Verhaal


  • Verheven

    De ultieme vernedering. Straks zal hij mij ten overstaan van de uitzinnige menigte moeten feliciteren.
    Ik weet dat ik voor dit moment ben geboren.

    ‘Hierheen! Niet meteen op de muur!’
    ‘Naar voren, naar voren. Kom op!’
    We zijn met ons zessen, de heiligen. We trainen alsof we een echte wedstrijd spelen. Door de jaren heen vielen steeds meer jongens af. Veel door gebroken botten, meestal armen of benen. Twee waren in het speelveld dood neergevallen toen de bal hen ongelukkig raakte.
    ‘Hoog! Probeer de ring!’
    De meeste jongens konden het tempo niet aan of hadden te weinig inzicht in het spel. Er is weinig aanwas vanuit de jeugd. Een team verandert ook nauwelijks van samenstelling. Na onze vorige wedstrijd ben ik aangewezen als aanvoerder. Op mijn vijfde ben ik opgenomen in de opleiding. Zoon van een landarbeider, het mindere volk. En nu ben ik opgeklommen tot één van de belangrijkste mannen.
    ‘Buk! Snel, buk!’
    De rubberbal van zo’n kleine drie kilo raast op mijn teamgenoot af en raakt hem vol op de schouder. Hij valt kermend op de grond. De meeste klappen kunnen niet worden opgevangen door de beschermende kleding. Behendigheid is onze belangrijkste bescherming.
    ‘Hoe is het met hem?’
    Er zit een vreemde knik in zijn bovenarm. De begeleider schudt zijn hoofd. Twee mannen tillen de gewonde op een brancard van twee stokken en een doek. Ik zal hem niet terugzien. Zo is dit spel, alleen de beste spelers blijven. Ik richt me tot één van de mannen aan de rand van het veld.
    ‘Hebben we al een nieuwe?’
    ‘Nee, ze zijn nog niet goed genoeg. Je zult met vijf door moeten gaan.’
    Dat maakt de keus voor mij wel makkelijker. Uiteindelijk zullen we met zijn vieren in het veld staan. Wisselen is niet toegestaan. Nu zal er nog maar één af moeten vallen.
    Over twee dagen is de belangrijkste wedstrijd van het jaar. De hele dag zullen er feesten zijn, maar ons spel staat centraal.
    Ik kijk naar de twee ringen die tegenover elkaar hangen. Zes meter hoog. Het team dat de bal als eerste daar doorheen speelt heeft meteen gewonnen. Toch is het risico groot, er mag alleen met de heupen en het bovenlijf worden gespeeld. Als een poging om te scoren mislukt, dan wordt een punt aan de tegenstander toegekend. Dat gebeurt ook voor het team dat een bal uit het veld laat gaan. Zelf kan een team een punt scoren door de muur van de tegenstander te raken. De meeste teams winnen op punten, maar ik wil de winst behalen via de ring. Alleen de grootse spelers, de ware goden winnen de wedstrijd door te scoren via de ring. Van hen zal de naam eeuwig blijven leven. Ook ik ken die namen, het zijn er nog geen twintig.
    ‘Jongens, rondjes!’
    We lopen langs het vrij kleine speelveld. Een centraal veld met aan weerszijden twee schuine muren en de twee ringen. Aan het uiteinden van dit veld liggen nog twee bijveldjes. Daardoor krijgt het veld de vorm van een I. Een klein veld, maar een zwaar spel. Er is veel toegestaan, gewonden blijven onverzorgd op het veld achter tot het spel stil ligt. Dat kan wel even duren en de tegenstander zal – net als wij- het spel niet expres onderbreken.
    ‘Goed, jullie kunnen gaan. Vanavond nog een keer, ik moet nu naar mijn meester.’
    Met mijn meester spreek ik over winst en verlies. Het is niet veel wat ik moet leren.
    ‘Het is niet veel, maar alles moet correct uitgevoerd worden. Ook in een roes moet je doen wat juist is.’
    Mijn meester is een rustige man, die mij vooral bij de winst zal begeleiden. Ik voel dat ik ga winnen. Voor mij is er geen twijfel en ik vertrouw mijn meester in alles. Bij de laatste wedstrijd heeft hij de vorige aanvoerder begeleid, het was een waardig afscheid van de man die mij alle kneepjes van het spel heeft geleerd.

    We staan achter en de tijd verstrijkt te snel. Ik kijk naar mijn teamgenoten.
    ‘Kom op! Hou vol!’
    Krachttermen worden niet gebruikt, dat past niet bij onze status. We zijn vlug en sterk, maar de tegenstander weet onze zwakke plek te vinden. In het begin van de wedstrijd hebben we al grote blessures opgelopen. Ik gelukkig niet, maar alleen kan ik niets uitrichten.
    ‘Hierheen. Hoog!’
    De bal komt niet aan. Het publiek joelt, klapt en stampt. Mijn aanwijzingen gaan verloren in het kabaal. Ik ren als een bezetene. Hier leef ik voor. De steentjes die vanuit het publiek worden gegooid zullen me soms vast raken, maar ik voel ze niet. Mijn armen en benen bloeden uit verschillende wonden. Mijn heupen zijn beurs. Toch vind ik steeds opnieuw de kracht om een sprint te trekken, te springen of mijn tegenstander opzij te duwen.
    Plots maakt de bal een vreemde bocht en stuitert op mij af. Dit is het moment waarop ik heb gewacht. De tegenstander heeft zijn aandacht laten verslappen en waande zich waarschijnlijk al winnaar. Met mijn heup zwaai ik met al mijn kracht tegen de bal aan. De bal springt hoog op en vliegt door de ring heen. Het publiek verstomt voor minder dan een seconde. Een seconde waarin ik probeer te beseffen wat mij overkomt. De vier tegenstanders vallen uitgeput op de grond. Ik sta aan de grond genageld als mijn teamgenoten op mij afkomen.
    Daarna gaat het snel.
    Onder aanhoudend gejuich loop ik naar het podium. De aanvoerder van de tegenstander loopt achter mij aan. Zijn hoofd is gebogen, maar ik kijk recht vooruit. Mijn meester staat klaar.
    ‘Kom naast me staan. Drink dit eerst. We hebben het allemaal doorgenomen. Je kunt het.’
    ‘Ik kan het aan meester.’
    Ik toon de beker aan het volk en drink hem in één teug leeg. Het heeft meteen effect op mijn vermoeide lichaam. Daarna begint het wassen.
    Mijn tegenstander staat er bedremmeld bij. Aan zijn gezicht is af te lezen dat hij voelt dat hij heeft verloren. Ik kan een glimlach met moeite onderdrukken.
    Dan breekt het grote moment aan. De verliezer stapt naar voren. Hij wordt door het publiek luid beschimpt, maar mijn meester legt hen het zwijgen op. De aanvoerder pakt me stevig bij mijn armen beet. Dan volgen de woorden.
    ‘Ik ben een zoon van de Maya’s en leef onder de barmhartigheid van de goden. Vandaag ben ik verslagen. Verslagen door de goden. Ten overstaan van allen buig ik nederig voor mijn overwinnaar.’
    Hij stopt even met praten en kijk rond. Dan kijkt hij naar mij en vervolgt op een nog luidere toon.
    ‘Ik feliciteer je met je status. Vandaag zal je een god zijn.’
    Hij heeft zonder hapering gesproken. Als hij voor mij buigt trekt hij mijn bovenlichaam mee naar beneden. Ik voel de messteek van mijn meester niet eens terwijl mijn hoofd stevig op het offerblok wordt geduwd.
    Het geluid om me heen ebt weg. Ik zie hoe de goden klaarstaan om mij op te nemen.

    De inspiratie voor dit verhaal is hier te vinden.


  • Schittering

    Hartstikke dood!

    Op de -inmiddels inactieve- schrijverssite ‘Boekvoorhaar’ verschenen regelmatig thema-opdrachten waar Alicia van ‘Schrijfatelier Alicia’ haar blik over liet gaan en een winnaar uitkoos. De laatste thema-opdracht was als volgt omschreven:

    Hartstikke dood!
    Op de afdeling moordzaken prijken foto’s van een afschuwelijk delict op het prikbord; 20 rechercheurs zijn op de zaak gezet.
    Na een dag afwezigheid op haar werk ging haar collega poolshoogte nemen in haar woning en trof de mooie Angélica aan in haar bad. Een naakt, zwaar geschonden, bijna onherkenbaar lichaam in roodgekleurd water… hoe en waarom heeft dit kunnen gebeuren?
    De autopsieresultaten zijn nog niet binnen.
    Heeft de moord inderdaad in de woning plaats gevonden? Wat was het moordwapen? Vingerafdrukken en sporen worden bestudeerd en vergeleken.
    Maar het allerbelangrijkste: wie is de dader en vooral: wat was het motief?
    Rechercheur Bart van Tooren staart gebiologeerd naar één van de foto’s: een Marlboro peuk op de vloer, rode voetafdrukken op de tegels, een zwarte shawl, gedrapeerd over de badrand, haar diamanten ring triomfeert hierop; hij weet dat dit moedwillig gedaan is door de dader.
    Maar door wie en waarom? Zijn ogen glijden af naar de volgende foto …

    Naast de opdracht stond een afbeelding van Sherlock Holmes.
    Dit is het verhaal dat hieruit voortkwam:

    Schittering.

    Het kantoor van de afdeling moordzaken is op één persoon na leeg. Op een ouderwets grijs prikbord vol gaatjes prijken twintig foto’s, als een soort provocatie richting de moderne tijd waarin computers en andere digitale technieken de boventoon lijken te voeren. Rechercheur Bart van Tooren heeft zijn voeten op een bureau gelegd en wipt langzaam met zijn stoel op en neer. Eén foto houdt zijn blik vast.

    Rechecheur van binnendienst, wordt hij achter zijn rug om gekscherend genoemd. De klank in de stemmen die hem zo noemen verraadt bewondering, zeker geen minachting. Van Tooren weet -van alle collega’s op landelijk niveau- de meeste zaken op te lossen waarbij hij het minst van allen het bureau verlaat.
    ‘The man comes around’, zingfluistert hij voor zich uit terwijl zijn ogen naar een volgende foto glijden.
    Johnny Cash heeft altijd een passend lied voor elke gelegenheid, maar dit keer weet van Tooren dat hier een sleutel ligt. In een vloeiende beweging slingert hij zijn benen op de grond en staat op uit zijn stoel. Op de toon van een dominee schallen de woorden waarmee Cash het lied opent in de Nederlandse vertaling door de ruimte:
    ‘En ik hoorde één uit de vier dieren zeggen, als een stem van een donderslag: Kom en zie! En ik zag, en ziet, een wit paard.’
    De aankondiging van de vier ruiters uit de Openbaring van Johannes slaat dood tegen het systeemplafond.

    Van Tooren beent naar een telefoontoestel, drie minuten later staat Mark Janssen bij hem.
    ‘Wat zie je hier, Janssen?’
    Van Tooren tikt met de knokkel van zijn wijsvinger op een foto.
    ‘De plaats delict, ik was er zelf. Een dode toegetakelde naakte vrouw met een donkere huidskleur in een bad gevuld met rood water, waarschijnlijk niet haar bloed. Een zwarte shawl op de badrand, met daarop een ring met zo te zien een forse diamant. Het lijkt zorgvuldig geënsceneerd.’
    ‘Mooie eerste poging, maar vertel me meer’, van Tooren klinkt ongeduldig.
    ‘Ik zie een peuk’, Janssen doet een stap dichter naar de foto en kijkt naar de uitvergroting die ernaast hangt.
    ‘Merk Marlboro en afdrukken van schoenen op de vloer. Een soort slippers vermoed ik.’
    ‘Birkenstock’, zegt van Tooren.
    Janssen is binnengehaald als hét talent van de afdeling. Zijn opleiding heeft hij Cum Laude afgesloten en bij de opfriscursussen steekt hij met kop en schouders boven de anderen uit. Ook van Tooren weet hem daarin niet te evenaren en toch steekt Janssen in de praktijk magertjes af bij de heldere geest waarmee hij moet samenwerken. Door de manier waarop van Tooren met hem omgaat voelt hij zich niet ondergeschikt aan van Tooren.

    ‘Honoré Trustworthy, de eerste plaag’, zegt de rechercheur van binnendienst.
    Zijn collega kijkt hem met vragende ogen aan.
    ‘Het slachtoffer heette Angélica nietwaar?’
    ‘Ja, een collega had zich zorgen gemaakt nadat ze al een paar dagen niet op haar werk was gekomen’, beaamt Janssen.
    ‘Jij was op de plaats delict. Heb je nog wat geroken?’
    ‘Nu je het zegt, er hing een sterke muskusgeur. Alsof er een fles te sterk parfum was opengevallen.’
    ‘Engelwortel, Janssen. Angelica, de naam van een plant uit de schermbloemfamilie. Als de plant gekneusd wordt, ruikt hij naar muskus. Muskus en een diamant, wat zegt ons dat?’
    ‘Nou?’
    ‘Synthetisch.’
    ‘Suggereer je dat de diamant synthetisch is?’
    ‘Laat het onderzoeken. Muskus wordt alleen nog synthetisch vervaardigd, dat lijkt me reden genoeg.’
    ‘En nog even terug naar Honoré …’
    ‘Trustworthy. De eerste plaag. Een schilderij, of meer een bewerkte foto. Je zou hem eens moeten bekijken. Hij hangt drie bij vier meter groot in het Museum van Moderne Kunsten in Laren. Een kunstwerk met enorm veel symbolisme. Met allerlei Bijbelse verwijzingen én een aanklacht tegen de handel in bloeddiamanten. De foto van de plaats delict is een exacte kopie in een real live uitvoering. Alles moet tegenwoordig real live Janssen. Honoré heeft de laatste jaren steeds meer vreemd gedrag laten zien, maar dat hij tot moord als vorm van kunst zou overgaan, dat had ik niet verwacht.’

    Van Tooren zucht opzichtig.

    ‘Dit is geen uitdaging Janssen. Laat Trustworthy oppakken, het lijkt me voor de hand liggen dat hij in hotel de Profeet in de Jordaan verblijft.’
    ‘Help me even van Tooren. Welke symbolieken zien we?’
    ‘De eerste plaag, het rode badwater, het water van de Nijl dat rood kleurde. Rood badwater met een mishandelde overleden donkere vrouw als achtergrond tegen een diamant op een zwarte shawl -een teken van rouw- verwijst naar de handel in bloeddiamanten. De vrouw als teken van vruchtbaarheid, maar na mishandeling overleden zoals de doodse akkers rondom de mijnen in Afrika. Sommige denken dat het verwijst naar Eva die geen kinderen meer zal krijgen en daarmee de mensheid haar bestaansrecht ontneemt. De voetstappen in de vorm van de zolen van Birkenstocks die weglopen van het bad. Birkenstocks -de JezusNikes- Janssen, Jezus lijkt weg te lopen. God verlaat de streek. De peuk van the Marlboro man, de aankondiging van de vier ruiters van Apocalypse. The man comes around.’
    Van Tooren kijkt naar de foto alsof het een waar kunstwerk is en het hier niet gaat om een moordpartij.

    ‘We hebben een match bij de vingerafdrukken!’ roept Tjalle Gaatstra vanuit de gang.
    ‘Honoré Trustworthy?’ vraagt Janssen.
    ‘Hoe weet jij dat?’ Gaatstra kijkt hem verwonderd aan.
    Janssen knikt slechts naar van Tooren.
    ‘Kom we pakken hem op’, zegt Janssen terwijl hij wegbeent.
    ‘Vraag hem naar de titel van dit werk en je weet de doodsoorzaak!’ roept van Tooren hem na.
    ‘Zoveel rechercheurs op zo’n simpele zaak’, mompelt hij schijnbaar teleurgesteld.

    Na een kort proces wordt Trustworthy veroordeeld tot langdurige dwangverpleging, alle deskundigen geven aan dat hij niet toerekeningsvatbaar was op het moment van zijn daden.
    Alleen in de dossiers van de afdeling moordzaken is zijn laatste kunstwerk Verdronken Hoop te zien.

    De link naar het lied van Johnny Cash: The man comes around.


  • Uit het nest

    De rolkoffer is knalroze en versierd met een Disney tekening van drie prinsessen. Thuis heeft ze me uitgebreid verteld welke prinsessen het precies zijn: Assepoester, Doornroosje en Sneeuwwitje. Zelf is ze prinses Amalia. Een naijlend effect van de Kroningsdag. De koffer komt van de kleedjesmarkt.

    We lopen samen naar de winkels en de koffer gaat mee om boodschappen in te doen. Ze praat honderduit over verschillende onderwerpen en deinst er niet voor terug om halverwege haar verhaal het thema te veranderen.
    Als eerste gaan we naar de supermarkt.
    ‘Mag ik een karretje?’
    ‘Dat is niet handig,’ zeg ik, ‘dan moet je met je koffer en het karretje lopen.’
    Vol twijfel gaat haar blik van het kinderwinkelwagentje naar haar koffer.
    ‘OK dan.’
    ‘Ik neem wel een grotemensenkar,’ laat ik haar weten.
    Binnen wil ze alle boodschappen zelf pakken.
    ‘Wat staat er op het lijstje? Geef maar papa, dan lees ik het zelf wel.’
    ‘Kan jij het lijstje al lezen dan?’
    ‘Ja hoor, ik ben al heel groot hoor. Ik ben al vier, dat weet je toch.’
    Met grote ogen staart ze naar het briefje.
    ‘Wat is er?’ vraag ik.
    ‘O, ik kan het wel lezen, maar nog niet begrijpen.’
    Samen lukt het ons om de inkopen te doen.
    ‘Nee, eerst gaan we betalen en daarna mag je wat spullen in je koffer doen.’
    Het liefst rijdt ze direct door naar de kassa.
    Na het betalen zorg ik ervoor dat zij de lichte zaken meekrijgt. Zakken chips, een zak koffiepads, wattenschijfjes en vergelijkbare artikelen.

    Onze tweede stop is de kapper. We moeten even wachten en zitten aan de tafel waar allerlei tijdschriften liggen met nieuws en foto’s uit de kapperswereld.
    ‘Welk haar zou jij willen?’
    ‘Deze’, zegt ze vastberaden.
    Haar vinger wijst een felrood en kort kapsel aan van een model met stijl haar. Ik kijk naar haar lange blonde haren die in krullen naar beneden hangen.
    ‘Wat vind je van deze?’
    ‘Nee papa, deze.’
    Gelukkig heeft ze nog de leeftijd waarop het lukt om een beetje bij te sturen en gaat ze mee in het voorstel van de kapster.
    ‘Ga je straks logeren?’
    Ze kijkt via de spiegel stoïcijns naar de dame die haar knipt.
    ‘Nee, we hebben net boodschappen gedaan’, geef ik voor haar antwoord.
    Als een wassenbeeld blijft ze zitten. Pas op het eind weet ze te communiceren door ja te knikken of nee te schudden. Ondertussen houd ik een soort van gesprek op gang.
    Als ze de rolkoffer weer vast heeft zwaait ze uitbundig ter afscheid.

    In de zon is het warm, maar in de schaduw daalt de temperatuur direct.
    ‘Ik heb het koud.’
    ‘Kom, dan steken we over. Wel goed uitkijken hoor.’
    Mijn uitgestoken hand slaat ze weg.
    ‘Ik kan het zelf wel.’
    Dit zijn de momenten dat ik extra goed oplet. Ze denkt alles zelf te kunnen, maar een auto op twee meter afstand kan ze nog over het hoofd zien.
    We lopen dezelfde weg terug en ook op bijna dezelfde manier. Ze blijft constant aan het woord. Soms huppelt ze om mij weer in te halen, het lukt mij niet om haar tempo aan te houden. Zeker niet met twee volle tassen met boodschappen.

    Als we bijna thuis zijn, zie ik op de stoep langs een heg het lijkje van een jonge vogel. Klein en nog vrijwel helemaal naakt.
    ‘Pas op!’ waarschuw ik haar.
    Ze hoort me niet en trekt een wiel van haar koffer recht over het beestje heen. Ik besluit om er geen woorden aan vuil te maken.
    Al snel zijn we thuis.


  • Behouden

    Om twee uur precies hoort hij de brievenbus klepperen. De voordeur mijdt hij nu al zeker drie weken. Hij leeft uit de diepvries die in de bijkeuken staat, van zijn ruime voorraad wijn en in de herinneringen die voor hem realistischer aanvoelen dan het heden. De bank is sinds kort ook zijn bed. Vandaag gaat hij dood.

    De kaarsen branden.
    ‘Wil je nog wat wijn?’
    Haar ogen hebben nog geen bril nodig en kijken hem verliefd aan. Hij voelt de kriebels in zijn buik, wijn krijgt hij wel naar binnen. Eten zal hem niet lukken, ook al heeft ze zijn lievelingseten gekookt.
    ‘Ja’, zegt hij, ‘Ja, ik wil.’
    Ook nu kijken dezelfde ogen hem aan. De ogen van voorspoed. Ze is net achttien, hij eenentwintig en sinds hij haar kent hoeft hij maar naar haar te kijken om zich beschermd te weten tegen alle mogelijke rampspoed.
    ‘Geen kinderen?’
    ‘Nee, de dokter was duidelijk. We hebben elkaar, dat zal genoeg zijn.’
    Hij gelooft haar meteen en zoals altijd heeft ze gelijk. Ze hebben elkaar en het huis.
    ‘Hier ga ik nooit meer weg, als dat maar duidelijk is.’
    ‘Ik zag de boodschap al voordat jij haar woorden gaf, lief.’
    ‘Kom sluit de gordijnen maar.’
    Uiteindelijk zijn zij het laatst overgebleven van de bewoners die er woonden toen zij het huis betrokken. De meesten zijn vertrokken naar de nieuwbouwwijken. Buren kwamen eerst onaangekondigd via de achterdeur, daarna -toen de schuttingen geplaatst werden- via de voordeur en de laatste jaren bijna helemaal niet meer. Het zijn doorgangshuizen geworden, waar stelletjes of gezinnen wonen als tijdsoverbrugging van een verkochte naar een nieuw aangeschafte woning.
    ‘Let er maar niet op. Geluk hangt niet van de buren af.’
    Hij kan er moeilijk aan wennen, maar ook nu haalt zij er de scherpe randen van af.
    ‘Welk boek lees je?’
    Ze zit in haar stoel vlak bij het raam, het licht schijnt over haar schouder en reflecteert in haar leesbril. Het zijn de tekenen van ouderdom.
    ‘Hij staat je goed’, zei ze lachend toen hij als eerste van hun twee een leesbril had gekocht. Hij had zich er voor geschaamd, maar wist dat hij hem nodig had. Zij volgde vrij snel.
    Haar ogen zijn gesloten.
    ‘Ik leg je bril op het tafeltje’, fluistert hij.
    Haar gezicht is bleek en vertoont vlekken. Ze is haar hele leven slank geweest, vet heeft nauwelijks kans gekregen om zich in haar lijf op te hopen.
    De thermostaat van de centrale verwarming staat behaaglijk hoog. De bakjes die aan de radiatoren hangen om de luchtvochtigheid op peil te houden, staan al jaren droog.
    Er wordt op de voordeur gebonsd. Na enkele minuten wordt de deur ingetrapt, vaag hoort hij hoe de stapel kranten en post ruw opzij geduwd worden.
    Ze lijkt te ontwaken. Merkwaardig rustig staat zij op, zonder haar lichaam mee te nemen. Haar blik laat zijn ogen niet los, hij voelt de onverbrekelijke band met haar.
    ‘Kom, het is tijd om te gaan.’
    ‘Zeker weten?’
    ‘Ja, kom maar.’
    Hij volgt haar in alles.

    Terwijl ze het huis verlaten hoort hij achter zich twee mensen tegen elkaar praten.
    ‘Een natuurlijke dood lijkt me. Niet gelijktijdig, hij is nog warm en de vrouw is al aan het mummificeren.’


  • Voortgaan

    Overmorgen is het zover, dan mag ik weer tonen wat ik waard ben. Ik kijk er naar uit. Nu mijn vrouw bij me weg is, heb ik alle tijd om me goed voor te bereiden. We zijn geleidelijk uit elkaar gegaan, stukje bij beetje werkte ik haar uit mijn leven. Het was er de tijd voor. Mijn vijfenvijftigste verjaardag heb ik alleen en tevreden gevierd. Vrienden heb ik nooit gewild. De vriendschappen die ik had waren oppervlakkig genoeg om te vergeten en in te wisselen voor andere vergankelijke relaties. Ik was al aan mijn echtgenote gebonden toen ik mijn nieuwe leven startte. Ze zag er goed uit en zeker in de eerste jaren was het een genot om haar naast me in bed te hebben. Een monogaam leven kon ik toen makkelijk volhouden, later slopen de vrouwen onze slaapkamer binnen. Lang heb ik het niet verborgen kunnen houden, toch wist ik haar bij me te houden zolang ik haar nodig had. Die tijd is voorbij, ik heb haar laten gaan en daar mag ze blij mee zijn.
    De afgelopen maanden heb ik heerlijk ongezond geleefd, oude tijden herleefden. De laatste restjes geheimhouding zijn nu weg, ik leef in alle openheid. Het is wachten op het telefoontje dat zal leiden naar het eindspel. Alcohol en nachtbraken zijn vanaf dit moment niet meer aan de orde.
    Aan de muur van mijn kantoor hangt een foto van de man wiens zaak ik heb overgenomen. Regelmatig kijk ik ernaar en verplaats me in hem. Het voelt vertrouwd, als herinnering aan een vorig leven. In zijn testament was opgenomen dat de zaak overgedaan moest worden aan de laatste cliënt die door hem behandeld werd, dat was ik. Het dode lichaam lag naast mijn bed, het laatste wat ik daarvan weet is dat ik was uitgetreden en van bovenaf op het bed keek en mijn lijf zag liggen. Een gevolg van de rituelen rondom het temmen van demonen. Daarna heb ik -zoals ze me later hebben verteld- drie dagen aan één stuk door geslapen.
    Het temmen van demonen is inmiddels ook míjn beroep, ik bezit boekenkasten vol informatie over de kwade krachten die de mens kunnen teisteren.
    ‘Die boeken geven me de kriebels, maar kijk eens wat een ruimte! En die tuin. Als we de aanbouw inrichten als jouw kantoor, dan verplaatsen we daar ook de boeken naar toe. De rest van het huis maken we gezellig,’ sprak mijn vrouw opgewonden toen we voor het eerst thuis kwamen.
    ‘Ik vind het prima, als er maar geen boek weggegooid wordt,’ had ik geantwoord.
    ‘Nee, lief. Dat snap ik. O, ik ben zo blij. We hebben echt mazzel gehad. Jij bent weer helemaal bevrijd én we kunnen een heel nieuw leven starten, maar ik blijf wel werken hoor.’
    Ze had zich naar me toe gedraaid en me stevig op mijn mond gekust.
    ‘Laten we het bad uitproberen,’ fluisterde ze in mijn oor.
    Het huis was volledig gemeubileerd en de badkamer was smaakvol ingericht.
    ‘Ik heb een fles wijn en glazen bij me.’
    Het was niet moeilijk om mij over te halen. Alleen al de gedachte om haar straks naakt te zien, maakte dat ik snel achter haar aan mee naar boven liep. Toen het bad eindelijk volgelopen was, waren wij al toe aan onze eerste rustmoment. De wijn hielp ons om onze lust snel weer aan te wakkeren. Het bad werd één van onze favoriete plaatsen in huis.
    Een duiveluitdrijver ben ik niet. Duivels en demonen laten zich niet uitdrijven. Ieder mens draagt ze met zich mee, het is vooral zaak om hen in bedwang te houden. Als dat niet lukt is de hulp van een demonentemmer nodig. Die kan ze terugdringen naar de kleine hoeken van de geest, waardoor de mens zelf weer de controle krijgt. Mijn vrouw gelooft nog steeds in uitdrijven, ik laat haar in die waan. Ze had via het vage pad van kennissen van kennissen de man van de foto gevonden.
    ‘Je deed echt zo raar. Je rolde met je ogen en het schuim stond om je mond. Ik was als de dood voor je, maar verlangde meer dan ooit naar een gewoon leven met jou. Zonder hem had ik je nooit meer naast me gehad. Je bent er volgens mij zelfs een ander mens door geworden, maar wel één waar ik nog meer van houd. Hij heeft het met zijn leven bekocht, dat maakt dat wij het aan hem verschuldigd zijn om zijn zaak zo goed mogelijk over te nemen,’ had ze na het lezen van het testament laten weten.
    ‘Het was zo’n goed mens! Als ik jou niet had gehad, had ik me zelfs een leven met hem kunnen voorstellen.’
    Natuurlijk zat er een financieel voordeel aan vast en dit huis. Ons rijtjeshuis beviel haar goed, maar nadat ze de nieuwe woning had gezien wilde ze zo snel mogelijk verhuizen. Dat had ik wel verwacht. Het was een statig oud huis, dat van alle moderne gemakken was voorzien.
    ‘Ik verzorg de publiciteit wel. Mensen hebben behoefte aan spiritualiteit, we zitten in een goede periode. Ik weet zeker dat we mooie zaken gaan doen en ik zie dat jij talent hebt.’
    In dat laatste kon ik haar geen ongelijk geven, ik had niet veel extra informatie nodig om mijn werk te doen. Het was vooral de kennis leren toepassen binnen de huidige tijd. Aan de waarde van publiciteit twijfelde ik, want ik was ervan overtuigd dat de mensen me wel zouden vinden. Dat is altijd zo gegaan, maar het had geen zin om haar dat duidelijk te maken. Veel sterke demonen kwam ik overigens niet tegen. Over het algemeen waren het mensen met waanideeën en fantasten die om aandacht verlegen zaten. Bij hen voerde ik in het bijzijn van de familieleden een mooi toneelstuk op. Dat was meestal voldoende om het gedrag te veranderen en om een grote som geld te verdienen. Voor die mensen had ik een apart programma van nazorg, waar ze dankbaar gebruik van maakten. Ik babbelde dan wat met ze en veinsde begrip.
    ‘Dus je hoort nog steeds opdrachten, waar je gelukkig weerstand aan kan bieden?’
    ‘Ja, Joost. Ik spreek mezelf toe en laat de stemmen weten dat ik de macht heb. Dan nemen ze af.’
    ‘Ze nemen af zeg je. Hoe bedoel je dat precies?’
    ‘Gewoon, eerst schreeuwen ze en al snel fluisteren ze alleen nog.’
    ‘Fluisteren ze op dit moment ook nog?
    ‘Nee Joost, ze hebben ontzag voor jou.’
    En zo kabbelt het door. Ik herhaal veel zinnen, knik begrijpend en stel zo af en toe een vraag. Mijn cliënten spreken mij bij mijn voornaam aan. Op die manier voelen ze een hechtere relatie en denken ze dat ik ze beter kan doorgronden. Begrijpen doe ik ze heel goed, ik veracht ze.
    Echte demonen pak ik één op één aan, daar wil ik geen publiek bij hebben. Dan heb ik al mijn energie nodig en lever ik een oprechte strijd. Ik weet hoe sterk ik ben, toch blijft de overwinning een heerlijk gevoel. Het gevoel van iemand die onsterfelijk is.
    Mijn leven bestaat voor mijn vrouw uit twee delen: ‘vóór die tijd’ en ‘ná die tijd’. Nu ze bij me weg is, is daar de periode ‘ná hem’ bijgekomen. Ze heeft geen klagen, ik heb haar een flink geldbedrag meegegeven, daarnaast kan ze met gemak leven van haar eigen inkomsten. Haar huisje staat midden in het bos waar ze bijeenkomsten houdt die ze de naam Spirituele ontmoetingen en Verborgen helpers heeft genoemd.
    ‘Kom in aanraking met uw verborgen krachten. Stel u open voor een gesprek met de natuur. Heel uzelf.’ dat zijn zinnen die zij via foldertjes verspreidt.
    Ik weet dat ze eigenlijk leeft van leugens, maar iemand die zelf in die leugens gelooft kan ik niet van oplichting beschuldigen. In die zin ben ik zelf meer een oplichter met mijn babbelsessies, toch voelen mijn cliënten zich werkelijk geholpen. Dat geldt ook bij mijn vrouw met haar bijeenkomsten.
    ‘Ik hou niet meer van je,’ dat was het moment om de breuk definitief te maken.
    ‘Dat weet ik,’ had ze geantwoord.
    ‘Je houdt al heel lang niet meer van me. En ik ben al die tijd tegen beter weten in van je blijven houden. Weet je, ik kan er niet eens verdrietig om zijn. Hoe gaan we dit aanpakken?’
    Mijn vrouw is een praktisch mens. Als een situatie niet meer te veranderen is past zij zich snel aan. Zo zag ze al snel dat publiciteit voor mij maken weinig zin had. Ze verdiepte zich in de stille krachten van de natuur en wist zichzelf heel goed in de markt te zetten. In de tuin bouwden we een ontmoetingsruimte en de keuken pasten we aan om voor grote groepen te kunnen koken. Ze kon zelfs een medewerkster in dienst nemen die de catering en de schoonmaak op zich nam. Haar kledingstijl veranderde van moderne strakke kleren naar ruime fladderjurken.
    ‘Ik ben zelf natuurlijk ook veranderd,’ zei ze.
    ‘Je vindt je weg wel,’ sprak ik haar moed in.
    Ondertussen had ik juist van haar interesses gebruik gemaakt om onze kloof te vergroten. Daar waar zij steeds meer op de natuur en het milieu lette, ging ik daar tegen in. Ik scheid geen afval, alle afstanden leg ik met de auto af en bij elke maaltijd klaag ik over de karige hoeveelheid vlees. In het tuinonderhoud deed ik al weinig, maar toen ik het mos en het ongedierte met chemische middelen te lijf bleef gaan, hoefde ik niet meer te helpen. Het feit dat ik openlijk vreemdging was voor haar niet eens een heel groot probleem.
    ‘Echte liefde gaat over het hart en niet over het lijf,’ had ze ook in haar cursussen verteld.
    Bij de inrichting van haar nieuwe huisje had ik nog wel geholpen.
    ‘Laat mij de verf maar kopen, dan hanteer jij de kwast. Jij koopt vast weer de verkeerde verfsoort.’
    Ik vond het best. Ze had allerlei kennissen -die ze van haar bijeenkomsten had overgehouden- uitgenodigd om te helpen. Ze bespraken met elkaar de grootste onzin, met een zekerheid alsof het de waarheid was. Daarnaast kreeg ik om de tien minuten een kop thee vergezeld van een gelukzalige glimlach.
    ‘Wat goed om te zien hoe jullie met elkaar omgaan. Eefje heeft het zwaar hoor, maar ze laat het niet merken. Zo’n sterke vrouw, maar dat wist je natuurlijk al. Als ik het zo had op kunnen lossen met mijn man, maar ja, die is zo anders.’
    Eva is inderdaad een sterke vrouw, maar alleen al de stompzinnige afkorting van haar naam, maakte dat ik me overdreven op mijn schilderwerk concentreerde. Het gesprek dat even later begon en over de aardstralen in het bos ging was voor mij reden om weg te gaan.
    Zonder afscheid te nemen vertrok ik naar huis. Ik nam een douche en deed mijn pak aan. Daarna nam ik de auto naar de stad om het casino op te zoeken. Ik kende het spel goed, mijn vriendinnen had ik er regelmatig mee naar toe genomen. Zij mochten mijn geld inzetten, zelf speelde ik nooit mee. Dit keer was het anders. Het was één van de belangrijke stappen die ik nog moest zetten. Geld genereren. Door het afkopen van mijn vrouw, moest ik mijn reserves weer aanvullen. Ik wist dat ik maar één keer in mijn huidige bestaan deze kans kon gebruiken. Roulette is een spel gemaakt voor mij. In het casino zocht ik een geschikte tafel en daar begon ik met het leegtrekken van de bank.
    Achter elkaar viel de winst mij toe. Ik spreidde mijn kansen om niet teveel de aandacht te trekken en om lang genoeg te mogen spelen.
    ‘Kunt u even meelopen meneer Moenen.’
    Het gebeurde zo discreet mogelijk, maar mijn spel had al een groot aantal mensen verzameld zodat het toch leek of ik als een crimineel werd afgevoerd.
    ‘We willen u bedanken voor uw aanwezigheid.’
    Dat was de nette manier om te zeggen:
    ‘Wilt u zo snel mogelijk het pand verlaten. We vertrouwen u niet, maar kunnen er niet achter komen wat u doet om zulke grote bedragen te winnen.’
    Het bezoekverbod van een jaar verbaasde mij. Blijkbaar mag iemand geweigerd worden, ook als het casino weinig bewijslast heeft. Toch maakte ik me daar niet al te druk over. Binnen een jaar zal sowieso alles anders zijn. Bij de uitgang wachtte twee mooie dames op me, die ik bij de tafel ontmoet had. Een klein deel van mijn winst besteedde ik aan hun gezelschap. We overnachtten gedrieën in een luxe hotel en nog voor zij wakker werden vertrok ik.
    De scheiding hadden we snel geregeld. Alimentatie hoefde ze niet en ze nam afstand van alle aanspraken op mijn vermogen. Daar stond wat tegenover, maar ik vond het een goede afspraak. Na mijn avond in het casino en de nacht met het vrouwelijk schoon, bezocht ik mijn notaris. Daarna waren de belangrijkste voorwaarden op orde.

    En nu zit ik hier. De telefoon zal zo overgaan en dan zal ik een kennismakingsgesprek afspreken om daarna snel te handelen. Een man van vijfenvijftig en een half jaar kan nog snel handelen.
    Na drie keer overgaan neem ik op.
    ‘Moenen.’
    ‘Dag meneer Moenen, met Maria Kruis. Ik begreep dat u duiveluitdrijver bent?’
    ‘Ik noem mezelf demonentemmer mevrouw.’
    ‘Ik heb uw hulp nodig. Mijn man is bezeten en niemand kan ons helpen.’
    Ik stel haar voor de vorm een aantal vragen waar ik het antwoord al op weet. Voor mij is het belangrijk haar snel beter te leren kennen. We spreken af op neutraal terrein. Naar mijn huis komen is voor haar te ver weg, ze durft haar man niet te lang alleen te laten en ik wil nog niet bij hen in huis komen. We spreken af voor de volgende dag in een café.

    Het café is rustig, een paar vrouwen zit met volle tassen nieuwe kleding aan een tafeltje koffie te drinken. Ze proberen onbeschaamd mijn aandacht te trekken. Een half jaar terug had ik één van hen meegenomen voor een gezellig avondje, dat in haar bed was geëindigd. Nu moet ik me beheersen. Daarom knik ik vriendelijk en verdiep me snel in de krant die voor me ligt. Telkens als ik opkijk, zie ik lonkende blikken.
    Ik ben niet voor het eerst in deze stad. Wanneer ik iets moet voorbereiden, dan doe ik dat secuur.
    Als ze binnenkomt en direct naar mij loopt, stopt het geflirt van de vrouwen meteen. Hier loopt iemand tegen wie zij niet opkunnen. Ze ziet er vermoeid uit, maar heeft dat met een minimum aan make-up weten te verbergen. Ze is netjes -op het formele af- gekleed en toont zelfs in deze kleding dat ze een perfect lijf heeft.
    ‘Meneer Moenen?’ vraagt ze terwijl ze al aan mijn tafel gaat zitten.
    ‘Noem mij maar Joost. Kan ik wat voor je bestellen?’ antwoord ik.
    ‘Een Icetea Lemon graag.’
    Haar ogen blijven me strak aankijken, dat bevalt mij wel. Een vrouw met een sterk karakter.
    Nadat de drankjes zijn gebracht, steekt ze van wal.
    ‘U moet me helpen. Mijn man is bezeten. Het begon met wat tics in zijn gezicht, waardoor hij de meest vreemde grimassen trok. Daarna kreeg hij epileptische aanvallen. Zijn stem veranderde en zijn blik is -ik kan het niet anders omschrijven- kwaadaardig. Hij is al weken niet meer in staat om te werken. Hij ligt alleen nog maar op bed te stuiptrekken. Eten schrokt hij naar binnen en hij kwijlt aan één stuk door. De dokter weet het ook niet meer, hij heeft opname in een instelling aangeraden. Ik denk dat hij bezeten is. Daarom heb ik uw hulp gezocht.’
    Ze laat me foto’s zien van haar man in betere tijden. Een knappe jongen, die nu 33 jaar is. Zijzelf is nog geen dertig jaar oud. Haar stem houdt gemakkelijk mijn aandacht vast en haar ogen weten mijn blik van haar borsten af te houden. Als ze naar het toilet gaat stel ik me haar naakt voor, liggend in bed. In mijn fantasie is het niet moeilijk om mijzelf naast haar te zien liggen.
    Onze ontmoeting duurt ruim een uur.
    ‘We zullen snel moeten handelen,’ zeg ik.
    ‘Graag.’
    ‘Morgen zal ik komen, maar je moet nu al een paar zaken weten. Onthoud ze goed.’
    ‘Vertel maar, ik heb een goed geheugen.’
    ‘Ik moet dit alleen doen. Naast hem en jij mag er niemand in huis zijn.’
    ‘Daar zorg ik voor.’
    ‘Het gaat heftig worden. Wat er ook gebeurd, je komt pas de kamer in als ik je naam roep. Niet eerder. Je zal geschreeuw horen en misschien vallen er spullen om, maar blijf in de woonkamer.’
    ‘Moet ik de buren dan niet waarschuwen?’
    ‘Werken de buren?’
    ‘Dat wel, maar aan beide kanten hebben ze een hond.’
    ‘Dat komt goed. Laat de buren er maar buiten. Daarnaast wil ik dat je ook vrienden en familie pas informeert nadat ik morgen ben geweest.’
    ‘Maar zijn ouders weten dat ik contact met je heb gezocht.’
    ‘Dat geeft niet. Je hoeft ze alleen nog niet te vertellen wanneer ik precies kom. Zorg er dan ook voor dat ze morgen wegblijven bij hem.’
    ‘Ze zijn er nu, het zal wel lukken.’
    Ik geef haar de laatste instructies. Maria is een intelligente vrouw, ze stelt goede vragen en weet uiteindelijk een goede samenvatting van mijn informatie te geven. Dan besluit ik haar nog één laatste aanwijzing mee te geven.
    ‘Het klinkt misschien wat intiem, maar je man zal slapen. Een paar dagen. Was hem daarna uitgebreid op bed.’
    ‘Dat is toch niet zo intiem, Joost?’
    ‘Bedrijf daarna uitgebreid de liefde met hem.’
    ‘Sex?’
    ‘Ja, sex. Dat zal hem meteen laten aansterken.’
    Het is duidelijk dat ze daar met weerzin aan denkt.
    ‘Je zult merken dat je er zelf ook van gaat genieten.’
    ‘Jij zegt het Joost. Het is al lang geleden dat ik sex heb gehad, maar op dit moment moet ik er niet aan denken. Ik ben veel te bang dat hij mijn tepel er af zal bijten.’
    Ze lacht cynisch, wat direct overgaat in het roodkleuren van haar hoofd. Deze ongemakkelijke houding maakt haar nog aantrekkelijker.
    We spreken een paar zaken door en daarna nemen we afscheid. Na haar vertrek neem ik een laatste drankje. Mijn lijf gloeit van de spanning. Bij het afrekenen vraag ik naar het adres van een hotel. Terugreizen heeft geen zin.

    ‘Zo Sander hier ben ik dan.’
    Het huis had ik snel gevonden. Maria heeft me ontvangen en wilde mij meteen de slaapkamer waar haar man nu ligt wijzen. Ik drong aan op een kop koffie, voor mij is het belangrijk om de laatste momenten voor dit grote ritueel bewust te beleven.
    ‘Sander is opvallend rustig. Zou hij doorhebben dat jij er bent?’ vroeg ze.
    ‘Dat zou me niet verbazen. Ik weet het wel zeker,’ antwoordde ik naar waarheid.
    Plotseling barstte Maria in huilen uit. Ik stapte van de stoel naar de bank en sloeg een arm om haar heen. Ze leunde vol overgave tegen me aan. Voorzichtig veegde ik haar tranen weg en gaf een kus op haar wang. Langzaam draaide ze haar hoofd naar mij en zochten haar lippen mijn mond. Sneller dan ik had gedacht, waren we elkaar hevig aan het zoenen. Even snel als het was begonnen, stopte zij weer. Ik wist dat ik de juiste keus had gemaakt. We verontschuldigden elkaar niet voor ons gedrag. Maria wees mij de weg naar de kamer van haar man en bleef zelf in de woonkamer achter, precies zoals we afgesproken hadden. Ze slapen inmiddels gescheiden van elkaar. Behalve het bed staat er een klein bureau met een stoel in de kamer. Ik pak de stoel en ga naast het bed zitten.
    ‘Sander, vandaag is de grote dag.’
    ‘Rot op en noem mij geen Sander, je weet wel beter. Je kent mijn werkelijke kracht zeker niet,’ sist de man vanaf het bed. Zijn ogen staan wijd open gesperd, het zweet staat op zijn voorhoofd en de hele kamer ruikt naar ongewassen mens.
    ‘Hoe zal ik je dan noemen?’
    ‘Ik heb vele namen. Noem mij maar Lucifer.’
    ‘Dat mocht je willen. Je bent de Satan niet, je bent een opgeschoven demon. Een beetje bescheidenheid zal je wel passen, Sander.’
    Ik weet dat het noemen van zijn naam hem nog bozer zal maken. Boosheid is een zwakte voor demonen. Ik heb mezelf erop getraind om altijd rustig te blijven. Boosheid zet ik functioneel in, als ik werkelijk boos word zal ik de strijd verliezen. Ik weet dat ik met een zwakke tegenstander te maken heb.
    ‘Weet je, ik blijf je voor het gemak Sander noemen.’
    ‘Nee!’ schreeuwt hij.
    ‘Je hebt even geen keuze. Je hebt de ruimte gekregen en daar mag je dankbaar voor zijn, maar nu zal je weer in moeten schikken.’
    Plots schiet hij naar voren en probeert met kracht zijn vuist tegen mijn gezicht te slaan. Ik kan nog net op tijd wegduiken en terwijl hij van het bed afrolt spring ik bovenop hem en pas een houdgreep toe. Hij kan geen kant op. Langzaam span ik de spieren in mijn armen verder aan. Sander stoot een hard bijna dierlijk geluid uit. De hond van de buren slaat onmiddellijk aan. Zacht roep ik hem tot de orde, van honden zal ik geen last meer hebben. Sander probeert zich vrij te worstelen. Hoewel zijn lichaam inmiddels uitgeput moet zijn, merk ik hoe de demon de laatste krachten weet te vinden en te gebruiken om mij van zich af te werpen. Ik val achterover tegen het bureau, dat onder mijn gewicht door zijn poten zakt. Snel herstel ik mij en voordat Sander overeind is gekomen, werp ik me weer op hem. Languit lig ik over hem heen. Allebei ademen we zwaar.
    ‘Vandaag ben ik precies vijfenvijftig jaar en zes maanden. Je weet wat dat betekent. Zo stom ben je niet.’
    ‘Zeshonderdzesenzestig maanden,’ fluistert Sander nu.
    ‘Dit ga je echt niet winnen,’ zeg ik in zijn oor.
    Nog even stribbelt hij tegen, maar dan vloeit alle kracht uit hem weg. Met moeite leg ik het slappe lichaam terug op bed. Vanaf nu zal het voor mij niet moeilijk zijn. Het is vooral werken aan de illusie. Ik open mijn koffertje en haal er wierook, lucifers en een crucifix uit. Sander lijkt in diepe slaap.
    ‘Wakker worden. Ik heb je nodig!’
    Ik geef hem een paar ferme tikken in zijn gezicht. Hij doet onmiddellijk zijn ogen open.
    ‘Wat wil je?’
    ‘Als je wilt blijven bestaan zul je even mee moeten spelen. Je kent de voorwaarden, die heb ik je al eerder uitgelegd,’ bijt ik hem toe.
    Met volle kracht werp ik de crucifix in een hoek van de kamer.
    ‘Schreeuwen jij,’ zeg ik.
    Een luide kreet ontsnapt uit zijn mond. En zo gaan wij door. Ik sla de stoel stuk tegen de muur, ik trap tegen het kapotte bureau en zwaai rond met de brandende wierook. Sander kan alleen maar geluid maken, zijn lichaam ligt verlamd op bed.
    ‘En nu stil! Doodstil!’
    Ik ga languit op de grond liggen en sluit mijn ogen. Dit is het belangrijkste moment. Het moment waarvoor ik mijn testament heb laten aanpassen, het moment waarvoor ik die duivelse roulettebank heb leeggetrokken, het moment dat mij verder de eeuwigheid in zal brengen. Terwijl ik me concentreer voel ik hoe ik mijn lichaam langzaam verlaat. Als ik bijna geheel ben uitgetreden roep ik haar.
    ‘Maria!’
    Vanaf beneden hoor ik haastig gestommel. Ik kijk op twee lichamen neer.

    ‘Sander, Sander word je wakker?’
    Ik hoor hoe Maria tegen mij praat. Ze zit op de rand van het bed. Voorzichtig haalt ze een natte washand over mijn hoofd. Het lukt me niet om een woord te zeggen. Maria kijkt me strak in mijn ogen, ik krijg het idee dat ze meer vermoedt dan ik zou willen. Mijn ogen dwalen af naar haar blouse. Ik zie dat ze geen BH draagt. Ze slaat de deken weg en trekt mijn T-shirt uit. Het lukt me om hieraan mee te werken. Ik voel me enorm moe, maar tegelijkertijd voel ik mijn hoofd bruisen. Ze wast me aandachtig. Ze heeft twee kommen met water, één met schoon zeepwater en een spoelbak. Ik kan alleen maar naar haar kijken, terwijl ze met de washand en daarna met de handdoek over mijn lichaam gaat. Ook mijn onderlichaam komt aan de beurt. Voorzichtig trekt ze mijn onderbroek van me af. Ik lig helemaal naakt op bed en voel een erectie opkomen. Langzaam glijdt mijn hand naar haar schouder en vandaar naar haar borst. Maria stopt met het wassen en knoopt de blouse los. Daarna kruipt ze bovenop mij. Voorzichtig neem ik een tepel in mijn mond, ze deinst even terug, maar overwint haar schroom en dan beginnen we aan een vrijpartij.
    ‘Ik heb je gemist,’ hijgt ze in mijn oor.
    ‘Ik ben blij je te kennen,’ zeg ik terug.
    Even stokt haar ritme, maar daarna gaat ze door. Ik moet oppassen dat ik me niet verraad. Niemand mag dit weten. Aan de naam Sander kan ik wel wennen. Over een paar weken ben ik weer in mijn eigen huis, dat heb ik goed geregeld. Eva zal mij misschien missen, maar verder zullen het er weinig zijn. Misschien ben ik al begraven, ik weet niet hoelang ik heb geslapen.
    Vanaf nu heb ik ruim tweeëntwintig jaar om mijn praktijk opnieuw op te bouwen, te genieten van Maria en een nieuw lichaam te selecteren. Sander en de demon zullen nog moeten wennen aan de situatie, dat zal me nog energie kosten. Toch maak ik me daar geen zorgen over, zij zullen mij ook kunnen aanvullen. Door de sprong ben ik kennis kwijtgeraakt, die ik opnieuw aan zal moeten vullen.
    ‘Je redder is dood,’ snikt ze opeens, ‘en ik wil je niet kwijt.’
    Gelukkig stopt ze niet met bewegen. Ze zal nooit kinderen krijgen, maar die heb ik ook niet nodig om voort te leven.
    Volgende maand zal ik de foto op mijn werkkamer verwisselen.