Verhaal


  • Harteloos

    Bij het ontwaken zie ik de vertrouwde omgeving van de ziekenhuiskamer waar ik nu al een paar weken lig, de televisie voor me aan het plafond, het tafeltje, de drie stoelen en het lege prikbord. Mijn hart slaat niet meer. Daar moest ik het meest aan wennen, een lichaam zonder hartslag. Dokter Goldstein -een man met handen die niet bij een chirurg lijken te passen- heeft met de operatie niet alleen mijn leven verlengd, maar ook internationaal zijn naam bekendheid gegeven. Ik krijg dagelijks bezoek van hem, waardoor een zekere band is ontstaan. Hij noemt me Winston, toch blijf ik hem dokter noemen. In leeftijd verschillen we behoorlijk, maar onze interesses hebben wel raakvlakken.
    ‘Winston, wist je dat de software van de pomp in jouw lijf gebaseerd is op hetzelfde OS als deze tablet?’
    ‘Android?’ vraag ik licht verbaasd. ‘Ik had eerder een uitgeklede Linux kernel verwacht, maar zelfs een oude DOS kloon had ik me kunnen voorstellen.’
    ‘Ach, Android is uiteindelijk ook op Linux gebaseerd.’
    ‘En welke apps kan ik in mijn hart laden, dokter?’
    We lachen er samen hardop om, ik zie dat Julia -één van mijn vaste verpleegsters- haar hoofd vlug om de hoek steekt.
    ‘Tja we lachen erom, maar kijk hier eens.’
    Hij pakt zijn Galaxy Note erbij en opent een programma, een landkaart toont op het adres van het ziekenhuis een knipperend plaatje dat het meest op een groene punaise lijkt.
    ‘Dit ben jij. Groen is goed. We hebben een GPS locator geïntegreerd in het mechanisme, zo kunnen we je direct vinden als de techniek aangeeft dat er defecten optreden. Je hebt zelfs een gewone SIM-kaart in je lichaam zitten.’
    Het pennetje dat hij gebruikt om het beeldscherm aan te sturen verdwijnt in zijn handen. Ik kan me met niet voorstellen dat hij zelf de scalpel heeft vastgehouden. Regelmatig droom ik ervan dat hij met die handen diep in mijn borstkas graait. Dan word ik hevig zwetend wakker en staat Julia al naast mijn bed, altijd Julia als ik van deze nachtmerrie ontwaak. Bij de andere verpleegsters overkomt het me niet.
    Dokter Goldstein vervolgt: ‘De draden naar je accu zijn tegelijkertijd de antennes.’
    ‘Maar is de straling niet gevaarlijk dokter?’
    ‘Nee, Winston. We hebben de risico’s afgezet tegen je levensverwachting en het klinkt cru, maar de risico’s waren daarbij verwaarloosbaar.’
    Mijn nieuwe hart schakelt op basis van de informatie die mijn lijf afgeeft over naar een hogere frequentie. Ik voel er weinig van, ik beredeneer het. Dokter Goldstein heeft me uitgebreid geïnformeerd over de werking van de hartpomp.
    ‘Betekent dit ook dat alle gegevens naar uw computer worden gestuurd?’
    De dokter zwijgt slechts en tovert een aantal grafieken tevoorschijn. Op de tijdlijn zie ik ook situaties beschreven staan. Mijn gesprekken met hem, maar ook de bezoeken van het medisch personeel. Ik zie dat de bezoeken van Julia apart vermeld staan. De grafiek piekt daar behoorlijk op. Ik voel me er ongemakkelijk bij, wat zich onmiddellijk vertaalt in een stijgende lijn op het scherm van dokter Goldstein.
    Vanzelfsprekend weet ik dat ik een menselijk proefdier ben, zonder deze risicovolle ingreep was ik allang gestorven. Voor de wetenschap ben ik perfect, ik ben iemand die geen kaarten verwacht en bij mijn sterven zal er geen rouwadvertentie geplaatst worden. Ze kennen al mijn voorkeuren en eigenaardigheden.
    Misschien hebben ze Julia daar wel op geselecteerd.
    Dokter Goldstein laat me verschillende curves zien en geeft daar uitgebreid toelichting op. Julia komt binnen met het avondeten en ik probeer mijn lichaam onder controle te houden. De dokter verlaat met een korte groet de kamer.
    Julia ruikt naar kokos, een geur die mijn gedachten naar Midden-Amerika brengen. Toen ik jong was heb ik daar als vrijwilliger op een universiteit meegeholpen oude computers weer gebruiksklaar te maken. Ieder jaar zet ik geld opzij om daar na mijn pensioen te gaan wonen, het potje is behoorlijk gevuld. Ik voel geen band met plaatsen of mensen, ik ga waar ik gaan wil. Mijn hart heeft deze plannen voor een moment doorkruist, mijn pensioen zal ik waarschijnlijk niet meer halen.

    Mijn herstel verloopt voorspoedig en onder voorwaarden mag ik naar huis.
    ‘Houd je aan het dieet, bezoek de sportfysio en wekelijks de controle hier bij mij. Ook voor promotionele activiteiten moet je beschikbaar blijven.’
    Dokter Goldstein is steeds formeler geworden in de aanloop naar mijn vertrek, zijn bezoeken worden steeds korter. Zo wordt het voor mij wel makkelijker om afscheid van het ziekenhuis te nemen. Alleen Julia zal ik echt missen. Op mijn vraag of ze geselecteerd is op meer dan haar medische kwaliteiten, antwoordde ze slechts met een bedwelmende glimlach.
    Tijdens de wekelijkse controle zie ik de grafieken steeds weer terug op het tablet van de dokter. Hij doet nauwelijks moeite om te verbergen hoezeer hij zicht op mijn privéleven heeft. Zelfs mijn stoelgang en erecties weet hij te duiden. Het wordt me steeds duidelijker dat ik vooral interessant ben als object van de wetenschap, dat bevalt me niet. Daarom besluit ik te vluchten.

    Nu zit ik hier. San Ramón de Alajuela, Costa Rica, Midden-Amerika. Klaar om de laatste resten van mijn bestaan te leven. Ik heb een goedkoop pension gevonden en mijn Spaans blijkt nog goed genoeg om me te redden. Mijn grootste zorg is of ze me zullen zoeken. Het mobiele telefonienetwerk is hier vrij stabiel, ze weten vast al waar ik ben. Waarschijnlijk hebben ze mijn hele reis live kunnen volgen. Mijn medische paspoort was -nadat het alarm was afgegaan- voor de douane gelukkig geen reden voor extra vragen.
    Uitgeput val ik in slaap. Midden in de hete nacht word ik wakker van de nachtmerrie over de dokter en zijn grote handen in mijn lijf. Als ik mijn ogen opendoe mis ik Julia, ze staat niet naast mijn bed. Zo ga ik dood.

    ‘Dokter Goldstein, de tablet meldt dat alle hartgegevens op afstand gewist zijn.’
    Ze draait haar hoofd triomfantelijk naar de dokter. Het pennetje in de handen van Julia ziet er niet uit als een moordwapen.

    Dit verhaal is ingezonden naar aanleiding van een wedstrijd van schrijvenonline.org. De opdracht was: … een verhaal te schrijven van maximaal 1.000 woorden waarin een Samsung Galaxy Note tablet een rol speelt en dat een knipoog bevat naar de grote Britse schrijver George Orwell.


  • Verworven Erfenis

    Zo’n driekwart jaar eerder.
    Haar echte naam is Johanna, maar ze noemt zichzelf Riekje en niemand weet waarom. Ook aan mij heeft ze het nooit verteld. Johanna Maria Odilea Eugenie van Harten, lees ik op het geboortekaartje dat op de grond gevallen is. We noemen haar Johanna.
    Ze zet het boek -dat lijkt op een fotoalbum- terug in het verboden kastje. Ik heb haar plechtig beloofd nooit achter dat deurtje te kijken. Vandaag ben ik vroeger binnengekomen dan we afgesproken hadden, daar is ze duidelijk door overvallen. Ik heb nog maar een paar dagen de sleutel van haar voordeur, dit is de eerste keer dat ik zonder aan te bellen binnen ben gekomen. Ze sloeg in grote haast het kaft dicht, waarbij wat papiersnippers wegdwarrelden, stond op en toen zag ik het vallen. Haar gezichtsuitdrukking is waanzinnig, zo heb ik haar nooit eerder gezien. Een verkrampt gezicht met groot opengesperde lege ogen. Ik geef de verkreukelde aankondiging van haar leven terug en weet dat ik hier nooit vragen over mag stellen. Pas nadat ze het deurtje afgesloten heeft keert de vrouw waar ik verliefd op ben terug.
    ‘Hoi schat, wil je ook een kopje thee?’
    Het dagelijkse leven.

    Ongeveer een jaar eerder.
    ‘Hee Ruben, moet je eens naar die dame daar kijken. Is dat niet jouw type? Volgens mij wil ze wat van je.’
    We zijn bij de Ouwe lullen disco. Een vrouw met lang blond haar, minimaal een kop kleiner dan ik, staat uitbundig te dansen op de nog bijna lege vloer. Ze kijkt me recht in mijn ogen en maakt met haar rechterhand een drinkgebaar. Ik val meteen voor haar, ik hou van vrouwen die weten wat ze willen. Mijn laatste relatie ligt inmiddels meer dan anderhalf jaar achter me, ik mág ook wel aan mijn gevoel toegeven. Snel bestel ik een fluitje en een rosé en beweeg me ritmisch naar haar toe.
    ‘Hier voor jou, je lijkt me wel een rosé-type.’
    ‘Dank je wel knapperd. Ik ben wel toe aan een drankje.’
    ‘Ben je hier alleen?’
    Ze neemt een slok, pakt het glas uit mijn handen en zet de drankjes op een blad aan één van de pilaren in de buurt.
    ‘Eerst swingen ouwe lul, daarna praten we wel,’ zegt ze met een knipoog.
    Ik schat haar op ongeveer mijn eigen leeftijd, maar ik sloof me uit op een manier die bij mijn twintiger jaren paste. De muziek die hier gedraaid wordt draagt bij aan dit gevoel. Ook de temperatuur is als vanouds heet, het zweet staat op mijn voorhoofd. Het maakt me niets uit.
    Na vier nummers is het eindelijk tijd om even bij te komen.
    ‘Riekje,’ stelt ze zich voor.
    Ik besluit mijn flauwe grap over zweet en nare geuren voor me te houden. Haar naam overvalt me wel wat, Riekje klinkt in mijn oren wat ouderwets.
    ‘Ben je hier alleen,’ vraag ik haar.
    ‘Helaas wel. Ik zou met een vriendin gaan, maar die belde op het laatste moment af. Ik had zo’n zin om te gaan. Ik wist gewoon dat ik vanavond een leukerd tegen zou komen.’
    We kletsen en dansen de hele avond door, ik zie mijn vriend alleen nog als hij mij gedag komt zeggen. Ik weet zeker dat hij mij dit plezier gunt. Inmiddels is de avond op zijn eind en wordt de laatste plaat gedraaid. Een schuifelnummer. Ze pakt me stevig vast en drukt haar kruis en borsten tegen mij aan. De drank en de afwezigheid van een vrouw in mijn leven maken dat ik een erectie niet kan onderdrukken. Natuurlijk voelt ze dat, ze drukt haar onderlijf nog strakker tegen me aan en begint me te zoenen.
    ‘Ga je straks met me mee? Ik woon op loopafstand en volgens mij wil jij ook wel wat ik wil.’
    Ik antwoord met een heftige zoen.
    Op weg naar haar huis lopen we met onze armen om elkaars middel, elke tien meter stoppen we om te zoenen. Van haar appartement zie ik weinig, wel weet ik dat we de lift zonder problemen stil kunnen zetten. We komen halfontkleed, met onze kleren in elkaars armen haar huis binnen en gaan direct door naar haar slaapkamer. Ik voel letterlijk wat ik al zo’n tijd heb gemist. We strelen, zoenen, vrijen, praten, lachen en dat steeds opnieuw in verschillende volgordes.
    ’Ik hou van donkerblond,’ fluistert ze ’s morgens in mijn oor terwijl haar handen door mijn haar kroelen. Ik lig te soezen in haar bed, het liefst wil ik weer bovenop haar rollen.
    ’Die snor, die moet er wel af,’ zegt ze onverwachts.
    Voordat ik toestemming kan geven, springt ze op om een schaar, nat washandje, scheermesje en schuim te halen. Riekje is een vrouw van daden, mijn snor is al snel verdwenen. Op dat moment weet ik dat ik bij haar wil blijven.
    In de weken daarop zie ik mijn eigen huis nauwelijks. Iedere dag ga ik direct na mijn werk naar haar toe. Als ik aanbel komt ze naar de deur gerend. Ze is overenthousiast en zit vol ideeën.
    ’Jij moet echt een restyling, kom we gaan meteen op pad.’
    ’Hoezo restyling, ben ik niet goed genoeg?’
    ’Schat, jij bent de beste, maar zelfs de beste kan beter. We gaan weer retro.’
    En zo loop ik in het centrum van de stad kledingzaak in en weer uit.
    ‘Hier pas dit leren jasje eens!’
    Voor ik het weet sta ik met een leren jasje, een spijkerbroek met smalle pijpen en puntlaarzen voor een passpiegel. De kledingstukken komen uit verschillende winkels, maar in iedere zaak moet ik de spullen die we al gekocht hebben opnieuw aantrekken.
    ‘We moeten wel zien of het echt past.’
    Riekje heeft gelijk, het staat me goed.
    In haar huis heeft Riekje een enorme collectie platen, LPs.
    ‘Een CD komt er bij mij niet in. Ik hou van het ouderwetse geluid.’
    Samen bekijken we regelmatig de verschillende hoezen. Ze wijst me op allerlei elementen die op de covers terug te vinden zijn. Haar achtergrond- en detailkennis is onwaarschijnlijk groot. Het gaat van de kunstenaar, naar de uitvoerende artiesten, naar triviale weetjes , naar de mode van die tijd. Foto’s van mannen met bakkenbaarden krijgen extra veel aandacht.
    ’Zal ik mijn bakkenbaarden ook laten staan?’ vaag ik haar.
    ’O, zou je dat echt willen doen. Graag!’ zegt ze terwijl haar hand onder mijn blouse naar mijn borst glijdt.
    ‘En mag ik je wenkbrauwen wat bijwerken?’
    Een verliefde man laat zijn wenkbrauwen graag bijwerken. Ook nu gaat ze kordaat te werk.

    Bijna drie maanden eerder.
    We gaan trouwen. Een datum is al geprik, eigenlijk vind ik het te snel gaan, maar zij staat er op.
    ‘We doen het in stilte. Niemand hoeft er bij te zijn.’
    Ik geloof in haar en vind het kinderachtig om niet in haar wens mee te gaan. Mijn vriend en haar vriendin – die ik nog nooit ontmoet heb – zullen de getuigen zijn.
    ‘Ach ja, dan zie ik jou ook nog eens,’ had mijn vriend geantwoord. Daarna was hij in lachen uitgebarsten en maakte me uit voor naïeveling.
    Onze ouders kunnen niet als getuigen optreden, die zijn allang overleden. Allebei hebben we geen broers of zussen. Daar hebben we het in de eerste week van onze relatie al over gehad. Ze leek erg blij met mijn mededeling daarover.
    Terwijl we op de bank tegen elkaar aanhangen begint ze over iets dat ik nog niet van haar weet.
    ’Laten we van het weekend naar mijn ouderlijk huis gaan.’
    ’Je ouders leven toch niet meer?’
    ’Nee, maar het huis staat er nog. Het is van mij. Ik wil dat je mijn geschiedenis leert kennen, anders weet ik niet of wij een toekomst hebben.’
    ’Waar staat het huis dan? Ik wist niet eens dat jij nog een huis bezit.’
    ’Heb ik je dat nooit verteld? In Friesland, het is een oude woonboerderij waar veel grond bij hoorde. Ik heb het meeste land verkocht, daar heb ik flink op verdiend, maar het huis heb ik gehouden. Het staat er heerlijk rustig tussen de weilanden. Als ik zou willen zou ik er nu al kunnen wonen zonder nog te hoeven werken. Maar ik wil niet alleen zijn. Als we getrouwd zijn kunnen we daar gaan wonen als je dat ook wilt.’
    ‘Je overvalt me er nogal mee. Ik wil het graag zien. Wonen in Friesland lijkt me wel wat.’
    Ik vraag niet door op het hoe en waarom van haar zwijgen over haar tweede huis. Samen in een landelijke omgeving wonen trekt me wel aan.
    ‘Is er daar ook internet?’
    ‘Hoezo?’
    ‘Dan kan ik vanuit huis blijven werken. Áls het huis me bevalt hè.’
    ‘Het huis zal je zeker bevallen. Je zult er voor altijd blijven.’
    Even trekt een zweem van haar waanzinnige blik over het gezicht. Het is zo kort dat ik denk het verbeeld te hebben.
    De volgende dag gaan we al op weg. Het huis staat er prachtig bij, ze wijst hem al van ver aan. Een statige boerderij met een rieten kap, midden tussen de weilanden. Als we de oprit oprijden valt me op hoe goed het huis en de tuin zijn onderhouden.
    ‘Ik heb een hovenier ingehuurd om de tuin bij te houden en ik heb de huishoudster van mijn ouders aangehouden om één keer per drie weken de binnenkant schoon te maken. Zij is de enige die een sleutel heeft. Als ik kom, geef ik haar een seintje, dan komt ze niet langs. ik wil wel mijn privacy houden natuurlijk.’
    De schuur naast het huis bevindt zich ook in goede conditie. We parkeren er de auto in. Op wat oude kratten, wat gereedschap en een kleine graafmachine na is het er leeg.
    ‘Kom snel de spullen in de bijkeuken zetten, dan gaan we eerst van de tuin en de avondzon genieten,’ stelt ze voor.
    Ik vind dat een goed plan. We hebben genoeg lekkers meegenomen en even later genieten we van een paar flessen rosé en toastjes met verschillende soorten kaas. Met een campinglampje houden we het tot ver na één uur ’s nachts vol.
    ‘Kom we gaan naar boven. Ik zal je de slaapkamer laten zien en de badkamer.’
    We lopen naar boven, als ik haar vast wil pakken houdt ze mijn armen van zich af. In de kamer staan twee éénpersoonsbedden.
    ‘Dit is mijn meisjeskamer,’ fluistert ze bijna.
    ‘Kunnen we niet in je ouders bed slapen? Dan liggen we ruimer naast elkaar,’ vraag ik haar.
    ’Ik wil niet in het bed van mijn vader slapen,’ zegt ze.
    ’Je ouders bedoel je?’
    ’Ja.’
    ’Zullen we dan samen in één van deze bedden gaan liggen?’
    ’Nee, ik ben te moe. Het zal de rosé zijn. Laten we ieder ons eigen bed maar nemen.’
    Sinds lange tijd slaap ik weer alleen. De reis, de wijn en het tijdstip maken dat ik snel in slaap val.
    De volgende ochtend word ik vroeger dan ik gewend ben wakker. In mijn onderbroek en T-shirt wil ik naar beneden gaan. Vlak voordat ik de trap afga zie ik dat de deur naar de ouderlijke slaapkamer open staat. Ik kan mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en loop zachtjes naar binnen, een fotolijst trekt mijn aandacht. Daar sta ik, althans daar staat een foto van een man die wel erg op mij lijkt.
    ’Vader,’ hoor ik achter me.
    Ik draai me om en zie Riekje naar me staren. Ze heeft duidelijk slecht geslapen.
    ’Kom eens met me mee,’ zegt ze.
    ’Hoezo?’
    ’Ik wil je wat laten zien, je bent toch niet bang van me?’
    Eigenlijk ben ik wel bang van haar, ze is anders dan normaal. Haar opmerking zorgt ervoor dat ik me niet wil laten kennen. Daarom ga ik met haar mee, maar ik ben wel op mijn hoede.
    We lopen de trap af, door de deur van de bijkeuken naar buiten, richting de schuur. Ze opent de schuurdeur en gebaart me om met haar mee te gaan. Samen lopen we naar achteren. Iedere spier in mijn lichaam staat gespannen, mijn oren en ogen staan wijdopen. Ik blijf achter haar, ook als we niet meer verder kunnen.
    ’Vader,’ zegt ze weer. Om daarna met een hysterisch gekrijs te vervolgen:
    ’Waarom heb je dit gedaan?’
    Ze grijpt naar een stuk gereedschap dat in een donkere hoek staat.
    De blik waarmee ze kijkt heb ik eerder van haar gezien.
    ’Riekje!’ schreeuw ik. Ik krijg mijn benen niet in beweging.
    ’Houd je mond vader!’
    Ik voel de slag van een houten steel tegen mijn achterhoofd en val op de betonnen vloer. Krijsend vervolgt ze:
    ’Je hebt hem vermoord! En nu zal ik jou steeds opnieuw vermoorden! Telkens weer, zoals jij Aalt gedood hebt. Gespiest. Je kon het niet hebben, dat er ook iemand anders van mij kon houden! Moest hij dood, omdat jij alleen met mij mocht kussen?’
    De punten van de riek zweven vervaarlijk boven mijn hoofd.
    ’Was je eigen kleine meisje niet meer jouw bezit! Waarom doodde je mij niet in plaats van hem!’
    Mijn hersenen werken op volle toeren, liggend op de grond kan ik niets beginnen. Voor woorden is ze duidelijk niet vatbaar. Langzaam heft ze de vork omhoog, klaar om deze in mijn hoofd te spietsen. Ik moet haar uit haar concentratie halen. Mijn handen zoeken wanhopig naar iets wat ik als wapen kan gebruiken om me tegen haar waanzin te verdedigen. Een stuk steen, meer een brok beton, krijg ik te pakken. Ik zoek naar een mogelijkheid om haar af te leiden, dan schiet me haar ware naam te binnen.
    ’Johanna Maria!’ roep ik met kracht en zo autoritair mogelijk. Het is genoeg om Riekje even van haar stuk te brengen. Snel schopt ik haar benen onder haar lijf vandaan. Ik schiet omhoog en stort me bovenop haar, ik haal uit met mijn wapen, maar zij draait weg en ik sla naast haar neer op de vloer. In één beweging rolt ze naar de riek en pakt deze op. Ze heeft geen tijd om hem goed te pakken. Razendsnel weet ze op te staan, ze houdt de steel als een slagwapen voor zich, met de vork naar haar toe. Ik vervloek mijn traagheid en lig nog steeds op de grond. Mijn hoofd bonkt van de pijn. Ze neemt een aanloop. De steen die ik nog stevig vasthoud, gooi ik uit alle macht naar haar toe. Hij raakt haar vol op de linkerknie. De snelheid waarmee ze naar me toekomt, zet zich om in een val. Ik worstel me zo snel mogelijk naar achteren. De steel ketst tegen de grond en haakt vast op een oneffenheid in de vloer. Dan gebeurt het meest gruwelijke dat ik ooit mee heb gemaakt. Ontwijken lukt haar gedeeltelijk, haar hoofd nadert de vork, een tand richt zich op haar oog, ik hoor haar geen enkel geluid maken en zie hoe de ijzeren pen zich via haar oog naar binnen boort om naast haar slaap weer naar buiten te komen. Een plas bloed vormt zich op de grond. Bewusteloos ligt ze daar, maar ze sterft niet. Verbijsterd lig ik op de grond. Moet ik haar laten doodgaan of niet? Mijn gedachten lijken van ieder gezond verstand beroofd te zijn, ik besluit haar te redden.
    Snel handelen is geboden. Ik ren als een dwaas door de ruimte op zoek naar hulpmiddelen. Met een tang en een ijzerzaag weet ik met veel moeite de riek van de ijzeren punt te ontdoen, ik durf niet naar haar oog te kijken. Snel ren ik het huis in. Ik haal een washand over mijn armen, hoofd en benen en schiet wat kleren aan. Van het grote bed trek ik een deken. Weer terug leg ik de deken om haar heen. Het lukt me om haar in een halfzit in de auto te zetten. Meteen maak ik vaart om naar het ziekenhuis te komen, gelukkig heeft mijn auto een navigatiesysteem. In roerloze staat, maar wel ademend vervoer ik haar. Alleen de gesproken instructies van de routebegeleiding doorbreken de stilte. In de achteruitkijkspiegel zie ik mijn hoofd, ik zie er moe maar niet gehavend uit. De bult op mijn achterhoofd voelt groot, maar is door mijn haren niet zichtbaar. Het is goed dat ik me gewassen heb.
    Bij het ziekenhuis rijd ik direct door naar de EHBO. Riekje wordt meteen van mij overgenomen. Een medewerker zet mijn auto weg en zo loop ik achter de rijdende brancard aan door de gangen naar de operatiekamers. Dan begint het lange wachten. Ik besluit de hele operatietijd in de wachtkamer door te brengen, er is genoeg om over na te denken. Na afloop komt de chirurg maar mij toe.
    ’U heeft snel gehandeld, dat en een hoop geluk heeft haar leven gered. Helaas is er flink wat schade toegebracht,’ vertelt hij.
    ’Het was een bizar ongeluk dokter.’
    Inmiddels heb ik mijn plan al klaar.

    Vandaag
    Nu zit ik hier met Riekje in haar huis, het is me gelukt om haar financiën te mogen regelen. Binnenkort verhuizen we naar Friesland. De revalidatie duurde niet eens zo heel lang. Er is weinig hoop op herstel. Lopen zal ze niet meer kunnen, haar oog is vervangen door een kunstoog en ze heeft nauwelijks spraakvermogen. Haar verstandelijk vermogen is nog redelijk goed. Ze weet dat ze totaal afhankelijk is van mij. Het trouwen gaat door, ze kon duidelijk maken dat ze het daar wel mee eens is.
    Op schoot heb ik het album uit het verboden kastje. Een album met foto’s van mannen die op haar vader lijken. Ik kijk haar aan en weet dat als ze de kracht had, ze mijn keel dicht zou willen knijpen.
    ’We hebben nog heel wat op te ruimen in ons nieuwe huis zie ik, Riekje. Ik neem aan dat je de graafmachine goed wist te bedienen.’
    Vanuit de rolstoel kijkt ze met een uitdrukkingsloos gezicht naar mij, het is niet in mijn belang om haar geheim te onthullen.
    Binnenkort zullen we trouwen, lang zal ze niet meer leven.

    Dit is een tweede versie van een verhaal dat hier te vinden is. Omdat het me niet lukte om deze versie daaronder te plakken, staat het op mijn blog.


  • Geprikkeld

    Als ik voorzichtig met mijn hand naar haar borst glij, weet ik het zeker. Er moet een ander in het spel zijn. Ze keert onmiddelijk haar rug naar me toe en mompelt dat ze vanavond te moe is. De laatste tijd ligt ze eerder dan ik in bed, vrijen wil ze niet meer en ze gaat opvallend vaak even de stad in. Ik heb haar in zeker drie weken niet meer naakt gezien.
    ‘Wat ga je morgen doen?’ fluister ik haar toe.
    ‘Hoezo?’ antwoord ze op een manier die aangeeft dat doorvragen geen zin heeft.
    Al snel hoor ik haar snurken, terwijl ik voel dat ik nog uren wakker zal liggen. In gedachten zie ik haar lichaam, haar perfecte bovenlijf waarvan ze weet hoe ik daarover denk. Mijn Tietenmonster, noemt ze me vaak gekscherend. Even later zie ik vreemde mannen voor me, die haar omhelzen en kussen. Morgen moet ik voor altijd duidelijk krijgen wat er speelt.
    Op de gewone tijd ga ik van huis weg. Ik kus haar -zoals gebruikelijk- op de mond en verbaas me over de innigheid waarmee ze terugzoent. Het voelt als een judaskus, maar ik ben niet zeker wie nu de Judas is.
    In de auto bel ik mijn secretaresse en laat haar alle afspraken afzeggen. De auto parkeer ik een paar straten verderop, zelf loop ik terug en heb vanuit de struiken een goed zicht op ons huis. Het duurt niet lang of ik zie haar wegfietsen in ruime kleding, die -bij een kleine windvlaag- verraadt dat ze geen BH draagt. Het idee windt mij in eerste instantie op, maar slaat om in woede. Voor wie doet ze dit? Ik sprint naar de auto en het lukt me om haar te volgen. Ze gaat richting het centrum van de stad. Bij het plein met parkeerplaatsen staat een kroeg waar vooral motorrijders komen. Ik besluit in de auto te blijven zitten, ik zie haar daar naar binnengaan. Een affaire met een motorrijder, eigenlijk verbaast het me niet eens. De vermoeidheid slaat genadeloos toe, als ik wakker schiet is haar fiets verdwenen. Onder hardgrondige vloeken, sla ik met mijn vuisten op het stuur. De tranen van woede, schaamte en verdriet springen uit mijn ogen. Naar huis gaan is de enige optie die ik kan bedenken.
    Als ik de auto voor de garage zet, zie ik haar fiets staan. Ze is dus thuis. Via de voordeur sluip ik zo zacht mogelijk naar binnen. Als ze de auto had gehoord was ze vast al naar de deur gekomen. Er komt geluid uit de slaapkamer, ze loopt op blote voeten. Langzaam loop ik de treden op en zie haar blote rug. Ze staat voor de spiegel en lijkt met haar borsten te spelen. Ik vraag me af voor wie ze dit verleidelijke spel opvoert. Woest storm ik de slaapkamer in. Geschrokken draait ze zich om.
    Op haar bovenlijf zie ik twee grote handen die haar borsten beetpakken.
    ‘Schat! Deze tatoeages had je pas op je verjaardag mogen zien!’

     

    Dit verhaal is geschreven naar aanleiding van Schrijfdroedel #25, van www.schrijvenonline.org

    De droedelopdracht luidde:
    Een man verdenkt zijn vrouw ervan een affaire te hebben. Hij neemt stiekem een dag vrij van zijn werk en volgt haar gedurende de dag.


  • Slachtrituelen

    I.

    De keuken vult zich met de geur van gebakken kippenlevertjes. Ze hebben eerst liggen weken in melk, voordat ik ze met sjalotjes en een mengsel van pittige kruiden bereid. Zelf geef ik geen namen aan kippen, maar mijn buurmeisje noemde één van hen Karel Kraaima. Zodra Karel begon te kraaien heb ik hem met een schietpen en een halssnee geslacht.
    Het heeft iets religieus. Het klaarleggen van alle benodigdheden, het wachten tot de avond valt en alle handelingen zonder aarzelen uitvoeren. Het dier is al dood voordat het besef tot hem door kon dringen. Ik heb geen moeite met doden van beesten. Mijn kippenren is altijd goed gevuld, daar zorg ik wel voor.
    ‘Hier is het stokbrood lieverd.’
    Marga komt binnen. Ze neemt de zomer mee in haar luchtige jurk. Zweet glinstert op haar bovenlip en haar blonde haren plakken op het voorhoofd. Ze gebruikt alleen wat oogpotlood, meer heeft ze niet nodig.
    ‘Het ruikt weer heerlijk. Wat drinken we er straks bij?’
    ‘Een rode wijn natuurlijk. De Beaujolais Villages lijkt me prima’, antwoord ik. Wat mij betreft drinken we alleen maar rode wijn. Marga gaat daar niet helemaal in mee. Als we al eens ruzie hebben, dan gooit ze me mijn kwade dronk altijd voor de voeten. Ze weet dat ze me daar nog bozer mee krijgt. Ik heb geen kwade dronk. Ruzies maken we altijd goed, vaak door eerder naar bed te gaan en wat langer wakker te blijven.

    ‘Meneer Minkema laten we het nog één keer doornemen.’
    De kamer is kaal, maar lijkt niet op de verhoorkamers uit televisieseries. Ik heb barstende koppijn en mijn hele lijf schreeuwt om aandacht. Ik wil hier weg. Slapen. Nadenken. Wat overkomt me?
    ‘Wat wilt u verdomme nog van me weten, ik heb u alles verteld. Het bed was leeg toen de wekker ging. Toen wist ik al dat het niet klopte. Ze staat nooit voor de wekker op.’
    Het is duidelijk dat ik tegenover een man zit die mij niet wil geloven.
    ‘Krachttermen zijn nu niet nodig, meneer Minkema.’
    ‘Krachttermen zijn de enige godverdomse woorden die hier passen meneer! Mijn vriendin is dood en ik word hier ondervraagd alsof ik haar vermoord heb. Ik wil haar zien!’
    ‘In het belang van het onderzoek kunnen we u niet naar haar toe laten gaan. Eerlijk gezegd denk ik dat u dat ook niet zou willen. Een autopsie is geen fijn gezicht.’
    Hij glimlacht bij deze woorden. Ik krijg de neiging deze man een ram recht tussen zijn ogen te geven. Ik verbijt mijn woede.

    ‘Marga was een goed mens. Ze zette zich met passie in voor haar werk in het asielzoekerscentrum.’
    Haar broer Paul spreekt. Ik word in de aula gedoogd, omdat ik nu eenmaal haar vriend was. Officieel ben ik geen verdachte meer. Haar moeder heeft nog geen blik met mij gewisseld, via haar zus moest ik horen wat de familie besloten had. Ik mocht niet spreken. Ik kan het ook nog wel begrijpen.
    Een politieman in burger maakt vrij openlijk opnames van de aanwezigen. De kist op de verhoging doet me weinig, het hele ceremonieel doet me weinig. Marga is weg en wat er in de kist ligt kan Marga niet zijn.
    Vanuit mijn zitplaats heb ik redelijk zicht op de aanwezigen. De meesten ken ik niet of nauwelijks. De donkere man in zijn meer dan nette pak valt meteen op. Tranen rollen over zijn wangen.
    ‘Rot op!’, denk ik.
    ‘Waarom huil je om mijn vriendin terwijl ik jou niet eens ken.’
    Straks zal ik weer naar een leeg huis gaan. Niemand die er aan heeft gedacht om in de dagen dat ik vastzat wat drinken aan de kippen te geven. Twee hadden dat niet overleefd.

    Na de begrafenis volgt het koffiedrinken.
    ‘Excuse me’, hoor ik nadat ik een flinke duw heb gekregen. De koffie golft over mijn colbert.
    ‘Het is wel goed joh’, antwoord ik terwijl ik in het gezicht van de donkere man kijk. Hij kijkt me onbeholpen vragend aan.
    ‘It’s OK’, zeg ik er achteraan.
    ‘You are Marga’s friend, isn’t it?’
    ‘I can’t denie that.’
    Mijn Engels is belabberd, maar ik wil weten wie deze man is.
    ‘And you are?’
    ‘Call me Dwight. I’d like to talk to you soon. I’ve got something to tell you.’
    ‘Tell me right away.’
    ‘That is not possible I’m afraid.’
    De politie neemt volop foto’s van ons. Ik heb er genoeg van.
    ‘Wait a minute. I’ll be right back.’
    ‘Zeg diender denk je dat ik straks nog wat nabestellingen bij je kan doen?’
    ‘Meneer Minkema, ik doe slechts mijn werk.’
    Ik weet dat een discussie geen zin heeft en ga weer terug naar Dwight,
    Waar ik ook kijk hij is weg.
    Zonder afscheid te nemen verlaat ik de begraafplaats, de wereld kan in de stront zakken. In mijn achteruitkijkspiegel zie ik hoe zelfs mijn vertrek wordt gefotografeerd.
    Thuis zet ik het op een drinken.

    Lichten zwaaien langs mijn gordijn en ik hoor stemmen in de tuin. De voordeurbel rinkelt onophoudelijk. Drie uur ’s nachts. Naakt open ik de deur.
    ‘Meneer Minkema, we hebben uw buurmeisje gevonden in uw kippenren. U zult begrijpen dat u met ons mee moet komen.’

    II
    ‘And no more shall we part!’
    Het volume staat hoog, de muziek knalt uit de luidsprekers en wij schallen samen met Nick Cave mee. Drie flessen rode wijn hebben we gedronken. Marga is het beste dat mij is overkomen.
    ‘Ik lust er nog wel een’, hijgt ze aangeschoten in mijn oor.
    We struikelen over elkaar heen in mijn poging om bij de wijnfles te komen.
    Marga grijpt dit moment met beide handen aan. Ze kust me hartstochtelijk vol op mijn mond en haar handen klauwen onder mijn blouse over mijn rug. Marga is een nagelmens. De striemen voel ik op mijn vel verschijnen. Het windt me enorm op.
    Ik ken haar nog maar twee dagen. Dit is de vrouw van mijn leven. Met haar ga ik oud worden en kinderen krijgen.
    Hoe dronken ik ook ben, dit weet ik zeker.

     
     
     
     
     
     

    Dit verhaal schreef ik als inzending voor een thrillerwedstrijd ‘Schrijf je eerste hoofdstuk in 1000 woorden’. De winnaars kun je hier terugvinden.
    Ik zal het niet uitwerken tot een boek. 😉


  • Uit de schaduw

    ‘Weet u dat daar het Rechthuis stond?’
    Ik zit aan de rand van de Brink. De bollen die de straat markeren lijken door hun korte schaduwen -als een soort remsporen- plots tot stilstand te zijn gekomen. Het is lekker warm. De man is ongevraagd naast me komen zitten.
    ‘Hoe bedoelt u Rechthuis?’ vraag ik.
    ‘Van hier uit werd Baarn bestuurd. U komt hier niet vandaan merk ik.’
    Ik kom hier inderdaad niet vandaan. Eigenlijk wil ik hier op dit moment ook helemaal niet zijn. Ik ben gaan wandelen. Voor mij was er toch niets te doen. Dat heb ik aan anderen overgelaten.

    Sinds anderhalf jaar ken ik haar nu. Ze heeft al een kind, maar voor mij zijn kinderen geen bezwaar. Haar dochter is gelukkig een leuke meid en we hadden al snel een band. Ik zie haar en haar moeder bijna om de dag. Het zijn de zonnige dagen in mijn leven.

    ‘Omdat Baarn geen wallen en muren mocht bouwen, betaalde het mee aan de verdedigingswerken van Amersfoort. Dat gaf de inwoners het recht om in tijden van gevaar daar te schuilen.’
    De man naast me praat aan één stuk door.
    De remsporen van de bollen zijn ongemerkt langer geworden. Kinderen spelen in de muziektent. Meestal een tikspelletje of een toneelstuk. Spontaan een lied aanheffen zit er niet bij. Haar meid zou dit ook leuk gevonden hebben. Ze is nu bij haar grootouders. De hele toestand zou te belastend zijn en dat ‘moesten we niet willen’. Ik heb ze net nog aan de telefoon gehad.
    ‘Ze speelt doktertje,’ vertelde opa. ‘Nu ja, zij is de verpleegster. Ze heeft de hele verkleedkist overhoop gehaald. Van ons mag ze hoor.’
    ‘Geef haar een dikke knuffel van me. Vanavond kom ik even langs. Ik bel zodra ik nieuws heb.’

    De man naast me is in grote sprongen door de tijd gegaan.
    ‘Dat paard daar herinnert aan de drinkbak die hier ooit stond.’
    Het is zaak om op de juiste momenten te knikken. Af en toe herhaal ik een paar woorden in een vragende zin. Zo hoef ik niet op de inhoud te letten, maar wordt het gerustellende gekabbel van het verhaal voortgezet. Het leidt me op een aangename manier af.
    Er rijden meer auto’s voorbij dan ik verwacht had. Uit het winkeltje heb ik wat pakjes sinaasappelsap meegenomen. Ik bied mijn verhalenverteller een pakje aan. Even is het stil, maar al snel zitten we in de verbintenis van Baarn met het vorstenhuis.
    ‘Natuurlijk,’ denk ik, ‘sinaasappels en het huis van Oranje.’
    ‘Die bank is geplaatst naar aanleiding van het 25 jarig regeringsjubileum van koningin Wilhelmina. In het stationsgebouw was trouwens een aparte wachtruimte voor de koninklijke familie. Voor koningin Juliana, prins Bernhard en de prinsesjes.’

    Mijn gedachten gaan naar prins Bernhard en zijn vele vermeende escapades. Die zijn niet aan mij besteed. Ik ben trouw aan mijn vriendin. Zij is de tweede relatie in mijn leven. Ik weet zeker dat ik nu mijn ware heb gevonden. Haar wil ik nooit kwijt raken en dat maakt me juist zo bang.
    ‘Prins Bernhard is vaak opgenomen in het ziekenhuis. Hij heeft ook veel operaties moeten ondergaan. In die zin was het wel een medisch wonder.’
    Aan de bollen zie ik hoe de tijd steeds verder verstrijkt. Ze kent mijn angsten goed.

    ‘Ga maar,’ had ze gezegd. ‘Je maakt me alleen maar zenuwachtig met je gedrag.’
    ‘Maar ik wil bij je blijven.’
    ‘Ga wat doen. Zoek wat afleiding. Ze hebben je nummer.’
    Ik wist dat ze gelijk had. Met een innige kus nam ik afscheid.
    De bevalling van haar dochter was op zich spoedig verlopen, had ze me ooit verteld. Toch bleef ze steeds last van pijn houden.
    ‘En met een knappe vent als jij moet ik daar natuurlijk geen pijn hebben,’ had ze knipogend gezegd.
    Ondanks dat ik nog uren te gaan had, besloot ik in de buurt te blijven. De dag van vandaag toonde maar weer eens dat stralende dagen de schaduwen nog scherper aftekenen. Ik blijf blij met de man naast me. Hij leidt me door deze uren.
    Mijn mobiel gaat. We schrikken er allebei van. Met een verontschuldigend gebaar naar mijn gesprekspartner neem ik hem aan.
    ‘Meneer Daatse, het is helemaal goed gegaan hoor. Ze ligt nu in de uitslaapkamer. Als u over een half uurtje komt ligt ze weer op zaal.’
    Ik voel dat de opluchting zich door mijn hele lijf verspreidt.
    ‘Alles goed?’ vraagt de man aan mij.
    Met een grote glimlach kan ik hem bevestigend beantwoorden.
    Ik heb het gevoel dat niet alleen haar bekkenbodem verstevigd is.