Zo’n driekwart jaar eerder.
Haar echte naam is Johanna, maar ze noemt zichzelf Riekje en niemand weet waarom. Ook aan mij heeft ze het nooit verteld. Johanna Maria Odilea Eugenie van Harten, lees ik op het geboortekaartje dat op de grond gevallen is. We noemen haar Johanna.
Ze zet het boek -dat lijkt op een fotoalbum- terug in het verboden kastje. Ik heb haar plechtig beloofd nooit achter dat deurtje te kijken. Vandaag ben ik vroeger binnengekomen dan we afgesproken hadden, daar is ze duidelijk door overvallen. Ik heb nog maar een paar dagen de sleutel van haar voordeur, dit is de eerste keer dat ik zonder aan te bellen binnen ben gekomen. Ze sloeg in grote haast het kaft dicht, waarbij wat papiersnippers wegdwarrelden, stond op en toen zag ik het vallen. Haar gezichtsuitdrukking is waanzinnig, zo heb ik haar nooit eerder gezien. Een verkrampt gezicht met groot opengesperde lege ogen. Ik geef de verkreukelde aankondiging van haar leven terug en weet dat ik hier nooit vragen over mag stellen. Pas nadat ze het deurtje afgesloten heeft keert de vrouw waar ik verliefd op ben terug.
‘Hoi schat, wil je ook een kopje thee?’
Het dagelijkse leven.
Ongeveer een jaar eerder.
‘Hee Ruben, moet je eens naar die dame daar kijken. Is dat niet jouw type? Volgens mij wil ze wat van je.’
We zijn bij de Ouwe lullen disco. Een vrouw met lang blond haar, minimaal een kop kleiner dan ik, staat uitbundig te dansen op de nog bijna lege vloer. Ze kijkt me recht in mijn ogen en maakt met haar rechterhand een drinkgebaar. Ik val meteen voor haar, ik hou van vrouwen die weten wat ze willen. Mijn laatste relatie ligt inmiddels meer dan anderhalf jaar achter me, ik mág ook wel aan mijn gevoel toegeven. Snel bestel ik een fluitje en een rosé en beweeg me ritmisch naar haar toe.
‘Hier voor jou, je lijkt me wel een rosé-type.’
‘Dank je wel knapperd. Ik ben wel toe aan een drankje.’
‘Ben je hier alleen?’
Ze neemt een slok, pakt het glas uit mijn handen en zet de drankjes op een blad aan één van de pilaren in de buurt.
‘Eerst swingen ouwe lul, daarna praten we wel,’ zegt ze met een knipoog.
Ik schat haar op ongeveer mijn eigen leeftijd, maar ik sloof me uit op een manier die bij mijn twintiger jaren paste. De muziek die hier gedraaid wordt draagt bij aan dit gevoel. Ook de temperatuur is als vanouds heet, het zweet staat op mijn voorhoofd. Het maakt me niets uit.
Na vier nummers is het eindelijk tijd om even bij te komen.
‘Riekje,’ stelt ze zich voor.
Ik besluit mijn flauwe grap over zweet en nare geuren voor me te houden. Haar naam overvalt me wel wat, Riekje klinkt in mijn oren wat ouderwets.
‘Ben je hier alleen,’ vraag ik haar.
‘Helaas wel. Ik zou met een vriendin gaan, maar die belde op het laatste moment af. Ik had zo’n zin om te gaan. Ik wist gewoon dat ik vanavond een leukerd tegen zou komen.’
We kletsen en dansen de hele avond door, ik zie mijn vriend alleen nog als hij mij gedag komt zeggen. Ik weet zeker dat hij mij dit plezier gunt. Inmiddels is de avond op zijn eind en wordt de laatste plaat gedraaid. Een schuifelnummer. Ze pakt me stevig vast en drukt haar kruis en borsten tegen mij aan. De drank en de afwezigheid van een vrouw in mijn leven maken dat ik een erectie niet kan onderdrukken. Natuurlijk voelt ze dat, ze drukt haar onderlijf nog strakker tegen me aan en begint me te zoenen.
‘Ga je straks met me mee? Ik woon op loopafstand en volgens mij wil jij ook wel wat ik wil.’
Ik antwoord met een heftige zoen.
Op weg naar haar huis lopen we met onze armen om elkaars middel, elke tien meter stoppen we om te zoenen. Van haar appartement zie ik weinig, wel weet ik dat we de lift zonder problemen stil kunnen zetten. We komen halfontkleed, met onze kleren in elkaars armen haar huis binnen en gaan direct door naar haar slaapkamer. Ik voel letterlijk wat ik al zo’n tijd heb gemist. We strelen, zoenen, vrijen, praten, lachen en dat steeds opnieuw in verschillende volgordes.
’Ik hou van donkerblond,’ fluistert ze ’s morgens in mijn oor terwijl haar handen door mijn haar kroelen. Ik lig te soezen in haar bed, het liefst wil ik weer bovenop haar rollen.
’Die snor, die moet er wel af,’ zegt ze onverwachts.
Voordat ik toestemming kan geven, springt ze op om een schaar, nat washandje, scheermesje en schuim te halen. Riekje is een vrouw van daden, mijn snor is al snel verdwenen. Op dat moment weet ik dat ik bij haar wil blijven.
In de weken daarop zie ik mijn eigen huis nauwelijks. Iedere dag ga ik direct na mijn werk naar haar toe. Als ik aanbel komt ze naar de deur gerend. Ze is overenthousiast en zit vol ideeën.
’Jij moet echt een restyling, kom we gaan meteen op pad.’
’Hoezo restyling, ben ik niet goed genoeg?’
’Schat, jij bent de beste, maar zelfs de beste kan beter. We gaan weer retro.’
En zo loop ik in het centrum van de stad kledingzaak in en weer uit.
‘Hier pas dit leren jasje eens!’
Voor ik het weet sta ik met een leren jasje, een spijkerbroek met smalle pijpen en puntlaarzen voor een passpiegel. De kledingstukken komen uit verschillende winkels, maar in iedere zaak moet ik de spullen die we al gekocht hebben opnieuw aantrekken.
‘We moeten wel zien of het echt past.’
Riekje heeft gelijk, het staat me goed.
In haar huis heeft Riekje een enorme collectie platen, LPs.
‘Een CD komt er bij mij niet in. Ik hou van het ouderwetse geluid.’
Samen bekijken we regelmatig de verschillende hoezen. Ze wijst me op allerlei elementen die op de covers terug te vinden zijn. Haar achtergrond- en detailkennis is onwaarschijnlijk groot. Het gaat van de kunstenaar, naar de uitvoerende artiesten, naar triviale weetjes , naar de mode van die tijd. Foto’s van mannen met bakkenbaarden krijgen extra veel aandacht.
’Zal ik mijn bakkenbaarden ook laten staan?’ vaag ik haar.
’O, zou je dat echt willen doen. Graag!’ zegt ze terwijl haar hand onder mijn blouse naar mijn borst glijdt.
‘En mag ik je wenkbrauwen wat bijwerken?’
Een verliefde man laat zijn wenkbrauwen graag bijwerken. Ook nu gaat ze kordaat te werk.
Bijna drie maanden eerder.
We gaan trouwen. Een datum is al geprik, eigenlijk vind ik het te snel gaan, maar zij staat er op.
‘We doen het in stilte. Niemand hoeft er bij te zijn.’
Ik geloof in haar en vind het kinderachtig om niet in haar wens mee te gaan. Mijn vriend en haar vriendin – die ik nog nooit ontmoet heb – zullen de getuigen zijn.
‘Ach ja, dan zie ik jou ook nog eens,’ had mijn vriend geantwoord. Daarna was hij in lachen uitgebarsten en maakte me uit voor naïeveling.
Onze ouders kunnen niet als getuigen optreden, die zijn allang overleden. Allebei hebben we geen broers of zussen. Daar hebben we het in de eerste week van onze relatie al over gehad. Ze leek erg blij met mijn mededeling daarover.
Terwijl we op de bank tegen elkaar aanhangen begint ze over iets dat ik nog niet van haar weet.
’Laten we van het weekend naar mijn ouderlijk huis gaan.’
’Je ouders leven toch niet meer?’
’Nee, maar het huis staat er nog. Het is van mij. Ik wil dat je mijn geschiedenis leert kennen, anders weet ik niet of wij een toekomst hebben.’
’Waar staat het huis dan? Ik wist niet eens dat jij nog een huis bezit.’
’Heb ik je dat nooit verteld? In Friesland, het is een oude woonboerderij waar veel grond bij hoorde. Ik heb het meeste land verkocht, daar heb ik flink op verdiend, maar het huis heb ik gehouden. Het staat er heerlijk rustig tussen de weilanden. Als ik zou willen zou ik er nu al kunnen wonen zonder nog te hoeven werken. Maar ik wil niet alleen zijn. Als we getrouwd zijn kunnen we daar gaan wonen als je dat ook wilt.’
‘Je overvalt me er nogal mee. Ik wil het graag zien. Wonen in Friesland lijkt me wel wat.’
Ik vraag niet door op het hoe en waarom van haar zwijgen over haar tweede huis. Samen in een landelijke omgeving wonen trekt me wel aan.
‘Is er daar ook internet?’
‘Hoezo?’
‘Dan kan ik vanuit huis blijven werken. Áls het huis me bevalt hè.’
‘Het huis zal je zeker bevallen. Je zult er voor altijd blijven.’
Even trekt een zweem van haar waanzinnige blik over het gezicht. Het is zo kort dat ik denk het verbeeld te hebben.
De volgende dag gaan we al op weg. Het huis staat er prachtig bij, ze wijst hem al van ver aan. Een statige boerderij met een rieten kap, midden tussen de weilanden. Als we de oprit oprijden valt me op hoe goed het huis en de tuin zijn onderhouden.
‘Ik heb een hovenier ingehuurd om de tuin bij te houden en ik heb de huishoudster van mijn ouders aangehouden om één keer per drie weken de binnenkant schoon te maken. Zij is de enige die een sleutel heeft. Als ik kom, geef ik haar een seintje, dan komt ze niet langs. ik wil wel mijn privacy houden natuurlijk.’
De schuur naast het huis bevindt zich ook in goede conditie. We parkeren er de auto in. Op wat oude kratten, wat gereedschap en een kleine graafmachine na is het er leeg.
‘Kom snel de spullen in de bijkeuken zetten, dan gaan we eerst van de tuin en de avondzon genieten,’ stelt ze voor.
Ik vind dat een goed plan. We hebben genoeg lekkers meegenomen en even later genieten we van een paar flessen rosé en toastjes met verschillende soorten kaas. Met een campinglampje houden we het tot ver na één uur ’s nachts vol.
‘Kom we gaan naar boven. Ik zal je de slaapkamer laten zien en de badkamer.’
We lopen naar boven, als ik haar vast wil pakken houdt ze mijn armen van zich af. In de kamer staan twee éénpersoonsbedden.
‘Dit is mijn meisjeskamer,’ fluistert ze bijna.
‘Kunnen we niet in je ouders bed slapen? Dan liggen we ruimer naast elkaar,’ vraag ik haar.
’Ik wil niet in het bed van mijn vader slapen,’ zegt ze.
’Je ouders bedoel je?’
’Ja.’
’Zullen we dan samen in één van deze bedden gaan liggen?’
’Nee, ik ben te moe. Het zal de rosé zijn. Laten we ieder ons eigen bed maar nemen.’
Sinds lange tijd slaap ik weer alleen. De reis, de wijn en het tijdstip maken dat ik snel in slaap val.
De volgende ochtend word ik vroeger dan ik gewend ben wakker. In mijn onderbroek en T-shirt wil ik naar beneden gaan. Vlak voordat ik de trap afga zie ik dat de deur naar de ouderlijke slaapkamer open staat. Ik kan mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en loop zachtjes naar binnen, een fotolijst trekt mijn aandacht. Daar sta ik, althans daar staat een foto van een man die wel erg op mij lijkt.
’Vader,’ hoor ik achter me.
Ik draai me om en zie Riekje naar me staren. Ze heeft duidelijk slecht geslapen.
’Kom eens met me mee,’ zegt ze.
’Hoezo?’
’Ik wil je wat laten zien, je bent toch niet bang van me?’
Eigenlijk ben ik wel bang van haar, ze is anders dan normaal. Haar opmerking zorgt ervoor dat ik me niet wil laten kennen. Daarom ga ik met haar mee, maar ik ben wel op mijn hoede.
We lopen de trap af, door de deur van de bijkeuken naar buiten, richting de schuur. Ze opent de schuurdeur en gebaart me om met haar mee te gaan. Samen lopen we naar achteren. Iedere spier in mijn lichaam staat gespannen, mijn oren en ogen staan wijdopen. Ik blijf achter haar, ook als we niet meer verder kunnen.
’Vader,’ zegt ze weer. Om daarna met een hysterisch gekrijs te vervolgen:
’Waarom heb je dit gedaan?’
Ze grijpt naar een stuk gereedschap dat in een donkere hoek staat.
De blik waarmee ze kijkt heb ik eerder van haar gezien.
’Riekje!’ schreeuw ik. Ik krijg mijn benen niet in beweging.
’Houd je mond vader!’
Ik voel de slag van een houten steel tegen mijn achterhoofd en val op de betonnen vloer. Krijsend vervolgt ze:
’Je hebt hem vermoord! En nu zal ik jou steeds opnieuw vermoorden! Telkens weer, zoals jij Aalt gedood hebt. Gespiest. Je kon het niet hebben, dat er ook iemand anders van mij kon houden! Moest hij dood, omdat jij alleen met mij mocht kussen?’
De punten van de riek zweven vervaarlijk boven mijn hoofd.
’Was je eigen kleine meisje niet meer jouw bezit! Waarom doodde je mij niet in plaats van hem!’
Mijn hersenen werken op volle toeren, liggend op de grond kan ik niets beginnen. Voor woorden is ze duidelijk niet vatbaar. Langzaam heft ze de vork omhoog, klaar om deze in mijn hoofd te spietsen. Ik moet haar uit haar concentratie halen. Mijn handen zoeken wanhopig naar iets wat ik als wapen kan gebruiken om me tegen haar waanzin te verdedigen. Een stuk steen, meer een brok beton, krijg ik te pakken. Ik zoek naar een mogelijkheid om haar af te leiden, dan schiet me haar ware naam te binnen.
’Johanna Maria!’ roep ik met kracht en zo autoritair mogelijk. Het is genoeg om Riekje even van haar stuk te brengen. Snel schopt ik haar benen onder haar lijf vandaan. Ik schiet omhoog en stort me bovenop haar, ik haal uit met mijn wapen, maar zij draait weg en ik sla naast haar neer op de vloer. In één beweging rolt ze naar de riek en pakt deze op. Ze heeft geen tijd om hem goed te pakken. Razendsnel weet ze op te staan, ze houdt de steel als een slagwapen voor zich, met de vork naar haar toe. Ik vervloek mijn traagheid en lig nog steeds op de grond. Mijn hoofd bonkt van de pijn. Ze neemt een aanloop. De steen die ik nog stevig vasthoud, gooi ik uit alle macht naar haar toe. Hij raakt haar vol op de linkerknie. De snelheid waarmee ze naar me toekomt, zet zich om in een val. Ik worstel me zo snel mogelijk naar achteren. De steel ketst tegen de grond en haakt vast op een oneffenheid in de vloer. Dan gebeurt het meest gruwelijke dat ik ooit mee heb gemaakt. Ontwijken lukt haar gedeeltelijk, haar hoofd nadert de vork, een tand richt zich op haar oog, ik hoor haar geen enkel geluid maken en zie hoe de ijzeren pen zich via haar oog naar binnen boort om naast haar slaap weer naar buiten te komen. Een plas bloed vormt zich op de grond. Bewusteloos ligt ze daar, maar ze sterft niet. Verbijsterd lig ik op de grond. Moet ik haar laten doodgaan of niet? Mijn gedachten lijken van ieder gezond verstand beroofd te zijn, ik besluit haar te redden.
Snel handelen is geboden. Ik ren als een dwaas door de ruimte op zoek naar hulpmiddelen. Met een tang en een ijzerzaag weet ik met veel moeite de riek van de ijzeren punt te ontdoen, ik durf niet naar haar oog te kijken. Snel ren ik het huis in. Ik haal een washand over mijn armen, hoofd en benen en schiet wat kleren aan. Van het grote bed trek ik een deken. Weer terug leg ik de deken om haar heen. Het lukt me om haar in een halfzit in de auto te zetten. Meteen maak ik vaart om naar het ziekenhuis te komen, gelukkig heeft mijn auto een navigatiesysteem. In roerloze staat, maar wel ademend vervoer ik haar. Alleen de gesproken instructies van de routebegeleiding doorbreken de stilte. In de achteruitkijkspiegel zie ik mijn hoofd, ik zie er moe maar niet gehavend uit. De bult op mijn achterhoofd voelt groot, maar is door mijn haren niet zichtbaar. Het is goed dat ik me gewassen heb.
Bij het ziekenhuis rijd ik direct door naar de EHBO. Riekje wordt meteen van mij overgenomen. Een medewerker zet mijn auto weg en zo loop ik achter de rijdende brancard aan door de gangen naar de operatiekamers. Dan begint het lange wachten. Ik besluit de hele operatietijd in de wachtkamer door te brengen, er is genoeg om over na te denken. Na afloop komt de chirurg maar mij toe.
’U heeft snel gehandeld, dat en een hoop geluk heeft haar leven gered. Helaas is er flink wat schade toegebracht,’ vertelt hij.
’Het was een bizar ongeluk dokter.’
Inmiddels heb ik mijn plan al klaar.
Vandaag
Nu zit ik hier met Riekje in haar huis, het is me gelukt om haar financiën te mogen regelen. Binnenkort verhuizen we naar Friesland. De revalidatie duurde niet eens zo heel lang. Er is weinig hoop op herstel. Lopen zal ze niet meer kunnen, haar oog is vervangen door een kunstoog en ze heeft nauwelijks spraakvermogen. Haar verstandelijk vermogen is nog redelijk goed. Ze weet dat ze totaal afhankelijk is van mij. Het trouwen gaat door, ze kon duidelijk maken dat ze het daar wel mee eens is.
Op schoot heb ik het album uit het verboden kastje. Een album met foto’s van mannen die op haar vader lijken. Ik kijk haar aan en weet dat als ze de kracht had, ze mijn keel dicht zou willen knijpen.
’We hebben nog heel wat op te ruimen in ons nieuwe huis zie ik, Riekje. Ik neem aan dat je de graafmachine goed wist te bedienen.’
Vanuit de rolstoel kijkt ze met een uitdrukkingsloos gezicht naar mij, het is niet in mijn belang om haar geheim te onthullen.
Binnenkort zullen we trouwen, lang zal ze niet meer leven.
Dit is een tweede versie van een verhaal dat hier te vinden is. Omdat het me niet lukte om deze versie daaronder te plakken, staat het op mijn blog.
Geef een reactie