“Dit kan niet waar zijn!”, denk ik terwijl de rouwadvertentie op mijn beeldscherm verschijnt.
Dood. Al drie jaar. Ik wist van niets. Wat mij betreft was hij nog volop in leven.
“Alle meisjes zijn saucijsjes!”, schreeuw ik.
“… en smeren hun haren in met ijsjes!”, roept hij er achter aan.
Hier start onze vriendschap. Het schoolplein van de lagere school is vanaf die dag ons domein.
Karl komt uit de grote stad en woont sinds kort met zijn vader in het dorp. Nog één jaar en dan gaan we al naar de middelbare school. Op de fiets een half uur flink doortrappen.
Karl is bijzonder. Bij ons heet iedereen Henk, Kees, Gerben of Gerrit-Jan, maar een Karl hebben we nog niet meegemaakt. Hij is een kop groter dan wij zijn, maar past in de breedte tweemaal in mijn postuur.
“In de stad heb je vrouwen die achter ramen staan en daar kan je seks mee hebben. Als je maar betaalt.”
We geloven onze oren niet. Karl moet naar de hoofdmeester, omdat iemand het verhaal heeft doorverteld. Zijn vader moet zich ook op school melden.
“Wat kon die oude stijve hark mij nou doen.”, zegt hij smalend tegen mij.
“Mijn vader heeft hem gewoon uitgelegd dat ik helemaal gelijk had. Als je het mij vraagt weet de hoofdmeester precies hoe dat werkt met die vrouwen.”
Hij knipoogt erbij.
Een jongen die alleen met zijn vader woont is bij ons nieuw. Er gaan geruchten dat zijn moeder vermoord is of dat ze er vandoor is gegaan met een rijke zakenman. Ik weet dat het anders is.
“Hier is mijn moeder nog gezond. Zie je hoe ze daar staat te lachen?”
Op de foto staat een mooie jonge vrouw met een man naast haar. De man heeft een volle bos donkergekleurd haar.
“Is dat je pa?”, vraag ik. Ik weet het antwoord al en Karl lijkt dat aan te voelen. Hij zegt niets en staart naar de foto. Zijn vader is nu grijs.
“Weet je Gerben, je lijkt op mijn moeder. Je hebt lef en de gave om de juiste keuzes te maken. We zullen elkaar uit het oog verliezen later, maar ik zal je nooit vergeten. Niemand mag jou kwaad doen!”
Het zijn woorden die uit het niets komen. Ik weet niet hoe ik moet reageren, dus dat doe ik ook maar niet. Karl en ik zijn meesters in het wegpraten van onze gevoelens.
Op de middelbare school blijven we onafscheidelijk. Terwijl de halve klas gezamenlijk fietst, kiezen wij ervoor om met zijn tweeën de weg af te leggen. Wij trappen niet door en vertrekken te laat. Onze verzameling te laat meld briefjes is imposant, daardoor kent de concierge ons goed. Karl heeft wat geregeld met hem, maar ik weet niet precies wat. Hij kent hem nog uit de stad en het zou me niet verbazen als het met die vrouwen achter de ramen te maken heeft. Wat ik wel weet is dat de registratielijsten aantonen dat we ons altijd netjes voor onze strafcorveeën melden. Die hoor je te doen na een aantal keer te laat komen.
“Hier zijn we weer Herman.”, zeggen we tegen de concierge. Hij steekt zijn duim op en wij vertrekken weer. Dat is ons strafcorvee.
Karl regelt meer. Hij heeft altijd geld bij zich en trakteert mij.
“Biertje of een rokertje? Of weet je, gewoon allebei!”
Tegensputteren helpt niet en wil ik eigenlijk ook niet. Hij neemt me op sleeptouw en ik vind dat totaal niet erg.
“Elke maand een kaart van een vrouw met blote tieten.”, zegt hij.
“Daar begin ik niet aan.”, werp ik tegen.
“Oké, dan stuur jij een kaart met een non.”, antwoordt hij.
Na de middelbare school gaan we elk een andere studie volgen in een verschillende stad. We zijn bijna acht jaar onafscheidelijk geweest. Karl heeft van alles bedacht om in contact te blijven met elkaar. Het worden dus ansichtkaarten. Iedere maand één. We vinden het beiden een goede grap.
“Voor jou heb me ingehouden, maar anders had ik zijn kop van zijn romp gerukt!”
Karl is woest en spreekt met ingehouden stem.
“Ik kies mijn eigen werk en ik hoef me voor niemand te verdedigen. Hoor je me. Niemand!”
Hij is gestopt met zijn studie om een handel met vrouwen achter de ramen te beginnen. Op een verjaardagsfeest van mij loopt een discussie met een bezoeker uit de hand. Inmiddels heb ik meer vriendschappen opgedaan, daardoor is hij de buitenstaander op het feest.
Na deze aanvaring bezoekt hij mijn verjaardagen niet meer. Karl was al eerder gestopt met het vieren van zijn geboortedag. De jongen met wie hij ruzie had, spreek ik ook niet meer. We komen nooit meer op het voorval terug.
Onze werelden groeien verder uit elkaar, zeker wanneer ik mijn vrouw leer kennen. Karl ontmoet haar een paar keer, maar ze gedogen elkaar omwille van mij. Het gaat hem voor de wind en dat zie je aan zijn kleren en zijn vrijgevigheid. Als ik trouw en er kinderen komen lijkt de tijd om sociale contacten bij te houden stil te staan. Er volgt een periode dat we elkaar nog een paar keer per jaar opzoeken, daarna wordt het een keer in de paar jaar en uiteindelijk wordt het vormgeven van mijn vriendschap met Karl een goed voornemen. Ik beschouw hem als mijn vriend en een aantal momenten per jaar besluit ik dat ik hem echt op ga zoeken. Evenveel momenten moet ik concluderen dat ik mijn voornemens niet waar maak.
We houden ons aan het sturen van de kaarten. Elke maand stuur ik mijn non en ik ontvang zijn kaart met de ontblote borsten. Karl is ooit begonnen met het sturen van steeds dezelfde kaart. Karl is geniaal. Ik besluit hetzelfde te doen en koop een groot aantal dezelfde nonnenkaarten. Ook de tekst op de kaart wordt geuniformeerd.
“Alles wel? Hier alles wel.”, is de tekst van hem.
“Het weer zit mee, het zit weer mee.”, is mijn tekst.
Ik ga er van uit dat Karl ook wel voornemens heeft om mij op te zoeken, maar dat het bij hem hetzelfde verloopt als bij mij. Hij heeft geen kinderen, maar ik vermoed dat hij behoorlijk druk met zijn werk is.
“Hee, stiekeme hoerenloper!”, hoor ik achter me schreeuwen terwijl de claxon onophoudelijk toetert. Karl zwaait door het open raam. Stiekem was ik hier al bang voor, misschien keek ik er ook wel naar uit. Het bedrijf waar ik moest zijn heeft niets met prostitutie te maken, maar staat wel aan de rand van de rosse buurt.
“Kom op stap bij ons in. Je kent Herman toch nog wel? Ik wed trouwens dat je toch met de trein bent.”, vervolgt hij schreeuwend.
Herman herken ik meteen, ook al lijkt hij inmiddels een zestiger. Het klopt dat ik met de trein ben. Ik beschik niet over een auto en Karl heeft een meer dan luxe wagen.
“De duurste uitvoering, dat begrijp je zeker wel. Bel je afspraken af, wij gaan plezier maken.”
De enige die ik hoef te bellen is mijn vrouw. Zij reageert niet meteen enthousiast, maar vindt het niet erg dat ik een nachtje wegblijf. Ze weet hoeveel hij voor mij betekent. We zetten Herman af bij zijn huis en dan is het weekend aangebroken.
“Eerst wat eten, ik trakteer.”, oppert Karl.
Ik vind het prima. Het eten is heerlijk en de drank wordt onophoudelijk aangevuld. Daarna gaan we naar de kroeg.
“Jij bent de enige die ik vertrouw Gerben. Het leven is keuzes maken. Ik heb financieel gezien een goede hand van kiezen, maar ik word er niet gelukkig van. Zeg eens eerlijk ben jij gelukkig?” Karl kijkt me recht in mijn ogen. Hij is duidelijk aangeschoten, maar ook bloedserieus.
“Ja Karl. Ik ben gelukkig. Het kan altijd beter, maar ik ben tevreden met hoe het nu loopt.”
Karl zwijgt en tuurt met vochtige ogen in het niets. Dan draait hij zijn hoofd weer naar mij.
“En nu naar huis.”
Het is me een raadsel hoe we in zijn auto thuis zijn gekomen. Ik heb er bewondering voor dat het hem sowieso lukt om met zijn dronken hoofd de weg terug te vinden.
Zijn appartement is dat van een eeuwige vrijgezel met geld. En een schoonmaakster, want het is er keurig opgeruimd. Aan de muur hangen schilderijen en maar één foto. Een uitvergroting van de opname die hij me vroeger ook had laten zien. Zijn moeder kijkt ons samen met zijn vader lachend aan.
“Ik ben nu officieel wees.”, zegt Karl met een soort triomfantelijk lachje.
Dat zijn vader is overleden wist ik al, de begrafenis had in besloten kring plaatsgevonden. Zijn vader was voor mij de grote onbekende gebleven. Als ik bij Karl op bezoek kwam gingen we meteen naar zijn kamer of naar buiten. Het contact tussen de vader van Karl en mij bleef meestal beperkt tot een korte groet. Ik was daarom niet verbaasd dat ik geen uitnodiging voor de begrafenis had gehad. Het was de enige keer dat ik de tekst op mijn kaart had aangevuld met: “Gecondoleerd.” Daarnaast had ik hem een week daarop toch nog een brief gestuurd. Bellen was me niet gelukt en ik vond dat ene woord extra op de kaart toch wat vreemd over kunnen komen.
Op de volgende kaart van hem stond: “Geeft niet, dank.” als extra woorden toegevoegd.
Karl en ik staren zwijgend naar de foto.
Ook dit keer lukt het ons om behoedzaam langs onze gevoelens heen te praten. De volgende ochtend vertrek ik vroeg.
“Binnenkort ga ik verhuizen. Ik stuur je nog wel een adreswijziging.”, zegt hij bij het afscheid.
“Is goed. Hou je taai.”, antwoord ik.
In de hal zie ik een paar schoenen staan, die ik niet bij hem vind passen.
Het is de laatste keer dat ik hem zie en spreek.
De kaarten gaan nog steeds maandelijks over de post. Ik woon gelukkig getrouwd in mijn eigen dorp. Karl heeft geen banden meer met zijn oude woonplaats. Mijn kinderen gaan naar dezelfde lagere school als Karl en ik. Ik mis Karl niet, maar wel het verleden met hem. En nu is hij dood.
Via de zoekmachine op internet ben ik op zijn naam gaan zoeken. Ik zoek vaker op namen, maar nooit op de naam van Karl. Dit is de eerste keer en zo stuit ik op de overlijdensadvertentie.
“Ik had eerder naar hem moeten zoeken. En dan in het echt. Had ik mijn voornemens nu maar uitgevoerd.”, verwens ik mezelf.
Het adres van Karl ken ik uit mijn hoofd. Al snel heb ik er een telefoonnummer bij gevonden.
“Herman”, hoor ik aan de andere kant van de lijn.
Even val ik stil, maar ik herpak me snel.
“Hallo Herman, met Gerben Kaatsma.”
Nu is het Herman die stil valt.
“Wat wil je van me?”, vraagt hij met een toon die een duidelijke tegenzin in een gesprek verraadt.
Ik bedenk me dat hij veel jonger moet zijn geweest dan ik me ooit heb gerealiseerd toen hij op onze middelbare school werkte. Waarom woont Herman in het huis van Karl?
“Klopt het dat jij elke maand een kaart van mij ontvangt?”
“Nee, Karl ontvangt een kaart van jou Gerben. Zo wilde hij dat. Misschien heb jij je het nooit beseft, maar jij was voor hem de belangrijkste persoon in zijn leven. Er was er maar één die hij vertrouwde en dat was jij. Ik heb je er om vervloekt.”, zijn stem trilt.
“Herman, stuur jij de kaarten van hem naar mij?”
“Verdomme Gerben, ik mis hem elke dag. Ik wilde samen leven met hem. Leven! Dat is er nooit van gekomen, maar ik ben mijn belofte aan hem nagekomen.”
Herman barst in snikken uit en verbreekt de verbinding.
“Karl durfde tot het laatst toe zijn eigen keuzes te maken, ook die voor de dood. Je wordt gemist, H.”, lees ik in de advertentie.
Langzaam dringt het tot me door dat Karl voor mij langer in leven is gebleven dan voor de man die het meest van hem hield.
Geef een reactie