Verhaal


  • Te recuerdo Amanda

    Midden in de nacht komt het gehuil van de baby nog harder over. Niemand van de buren heeft gelukkig nog geklaagd, maar het is bijna niet voor te stellen dat ze niets horen. Een flat kent vele buren.
    We hadden er naar uitgekeken, eindelijk een gezin. Niet hij en ik, maar wij samen. De baby zou ons nog dichter bij elkaar brengen. De geboorte was een feest. Victor kwam sneller dan we op basis van de boekjes hadden verwacht. De pijn -die ondraagelijk leek- was ik al snel weer vergeten. De eerste weken brachten we in een redelijke rust door. Manuel kon een paar dagen vrij nemen en mijn beste vriendinnen helpen me waar ze kunnen.
    Maar op het gehuil was ik niet voorbereid. Zolang ik met hem blijf lopen is er niets aan de hand. Als ik ga zitten of als ik hem wegleg begint hij direct met een zacht gemopper dat al snel overgaat in gekrijs. Het kan geen honger zijn en de dokter heeft me verzekerd dat Victor kerngezond is.
    ‘Soms kan het gebeuren mevrouw. Zorg er voor dat u en uw man ’s nachts goed afwisselen.’
    Doktoren en verpleekundigen hebben makkelijk praten. Net als alle anderen, die je bestoken met goedbedoelde maar vaak tegenstrijdige adviezen.
    ‘Gewoon laten huilen tot hij stopt. Je verwent hem teveel.’
    ‘Een baby kan je het eerste half jaar niet verwennen. Gewoon oppakken en troosten hoor.’
    ‘Jij bent zijn moeder, je voelt zelf wel aan wat het beste is.’
    Vooral aan dat laatste twijfel ik. Ik mis mijn eigen moeder, die mooie verhalen over haar jeugd kon vertellen. Een jeugd die ik ook kende voordat ik hierheen kwam. Van familie die te pas en te onpas het huis binnen kwam lopen en meezorgde en mee-at. En van familie die achteraf helemaal geen familie bleek te zijn, maar wel zo aanvoelde.
    ‘Duerme, duerme negrito’, zing ik zachtjes.
    Niet zozeer om Victor in slaap te zingen. Ik wil de stilte wegzingen zonder de baby te wekken.
    Meer dan de helft van mijn leven woon ik in dit land. Ik spreek de taal vloeiend, heb de nationaliteit aangenomen en betrap me erop dat ik ook veel gewoontes heb overgenomen. Ik mopper in stilte op een buschauffeur die twee minuten te laat is. Vroeger kwam de bus bij ons huis rond een bepaald tijdstip, daar kon makkelijk een kwartier verschil bij ontstaan. Als de bus al reed, want in het regenseizoen konden er grote gaten in het wegdek geslagen worden waar geen bus doorheen kwam.
    Manuel is weg. Hij belt me elke dag.
    ‘Amanda lief, hoe is het?’
    ‘Goed Manuel. Ik mis je. Victor mist je vast ook. Hoor maar hoe hij huilt. Hij huilt altijd als jij belt.’
    ‘O Amanda, ik kom zo snel mogelijk en dan neem ik de zon van ons geboorteland mee naar huis.’
    Ik vertel hem niet dat Victor inmiddels altijd huilt en niet alleen als hij belt. Hij gebruikt steeds vaker Spaanse woorden in zijn zinnen. Dat is niet vreemd, hij is terug. We hebben afgesproken dat Victor tweetalig wordt opgevoed. Ik spreek altijd Nederlands met hem, Manuel zal overwegend Spaans met hem spreken. Liedjes tellen gelukkig niet mee. Ik ken tientallen liedjes die ik voor mijn zoon zal zingen.

    Manuel moest lang wachten op een visum, zijn verleden maakte een terugreis bijna onmogelijk. Toen hij eindelijk een visum had, was Victor er ook. Het verscheurde hem. Ik heb hem zelf aangemoedigd te gaan.
    ‘Drie maanden overleven we wel.’
    ‘Zeker weten mijn lief?’
    ‘Zeker weten!’
    De reis is onderdeel van het herstellen van een geschiedenis. Ik besef me dat heel goed. Zonder je geschiedenis goed te kennen zal je je toekomst moeilijker vorm kunnen geven. Ik heb zijn geschiedenis aangehoord en hij de mijne. Maar werkelijk kennen doen we elkaars verleden niet. Dat maakt het vreemd. Terechtgekomen in dezelfde plaats, bijna dezelfde leeftijd en allebei uit families op de vlucht, geankerd in dit kleine, drukbevolkte land. En toch een heel verschillend verleden. Natuurlijk zijn er overeenkomsten, maar die maken de verschillen soms nog groter. De buitenwereld ziet ons als mensen met eenzelfde achtergrond, ze moesten eens weten. Maar uitleggen kan ik ze het niet goed. Misschien wil ik het niet eens.
    Manuel heeft een paar ooms en tantes ontmoet, die hij vaag van foto’s kende. Ze hebben hem veel over zijn vader verteld.
    ‘Niet alleen maar mooie dingen’, stelde hij tevreden vast.
    ‘Mijn vader begint van zijn voetstuk te vallen en hij wordt op een nieuwe sokkel geplaatst. Eentje die stukken beter bij hem past’, vertelde hij mij over de telefoon.

    Ik kijk uit het raam over de stad, waar ik in de verte de verlichte kerktoren zie. Zachtjes wieg ik heen en weer. Toen we hier kwamen wonen wist ik het meteen, dit is mijn stad. Hier blijf ik voor lange tijd. Manuel is daar minder uitgesproken over, maar hij zegt dat hij woont waar zijn liefde woont. Hij zal hier wel blijven.
    Straks moet Victor aan de fles. De borstvoeding zette niet door. De voeding klaarmaken is een spannend moment, want de kans dat hij wakker wordt is groot. Ik hoop dat hij na het eten een poosje door kan slapen. Drie uurtje slapen is de laatste tijd zeer gebruikelijk. Gelukkig kan ik dankzij mijn vriendinnen overdag wat bijtanken.
    Ik verschik Victor in zijn draagzak, zodat ik mijn handen vrij heb om de fles te maken. Als ik bezig ben gaat de telefoon. Ik schrik en ik weet meteen dat het Manuel moet zijn. De angst vliegt me om mijn hart.
    ‘Hallo met Amanda.’
    ‘Amanda, met Manuel. Ik mis je. Ik houd van je. Ik mis Victor. Ik kom terug.’
    ‘Manuel wat zeg je allemaal? Je bent nog geen twee maanden weg. Wat wil je dan?’
    ‘Ik wil naar jullie Amanda.’
    We spreken elkaar nog geen vijf minuten, maar mijn glimlach kan niet breder zijn. Buiten zijn de straten nat van de regen. Het deert mij niets. Er zijn mannen zoals Manuel nooit teruggekeerd, maar hij wel.

    Dit verhaal werd naar aanleiding van een foto geschreven in het kader van een schrijfwedstrijd. Het is ontstaan naar aanleiding van de foto van Jan Kees Helms.
    De titel verwijst naar een lied van Victor Jara dat ook op YouTube te vinden is: klik hier

    Foto van Jan Kees Helms
    Foto waarop dit verhaal geïnspireerd is.

  • Meesterproef

    ‘Januari 31 dagen. Februari 28 of 29 dagen. Maart 31 dagen.’
    ‘Heeft,’ bijt ik hem toe. ‘Januari hééft 31 dagen! Begin maar opnieuw!’
    Zonder zijn blik van mij af te wenden begint hij opnieuw aan de opsomming.

    Terug in de klas, ik ben negen jaar. Ik kijk over de bankjes waar -op een enkeling na- iedereen voorovergebogen op zijn armen ligt. Mijn buurjongen is aan het woord.
    ‘Maart heeft 30 dagen.’
    ‘Fout!’ onderbreekt de meester hem op barse toon en geeft de beurt door.
    De meeste klasgenoten zeggen hun rijtje in één keer goed. Dan mogen ze recht gaan zitten. Ik zat het eerst overeind.
    Als we jarig zijn trakteren we de meester op Caballero sigaretten, die hij voor in de klas oprookt. Hij kan schitterende verhalen vertellen en prachtig tekenen. Hij mag mij en ik mag hem. Ik hoef in ieder geval niet bang voor hem te zijn. Als hij boos is kan hij je neus raken met de bordenwisser. Als je geluk hebt gooit hij met de wisser die geen houten achterkant heeft. Hij wordt zelden boos, want hij heeft de wind er goed onder.
    Mijn buurjongen zit nog steeds voorovergebogen en krijgt nogmaals de beurt. Het lijkt goed te gaan.
    ‘November 31 dagen.’
    ‘Blijf jij maar tot de pauze nadenken! Het is fout en je vergeet een hele zin te maken. Met jou wordt het nooit wat!’ briest hij vanachter zijn bureau.
    De pauze is over een half uur. Ik kan me moeilijk concentreren met het zachte gesnik naast me, maar ik durf ook geen aandacht aan hem te besteden. De meester heeft een keer een aanwijsstok op een bankje kapotgeslagen toen iemand onder een stil moment aan het fluisteren was.
    Er komen leerlingen het lokaal binnen die de klassen rondgaan. Eén van hen is jarig. Hij geeft de meester de geijkte Caballeros en een vrolijk versierd pakje rozijnen. Er zijn weinig dingen die ik niet lust, maar rozijnen is daar één van.
    ‘Kom eens,’ wenk hij naar me.
    ‘Hier eet jij deze maar op.’
    ‘Dank u wel meester,’ zeg ik. Ik eet de rozijnen meteen op door ze in hun geheel door te slikken. Ik probeer mijn afkeer voor deze smaak met alle mogelijke moeite te bedwingen.
    Zo verlopen mijn dagen op school.
    ‘Was het leuk op school?’ vraagt mijn moeder regelmatig.
    ‘Ja,’ antwoord ik elke keer.
    ‘Wat heb je gedaan?’
    ‘Nou gewoon, van alles.’
    Ik verschil daarin niet van andere negenjarigen.

    Tegen de zomervakantie vertelt de meester weer één van zijn schitterende verhalen.
    ‘Jullie moeten weten dat ik een prins was, voordat ik bij jullie op school kwam. Ik leefde in een dorp in de rimboe en had nog nooit sneeuw gezien.’
    Ik hang aan zijn lippen.
    ‘Wat denk je, verzin ik dit allemaal?’ vraagt hij plotseling aan mij.
    Ik raak in de war van deze vraag. Als ik geen goed antwoord geef zal hij misschien boos worden. Hij kijkt me strak aan en wacht ongeduldig op een antwoord. Ik weet zelf niet goed waarom, maar voel de tranen in mijn ogen branden.
    ‘Ik denk dat u deze prachtige verhalen helemaal zelf bedacht heeft,’ antwoord ik met een onvaste stem.
    ‘Je denkt dus dat ik een leugenaar ben?’
    Ik voel dat het fout gaat.
    ‘Nee meester. U bent een goede verhalenverteller.’
    De meester luistert al niet meer.
    ‘Dat is dus jouw dank voor mij. Mij uitmaken voor leugenaar!’
    Zijn gezicht kleurt rood van woede en ik kan mijn tranen niet meer bedwingen.
    ‘Kom jij maar naar voren,’ zegt hij op een verontrustend rustige toon.
    Langzaam loop ik naar zijn bureau. Hij geeft me het schoteltje dat hij normaal als asbak gebruikt.
    ‘Hou dit maar onder je kin om je tranen op te vangen.’
    De schotel stinkt naar vele jaren van Caballero as. Schokschouderend hou ik de schotel onder mijn kin, terwijl de tranen over mijn wangen rollen.
    ‘Kijk eens jongens, is dat geen grappig gezicht. Lach er maar eens goed om,’ zegt hij tegen de klas.
    Een ongemakkelijk, maar luid gelach schalt door de klas. Daarna mag ik gaan zitten.
    ‘En hou de rest van de dag alsjeblieft je mond,’ bijt hij me nog toe.
    Thuis blijf ik volhouden dat het weer een prima dag is geweest. Ik besef heel goed dat ik het zelf was die de meester boos heeft gemaakt.
    In de weken tot de zomervakantie ben ik wat vaker ziek dan normaal.

    Nu sta ik hier met een mes en hem zittend tegenover me.
    ‘December hééft 31 dagen.’
    Zijn blik priemt in mijn ogen, de minachting straalt mij tegemoet.
    Eigenlijk was het toeval. Ik liep hem tegen het lijf in de winkelstraat. Hij herkende mij niet, dat was duidelijk. Een andere plaats en heel wat jaren later. Mijn hele lijf herkende hém wel, de walging stroomde er doorheen. In een opwelling volgde ik hem en achterhaalde zijn woning. Een bejaardenwoning voor een man alleen.
    Mijn vervolgplan was snel gemaakt, hij zou gaan boeten.
    Mijn blik dwaalt rond door zijn kamer. Foto’s van mensen in een soort van jurken voor eenvoudige houten woningen. Beelden uit een andere cultuur. Een bundel speren in een hoek.
    En natuurlijk de geur van sigaretten.
    ‘En wat wil je nu van me? De hoofdsteden van Europa?’
    Het lijkt of zijn ogen niet eens knipperen. De twijfel slaat toe. Wat heeft me hiertoe gebracht. Van nature ben ik helemaal geen op wraak beluste man.
    Langzaam laat ik het mes zakken en ook nu voel ik de tranen weer komen.
    ‘Ach jongen, zal ik een schoteltje pakken voor het opvangen van je tranen?’
    Dat zetje had ik nodig.


  • Aankaarten.

    “Dit kan niet waar zijn!”, denk ik terwijl de rouwadvertentie op mijn beeldscherm verschijnt.
    Dood. Al drie jaar. Ik wist van niets. Wat mij betreft was hij nog volop in leven.

    “Alle meisjes zijn saucijsjes!”, schreeuw ik.
    “… en smeren hun haren in met ijsjes!”, roept hij er achter aan.
    Hier start onze vriendschap. Het schoolplein van de lagere school is vanaf die dag ons domein.
    Karl komt uit de grote stad en woont sinds kort met zijn vader in het dorp. Nog één jaar en dan gaan we al naar de middelbare school. Op de fiets een half uur flink doortrappen.
    Karl is bijzonder. Bij ons heet iedereen Henk, Kees, Gerben of Gerrit-Jan, maar een Karl hebben we nog niet meegemaakt. Hij is een kop groter dan wij zijn, maar past in de breedte tweemaal in mijn postuur.
    “In de stad heb je vrouwen die achter ramen staan en daar kan je seks mee hebben. Als je maar betaalt.”
    We geloven onze oren niet. Karl moet naar de hoofdmeester, omdat iemand het verhaal heeft doorverteld. Zijn vader moet zich ook op school melden.
    “Wat kon die oude stijve hark mij nou doen.”, zegt hij smalend tegen mij.
    “Mijn vader heeft hem gewoon uitgelegd dat ik helemaal gelijk had. Als je het mij vraagt weet de hoofdmeester precies hoe dat werkt met die vrouwen.”
    Hij knipoogt erbij.
    Een jongen die alleen met zijn vader woont is bij ons nieuw. Er gaan geruchten dat zijn moeder vermoord is of dat ze er vandoor is gegaan met een rijke zakenman. Ik weet dat het anders is.
    “Hier is mijn moeder nog gezond. Zie je hoe ze daar staat te lachen?”
    Op de foto staat een mooie jonge vrouw met een man naast haar. De man heeft een volle bos donkergekleurd haar.
    “Is dat je pa?”, vraag ik. Ik weet het antwoord al en Karl lijkt dat aan te voelen. Hij zegt niets en staart naar de foto. Zijn vader is nu grijs.
    “Weet je Gerben, je lijkt op mijn moeder. Je hebt lef en de gave om de juiste keuzes te maken. We zullen elkaar uit het oog verliezen later, maar ik zal je nooit vergeten. Niemand mag jou kwaad doen!”
    Het zijn woorden die uit het niets komen. Ik weet niet hoe ik moet reageren, dus dat doe ik ook maar niet. Karl en ik zijn meesters in het wegpraten van onze gevoelens.

    Op de middelbare school blijven we onafscheidelijk. Terwijl de halve klas gezamenlijk fietst, kiezen wij ervoor om met zijn tweeën de weg af te leggen. Wij trappen niet door en vertrekken te laat. Onze verzameling te laat meld briefjes is imposant, daardoor kent de concierge ons goed. Karl heeft wat geregeld met hem, maar ik weet niet precies wat. Hij kent hem nog uit de stad en het zou me niet verbazen als het met die vrouwen achter de ramen te maken heeft. Wat ik wel weet is dat de registratielijsten aantonen dat we ons altijd netjes voor onze strafcorveeën melden. Die hoor je te doen na een aantal keer te laat komen.
    “Hier zijn we weer Herman.”, zeggen we tegen de concierge. Hij steekt zijn duim op en wij vertrekken weer. Dat is ons strafcorvee.
    Karl regelt meer. Hij heeft altijd geld bij zich en trakteert mij.
    “Biertje of een rokertje? Of weet je, gewoon allebei!”
    Tegensputteren helpt niet en wil ik eigenlijk ook niet. Hij neemt me op sleeptouw en ik vind dat totaal niet erg.

    “Elke maand een kaart van een vrouw met blote tieten.”, zegt hij.
    “Daar begin ik niet aan.”, werp ik tegen.
    “Oké, dan stuur jij een kaart met een non.”, antwoordt hij.
    Na de middelbare school gaan we elk een andere studie volgen in een verschillende stad. We zijn bijna acht jaar onafscheidelijk geweest. Karl heeft van alles bedacht om in contact te blijven met elkaar. Het worden dus ansichtkaarten. Iedere maand één. We vinden het beiden een goede grap.

    “Voor jou heb me ingehouden, maar anders had ik zijn kop van zijn romp gerukt!”
    Karl is woest en spreekt met ingehouden stem.
    “Ik kies mijn eigen werk en ik hoef me voor niemand te verdedigen. Hoor je me. Niemand!”
    Hij is gestopt met zijn studie om een handel met vrouwen achter de ramen te beginnen. Op een verjaardagsfeest van mij loopt een discussie met een bezoeker uit de hand. Inmiddels heb ik meer vriendschappen opgedaan, daardoor is hij de buitenstaander op het feest.
    Na deze aanvaring bezoekt hij mijn verjaardagen niet meer. Karl was al eerder gestopt met het vieren van zijn geboortedag. De jongen met wie hij ruzie had, spreek ik ook niet meer. We komen nooit meer op het voorval terug.

    Onze werelden groeien verder uit elkaar, zeker wanneer ik mijn vrouw leer kennen. Karl ontmoet haar een paar keer, maar ze gedogen elkaar omwille van mij. Het gaat hem voor de wind en dat zie je aan zijn kleren en zijn vrijgevigheid. Als ik trouw en er kinderen komen lijkt de tijd om sociale contacten bij te houden stil te staan. Er volgt een periode dat we elkaar nog een paar keer per jaar opzoeken, daarna wordt het een keer in de paar jaar en uiteindelijk wordt het vormgeven van mijn vriendschap met Karl een goed voornemen. Ik beschouw hem als mijn vriend en een aantal momenten per jaar besluit ik dat ik hem echt op ga zoeken. Evenveel momenten moet ik concluderen dat ik mijn voornemens niet waar maak.
    We houden ons aan het sturen van de kaarten. Elke maand stuur ik mijn non en ik ontvang zijn kaart met de ontblote borsten. Karl is ooit begonnen met het sturen van steeds dezelfde kaart. Karl is geniaal. Ik besluit hetzelfde te doen en koop een groot aantal dezelfde nonnenkaarten. Ook de tekst op de kaart wordt geuniformeerd.
    “Alles wel? Hier alles wel.”, is de tekst van hem.
    “Het weer zit mee, het zit weer mee.”, is mijn tekst.
    Ik ga er van uit dat Karl ook wel voornemens heeft om mij op te zoeken, maar dat het bij hem hetzelfde verloopt als bij mij. Hij heeft geen kinderen, maar ik vermoed dat hij behoorlijk druk met zijn werk is.

    “Hee, stiekeme hoerenloper!”, hoor ik achter me schreeuwen terwijl de claxon onophoudelijk toetert. Karl zwaait door het open raam. Stiekem was ik hier al bang voor, misschien keek ik er ook wel naar uit. Het bedrijf waar ik moest zijn heeft niets met prostitutie te maken, maar staat wel aan de rand van de rosse buurt.
    “Kom op stap bij ons in. Je kent Herman toch nog wel? Ik wed trouwens dat je toch met de trein bent.”, vervolgt hij schreeuwend.
    Herman herken ik meteen, ook al lijkt hij inmiddels een zestiger. Het klopt dat ik met de trein ben. Ik beschik niet over een auto en Karl heeft een meer dan luxe wagen.
    “De duurste uitvoering, dat begrijp je zeker wel. Bel je afspraken af, wij gaan plezier maken.”
    De enige die ik hoef te bellen is mijn vrouw. Zij reageert niet meteen enthousiast, maar vindt het niet erg dat ik een nachtje wegblijf. Ze weet hoeveel hij voor mij betekent. We zetten Herman af bij zijn huis en dan is het weekend aangebroken.
    “Eerst wat eten, ik trakteer.”, oppert Karl.
    Ik vind het prima. Het eten is heerlijk en de drank wordt onophoudelijk aangevuld. Daarna gaan we naar de kroeg.
    “Jij bent de enige die ik vertrouw Gerben. Het leven is keuzes maken. Ik heb financieel gezien een goede hand van kiezen, maar ik word er niet gelukkig van. Zeg eens eerlijk ben jij gelukkig?” Karl kijkt me recht in mijn ogen. Hij is duidelijk aangeschoten, maar ook bloedserieus.
    “Ja Karl. Ik ben gelukkig. Het kan altijd beter, maar ik ben tevreden met hoe het nu loopt.”
    Karl zwijgt en tuurt met vochtige ogen in het niets. Dan draait hij zijn hoofd weer naar mij.
    “En nu naar huis.”
    Het is me een raadsel hoe we in zijn auto thuis zijn gekomen. Ik heb er bewondering voor dat het hem sowieso lukt om met zijn dronken hoofd de weg terug te vinden.
    Zijn appartement is dat van een eeuwige vrijgezel met geld. En een schoonmaakster, want het is er keurig opgeruimd. Aan de muur hangen schilderijen en maar één foto. Een uitvergroting van de opname die hij me vroeger ook had laten zien. Zijn moeder kijkt ons samen met zijn vader lachend aan.
    “Ik ben nu officieel wees.”, zegt Karl met een soort triomfantelijk lachje.
    Dat zijn vader is overleden wist ik al, de begrafenis had in besloten kring plaatsgevonden. Zijn vader was voor mij de grote onbekende gebleven. Als ik bij Karl op bezoek kwam gingen we meteen naar zijn kamer of naar buiten. Het contact tussen de vader van Karl en mij bleef meestal beperkt tot een korte groet. Ik was daarom niet verbaasd dat ik geen uitnodiging voor de begrafenis had gehad. Het was de enige keer dat ik de tekst op mijn kaart had aangevuld met: “Gecondoleerd.” Daarnaast had ik hem een week daarop toch nog een brief gestuurd. Bellen was me niet gelukt en ik vond dat ene woord extra op de kaart toch wat vreemd over kunnen komen.
    Op de volgende kaart van hem stond: “Geeft niet, dank.” als extra woorden toegevoegd.
    Karl en ik staren zwijgend naar de foto.
    Ook dit keer lukt het ons om behoedzaam langs onze gevoelens heen te praten. De volgende ochtend vertrek ik vroeg.
    “Binnenkort ga ik verhuizen. Ik stuur je nog wel een adreswijziging.”, zegt hij bij het afscheid.
    “Is goed. Hou je taai.”, antwoord ik.
    In de hal zie ik een paar schoenen staan, die ik niet bij hem vind passen.
    Het is de laatste keer dat ik hem zie en spreek.

    De kaarten gaan nog steeds maandelijks over de post. Ik woon gelukkig getrouwd in mijn eigen dorp. Karl heeft geen banden meer met zijn oude woonplaats. Mijn kinderen gaan naar dezelfde lagere school als Karl en ik. Ik mis Karl niet, maar wel het verleden met hem. En nu is hij dood.
    Via de zoekmachine op internet ben ik op zijn naam gaan zoeken. Ik zoek vaker op namen, maar nooit op de naam van Karl. Dit is de eerste keer en zo stuit ik op de overlijdensadvertentie.
    “Ik had eerder naar hem moeten zoeken. En dan in het echt. Had ik mijn voornemens nu maar uitgevoerd.”, verwens ik mezelf.
    Het adres van Karl ken ik uit mijn hoofd. Al snel heb ik er een telefoonnummer bij gevonden.
    “Herman”, hoor ik aan de andere kant van de lijn.
    Even val ik stil, maar ik herpak me snel.
    “Hallo Herman, met Gerben Kaatsma.”
    Nu is het Herman die stil valt.
    “Wat wil je van me?”, vraagt hij met een toon die een duidelijke tegenzin in een gesprek verraadt.
    Ik bedenk me dat hij veel jonger moet zijn geweest dan ik me ooit heb gerealiseerd toen hij op onze middelbare school werkte. Waarom woont Herman in het huis van Karl?
    “Klopt het dat jij elke maand een kaart van mij ontvangt?”
    “Nee, Karl ontvangt een kaart van jou Gerben. Zo wilde hij dat. Misschien heb jij je het nooit beseft, maar jij was voor hem de belangrijkste persoon in zijn leven. Er was er maar één die hij vertrouwde en dat was jij. Ik heb je er om vervloekt.”, zijn stem trilt.
    “Herman, stuur jij de kaarten van hem naar mij?”
    “Verdomme Gerben, ik mis hem elke dag. Ik wilde samen leven met hem. Leven! Dat is er nooit van gekomen, maar ik ben mijn belofte aan hem nagekomen.”
    Herman barst in snikken uit en verbreekt de verbinding.
    “Karl durfde tot het laatst toe zijn eigen keuzes te maken, ook die voor de dood. Je wordt gemist, H.”, lees ik in de advertentie.
    Langzaam dringt het tot me door dat Karl voor mij langer in leven is gebleven dan voor de man die het meest van hem hield.


  • In de olie.

    “Hallo ma. Ik dacht ik bel even. Komt het uit?
    Wat zeg je? Nog niet aan het eten. O, gelukkig.
    Tegen wie ben je nu aan het praten? De buren?
    Aha staan ze buiten te zwaaien.
    Ja leuk, ma zo’n buurt.
    Maar ma, als ze staan te roepen moet je dan niet even naar ze toe?
    Nee, natuurlijk ben ik belangrijk, maar ik kan zo terugbellen. Bovendien is het best koud buiten. Vraag ze anders even binnen. Voor mij is het echt geen probleem om terug te bellen hoor.
    O nou ja, het is jouw keus. Wat ga je eten?
    Patat? Verse? En de frituur staat al op het fornuis?
    Hoor ik nu een sirene?
    Ma? Ma?”
    Tuut, tuut, tuut…


  • Overreden.

    “Het hek is te kort. We zullen nieuwe elementen moeten kopen.””Helaas Jansen, het zit er dit jaar niet in. Dan is het hek dit keer maar wat korter.””Ja maar chef, zo komen we toch niet aan onze doelstelling?””Als ik het geld had zou ik het meteen doen, maar we moeten bezuinigen. Milieu is helaas niet meer hot Jansen.””Dan is er zeker ook geen geld om nieuwe valemmers aan te schaffen?””Inderdaad Jansen. En nu het hek korter wordt, kunnen we het waarschijnlijk ook wel af met de huidige valemmers.”Ik loop door het park, langs de singel. Het is duidelijk dat Jansen zijn chef niet heeft kunnen overtuigen.Tientallen platgedrukte paddenlijfjes liggen verspreid op de weg.