje indrukken dat de beveiliging ontgrendelt, waardoor ik de thermostaatkraan richting vijftig graden kan draaien. Zover laat ik het niet komen. De hitte brandt de pijn uit mijn huid. Een paar dagen later zal ik gaan vervellen. Mijn armen kan ik bedekken, maar mijn gezicht niet. De vellen zullen aan de linkerkant loslaten. Voorzichtig zal ik ze op het toilet proberen los te pulken, zodat niemand het ziet. Onbegonnen werk. Mijn schouder zal vol schilfers komen te zitten, omdat ik constant met mijn vingers langs de verbrande plekken zal schrapen. Het verval sluipt, het roeptoetert nooit.
Het is een schip. Beroepsvaart schippert. Als het mooi klinkt, is het vaak waar. Ik kan mijn vader bellen. Hij is zeker thuis. Een helende wond dwars over zijn borstbeen, vastgehouden met een soort ijzerdraad. Het hijgen terwijl hij spreekt is voorbij. Hij zal slapen. Een middagdutje.
Het schip heeft een hogere snelheid dan ik had verwacht. Zijn vracht bestaat uit stenen. Hoge bergen grind. Het water slaat over het dek. De man die langs de rand loopt, stapt met laarzen aan door het water. Zijn bewegingen stralen rust uit.
Zou een schip Cruise Control hebben?
Is dit de schipper die zijn lading inspecteert?
Roodkapje en de wolf. Stenen in de buik van de wolf en de jager die het weer dichtgenaaid heeft. Niet over het borstbeen.
Hoewel, waar zit je maag? Mijn vader. Nee, ik bel hem niet.
De wolf strompelt langs mijn bankje richting het water. Hij zal proberen te drinken en voorover tuimelen. Verdrinken.
‘Wodan, hierrr.’
Geen wolf natuurlijk.
‘Goedemiddag,’ groet zijn baas.
‘Goedemiddag.’
Als ieder schip dat hier dagelijks met grind voorbijvaart, precies op deze plek zo’n twee emmers van zijn lading verliest, hoe lang zal het dan duren voor de rivier verstopt raakt? Vierenzeventig jaar? Sluipend dichtslibben. Elke dag een beetje. Rivierverkalking. Vader op zoon. Als onwelkome erfenis.
Vanaf de schroef van het schip kolken de golven in een V-vorm naar de kanten. Als ik naar rechts kijk, zie ik hoe strak zijn koers is. De twee keer dat ik een zeilboot mocht besturen, werd ik geroemd om mijn whisky-koers.
Als jongen mocht ik lege flessen wegbrengen naar de gemeentewerf. Een grote betonnen bak was de inzamelplek voor oud glas. Een hoge achterwand. Hoog genoeg om er het oud glas tegenaan tot stukken te gooien. Zeker tien lege flessen sherry in vijf dagen en nog wat groentepotten. Ik kreeg er vijftig centen voor, maar ik deed het voor het gooien. Mijn vader kookte als een vrouw. Een glaasje sherry bij de hand. De fles daarnaast. Behalve als we bezoek kregen, dan kookte mijn moeder. Wat de smaak van eten betreft, hoopte ik nooit op bezoek.
Mijn moeder doet nu weer de boodschappen. Dat valt haar tegen. Sinds vierendertig jaar doet zij weer boodschappen en de winkels zijn veranderd. Pasjes en pincodes, bonusaanbiedingen en nieuwe merken.
Geen sigaretten meer. Hij is gestopt. De dokter was duidelijk. De boodschap was duidelijk. Als mijn vader gemotiveerd wordt, kan hij besluiten nemen.
Het schip is alweer een stip aan de horizon. Het klotsen van het water dat tegen de wal aansloeg is gestopt. Het is niet stil, maar het ruist aangenaam.
Morgen maar eens de huisarts bellen. Bloeddruk op laten nemen en naar mijn hartruis laten luisteren. Het zal wel meevallen. En toch.
Ik sta op en pak mijn fiets.
Zou ik het schip in kunnen halen? Wat is zijn snelheid in kilometers per uur? Hoe reken je knopen om in kilometers per uur?
Ik zal mijn vader bellen. Als ik thuis ben. Na zijn middagdutje. Ik schop wat stenen richting het water. Een paar plonsen naar beneden, het water in. De rivier lijkt er niet minder hard door te stromen.
Knopen tellen
Tags:
Geef een reactie