Uitgeverij Letterrijn schreef de verhalenwedstrijd ‘Insomnia’ uit. ‘Schrijf een verhaal in de traditie van Edgar Allen Poe.’ Een moeilijk thema. Onderstaand verhaal haalde de bundel niet
Knagend geweten.
‘Cuando el amor no es locura, no es amor.’
Pedro Calderón de la Barca.
Na drie dagen vrijwel onafgebroken lopen heeft William Lasalle eindelijk een plek gevonden waar hij tot rust kan komen. Buiten raast de storm. De regen slaat onder de dakpannen door en druppelt op de aarden vloer, waar zich kleine plasjes water vormen. Achterin de schuur bevindt zich een verhoging. Daar weet hij zich gewikkeld in een verweerd stuk zeildoek te beschermen tegen de kou, het vocht en de flarden wind. Op zijn wangen, verscholen tussen de stoppels, zitten spetters bloed. Zijn kleren vertonen, wonderbaarlijk genoeg, geen sporen van de slachtpartij.
De vermoeidheid verspreidt zich door zijn lijf. Meer dan een week zonder een moment van nachtrust heeft zijn tol geëist, de slaap komt daardoor snel. De aanwezigheid van de ratten zal hij pas bij zijn ontwaken bemerken.
De vader van William was bij leven een hoge militair, die makkelijk naar de fles greep. In één van zijn dronken buien brak hij voorover vallend zijn nek op de rand van een tafel. De moeder van William had daarna meerdere relaties, maar durfde niet te hertrouwen, omdat ze bang was dat de toelage van het leger dan zou stoppen.
De herinneringen aan zijn vader en de vrienden van zijn moeder staan gegrift in Williams gezicht en in zijn rug. Die hebben hem sterker gemaakt. Met hem valt niet te spotten en hij weet zichzelf te beschermen op een manier die de wet niet altijd toestaat. Dat was de reden om uit te wijken naar de stad, waar hij nu uit weggevlucht is.
Bij het aanbreken van de ochtend is de storm gaan liggen. Het geritsel onder de verhoging heeft hem gewekt. Zijn maag knort. Onderweg heeft hij voldoende gedronken, maar de voedselvoorraad was te beperkt. De dwaaltochten van lang geleden door de bossen en langs de rivier, samen met de vrienden die hij toen nog had, hebben hem geleerd wat eetbaar is. Van deze kennis heeft hij de afgelopen dagen te weinig gebruik gemaakt, nu zal hij er zijn voordeel mee doen.
Voorzichtig rollend uit het zeil, valt zijn oog op de spade die achter hem tegen de wand staat. Het lukt hem niet om bij het stuk gereedschap te komen, zonder dat de planken onder zijn voeten kraken. Het geritsel verstomt. Nu is het wachten op het juiste moment. In de plunjezak hebben zich broodresten opgehoopt tussen de kreukels van de stugge stof. Hij schraapt ze los en verzamelt zo een kleine handvol kruimels. Met de spade in zijn ene hand en het kruim in de andere stapt hij behoedzaam naar de rand van de verhoging. Daar strooit hij het voedsel vanuit zijn hurken voor zich op de vloer uit en wacht op wat er zal komen. Na een kleine tien minuten klinkt het geritsel weer. Een rat scharrelt uit zijn schuilplaats. William moet zich beheersen om niet te snel naar voren te schieten.
Rattenkop, galmt het in gedachten door zijn hoofd. Een snelle uithaal. In een goed geplaatste en nauwkeurig uitgevoerde beweging wordt de nek van het beest doorkliefd. Even ziet hij in een flits het onthoofde lichaam van John Wilson voor zich.
De rat heeft geen kans gehad om nog een geluid uit te stoten. Bloed loopt over de grond. Nog een laatste stuiptrekking.
Rattenkop, denkt William nogmaals.
Weer ziet hij John Wilson voor zich, de man die hij heeft vermoord.
John was mager en klein van stuk, met een mond die opviel door de vooruitstekende tanden. Iedereen vond hem lelijk, maar ondanks zijn tekortkomingen wist hij makkelijk contact met anderen te leggen. Ze waren van dezelfde leeftijd. John had enkele goedlopende winkels opgezet. Het succes was vooral te danken aan zijn talent om nieuwe ontwikkelingen te ontdekken en aan zijn lef om deze te introduceren. Er zat geen spoor van kwaad in hem.
Net als iedere man wentelde ook John zich graag in de aandacht van de vrijgezelle dames. Dat kostte hem nog moeite, maar uiteindelijk wist hij iemand aan de haak te slaan. Helaas voor John zou hij met de jongedame trouwen waar William van hield. Dat wist de vrouw niet. Dat John het niet wist kostte hem het leven.
Sinds William de huwelijksaankondiging had gezien, kon hij niet meer slapen. Het vergif van de jaloezie sloop zijn lichaam binnen. De vrouw had diepblauwe ogen, lichtblond opgestoken haar, haar boezem stond door de nauwgesloten kleding ferm naar voren, haar lach was van ver te horen en vanaf de eerste blik die zij met de zijne kruiste, voelde hij zich als betoverd. Soms durfde hij haar aan te spreken, dan bleef ze staan, keek naar hem en lachte om zijn stuntelige pogingen om indruk te maken.
‘Ik mag je wel, kerel,’ zei ze en liep hardop lachend verder, waarbij ze hem met een in al zijn poriën tintelend lichaam achterliet.
Voor haar zou hij alles willen doen.
Ze was in verhouding oud voor een huwelijkskandidaat. William kon niet begrijpen dat zij voor John koos. Pas na het lezen van het voornemen om in de echt te treden, zag hij dat ze weduwe was. Bij het mededelingenbord voor het gemeenschapshuis, verspreidden de geruchten zich dat het geld van haar erfenis er inmiddels doorheen gejaagd was. Volgens de algemene mening was dat de reden waarom ze zou trouwen met de lelijke John Wilson.
Tijdens de slapeloze uren zag hij hen voor zich. Hoe zij elkaar aanraakten, kusten en uiteindelijk behaagden. Het maakte hem misselijk.
Ieder beeld dat hij zich vormde, wakkerde zijn woede aan. Het gezicht van John, met zijn opvallende voortanden, vervormde zich in zijn haatfantasieën tot een echte rattenkop.
Rattenkop, dacht William toen voor het eerst, starend naar het houten plafond. De blik van de vrouw waar hij van hield kwam hem voor ogen en zijn hele lijf raakte ingesteld op wraak.
‘Hee, rattenkop!’ had William dan ook geroepen toen John de drankgelegenheid had verlaten en de steeg naar zijn huis inliep. Het was drie dagen na de bruiloft.
John keek met troebele ogen naar William. Sinds zijn jeugd had niemand hem meer zo genoemd.
‘Wat wil je van me?’ antwoordde John.
Het waren zijn laatste woorden.
‘Gefeliciteerd met je huwelijk!’ siste William.
Met de officierssabel van zijn vader sloeg hij in één houw het hoofd van Johns romp. Op het moment dat hij naar de liggende stukken lijf keek, begreep William dat niet John, maar zij gedood had moeten worden. Zij zou opnieuw een ander vinden, maar nooit hem.
‘Vervloek haar en jou erbij, John Wilson.’
Een koude zucht wind trok langs hem heen en heel even dacht hij aan het eind van de steeg een glimp van de inmiddels dubbele weduwe te zien. Het leek of hij haar lach hoorde.
Een rat likte aan het langzaam leeglopende hoofd, dat nauwelijks twee meter van William verwijderd lag. Het beest was uit het niets verschenen en stak zijn kop via de luchtpijp dieper naar binnen.
De ogen van John waren opengesperd, het oogwit kleurde rood om de bruine irissen. Plotseling draaiden ze enigszins schokkerig in de richting van William. De blik bleef op hem hangen. William staarde als aan de grond genageld terug. Het ooglid van het rechteroog sloot zich rustig tot een knipoog, bleef een korte tijd gesloten en opende in een snelle beweging. Het bruin was naar diepblauw verkleurd. William deinsde achteruit, liet het wapen uit zijn hand glijden, rende naar huis, greep zijn plunjezak, stopte deze vol met eerste benodigdheden en vluchtte de stad uit.
Vervloekte rattenkop.
Buiten steekt de wind weer op. William loopt naar de deur van de schuur, schuift hem open en werpt een blik op het naastgelegen landhuis. Het ziet er verlaten uit. Dat is schijn, er is een man aanwezig. Dat had hij al gezien toen hij zijn schuilplaats observeerde, maar hij vermoedt dat het slechte weer de bewoner weg zal houden van de schuur. Hij sluit de deur en loopt terug naar zijn komende maaltijd, terwijl zijn ogen speuren naar materialen om een vuurplaats mee op te bouwen. Stenen en hout zijn al snel gevonden en daarnaast ook een kleine, nog goed gevulde, olielamp.
Waar is de rat? Waar is zijn lijf?
William kijkt naar de plas bloed en de kop die de bron van de donkere plek markeert. Het onderlijf ontbreekt.
Verdomde beesten!
Met een trap schiet hij de kop van het beest verder de schuur in. Inmiddels roffelt de regen weer op het pannendak en dringt de kilte van de tocht door tot in zijn botten. Hij grijpt naar de plunjezak op zoek naar een restje voedsel. Door een gat vallen de laatste kruimels naar beneden. De snelheid en het lef waarmee de ratten zijn plunjezak open hebben gevreten, verrast hem. Het boekje lucifers is droog gebleven, hij pakt het uit de zak en legt dat naast de lamp, daarna slaat hij het zeildoek om zich heen in de hoop al slapend de dag door te komen.
Bij het ontwaken is het donker. De storm beukt nog steeds op de schuur en de bomen daaromheen. William ontsteekt de olielamp. Het lijkt of er iemand voor de ingang zachtjes staat te lachen. Voorzichtig loopt hij half op de tast naar de uitgang van de schuur. Met enige kracht krijgt hij de deur open, de wind slaat hem bijna naar binnen. Buiten is er geen levend wezen te bekennen. Hij is moe en twijfelt aan zijn waarnemingen. Het landhuis trekt zijn aandacht. De lichten zijn gedoofd op één kamer na. Door het venster is een flakkerend licht te zien. De dood en het huis zijn voor zijn gevoel met elkaar verbonden. Vlak daarna ziet hij de voordeur opengaan. De contouren van een man verschijnen in de opening. Even denkt William dat de bewoner hem ziet, maar als de man de deur sluit voelt hij zich opgelucht. Het besef van tijd is hij kwijt. Hij besluit verder te slapen. Op de weg terug stoot zijn voet tegen iets zachts. Hij loopt door. De slaapplaats is nog warm van zijn lichaam en het lukt hem om snel in slaap te vallen.
Bij zonsopgang wekt het geritsel hem opnieuw. Dit keer schrikt hij ervan. William schiet overeind. Ondanks de kou is hij klam van het zweet. De vermoeidheid heeft hem nog lang niet verlaten. William voelt zich koortsig. Naast hem ligt de kop van de rat, die hij gisteren nog de schuur heeft ingetrapt.
Rattenkop, denkt hij opnieuw.
‘Rattenkop!’ schreeuwt hij het uit.
‘RATTENKOP!’
Met een onbehaaglijk gevoel staart hij naar het levenloze stuk dier.
De zwarte kralenoogjes draaien plotseling naar hem toe. Williams lijf gehoorzaamt niet meer aan zijn hoofd. Hij wil naar de spade grijpen, maar zijn armen weigeren dienst.
Wat wil hij van mij?
‘Wat wil je van mij?’ herhaalt hij hardop.
Bij zijn voeten kriebelt het.
Rattenkop.
De ogen staren hem nog steeds aan.
Een knipoog. Een diepblauw gekleurd oog.
Meteen daarna een stekende pijn in zijn tenen. Vanuit alle hoeken en gaten springen de ratten naar voren. Eerst knagen ze aan de makkelijk te grijpen delen; de vingers, de tenen, de oren, de neus en daarna storten zij zich op de wekere delen, zoals zijn slapen, lippen, wangen, ogen en buik. Dwars door zijn kleding banen de scherpe tanden zich een weg naar zijn geslachtsdelen. William voelt hoe ze naar binnen dringen. De pijn is ondraaglijk. Op de achtergrond hoort hij de vrouw lachen.
Zijn gedachten lijken te vertragen, tot ze bijna stoppen.
William is blij als het leven tenslotte uit zijn lichaam wegvloeit. Het duurt nog weken voor zijn resten gevonden worden. Het skelet is kaal gevreten. Er is geen restje vlees over, dat door rotting in stank omgezet kan worden. De arts die erbij gehaald is, spreekt het vermoeden uit dat deze landloper door uitputting om het leven is gekomen.
In de stad wordt de zoektocht naar de moordenaar gestaakt, verder zal niemand hem missen. De weduwe knabbelt glimlachend aan een broodje in haar nieuwe woning.
Geef een reactie