Verhaal


  • Verbazing

    Bij binnenkomst ziet hij het meteen. Het beest is in de acht dagen van zijn afwezigheid verder gegroeid. Vanaf de eettafel kijken felle ogen hem uitdagend aan. Een stap richting de tafel was ruim een week geleden nog voldoende geweest om de kat te verjagen. Nu moet hij met zijn linkerhand in het nekvel grijpen om de tafel weer vrij te maken. Gelukkig is hij links niet gehavend.
    ‘Nee!’ zegt hij bezwerend.
    De kat schiet richting de vensterbank, om daar languit te gaan liggen.
    ‘Ik heb het een beetje opgegeven,’ zegt zijn vriendin, ‘er is geen beginnen meer aan.’
    De korte autorit en het in- en uitstappen hebben hem meer vermoeid, dan hij had verwacht. Het voelt als thuiskomen na een vakantie. Alles is hetzelfde en toch moet het huis zich weer gaan vormen naar zijn aanwezigheid.
    ‘Koffie?’
    ‘Lekker,’ antwoordt hij.
    Met stramme passen loopt hij naar de bank. Het zitten lukt. Met moeite. In pufjes blaast hij de steken weg. Hij kijkt om zich heen en stelt zich voor dat hij hier op bezoek is. De wandkast is volgestouwd met ongeordende stapeltjes boeken, post en tijdschriften, met allerhande spulletjes waaronder kinderspeeltjes. Een televisie trekt de aandacht naar het midden van de kast. Her en der staan bossen bloemen. Tulpen vooral, maar ook rozen en een groot gemengd boeket. De vloer verraadt nog meer kinderaanwezigheid.
    ‘Hier, de koffie. Ik moet even de was doen. Ga jij maar lekker genieten van je thuiskomst.’
    Zo zit hij alleen. De kinderen zijn buitenshuis. Hij neemt een slok koffie.
    De kat richt zich op, springt naar beneden en loopt over zijn voeten richting de tafel. De vacht strijkt langs zijn broek. Bij de tafel wordt een sprong voorbereid. De oren iets naar achter, de kop naar boven gericht, de heen en weer slaande staart en een kleine beweging achteruit.
    ‘Nee!’ zegt hij.
    Even kruisen de blikken elkaar weer. De kop wendt zich schijnbaar ongeïnteresseerd af. In een soepele beweging wordt de waarschuwing genegeerd. Met moeite schuift hij zijn billen naar de rand van de bank.
    ‘Nee!’ herhaalt hij zichzelf.
    Ook in het totale negeren vormt zich een herhaling. Voorzichtig zet hij één voet iets voor de andere en probeert alleen vanuit zijn benen op te staan. Een zwaard lijkt beurtelings in zijn schouder en in zijn ribbenkast te steken. Een steek erin, een kort moment van wrikken, zwaard eruit en dan de reeks opnieuw op de andere plek. Hij strijdt tegen pijn en principe. Toen de kat een half jaar geleden als kitten in huis werd toegestaan had hij het duidelijk gemaakt: niet op tafel, niet op het aanrecht en niet in de slaapkamer. De slaapkamer was meteen de eerste week al veroverd.
    ‘Nee!’
    Meteen de greep in het nekvel, de zwaai en het loslaten. In een soepele beweging sprint de kat de deur door en de trap op.
    Weer de bank, weer het zitten, weer het wegpuffen van de pijn.
    Hij is moe. Suf ook. Door de pijnstillers en de gebeurtenissen. Zijn gedachten dwalen af naar het tijdstip waarop er gaten in zijn geheugen zijn geslagen.

    ‘Weet u waar u bent?’
    Er hangen zeven gezichten boven hem, daarboven de regenwolken. Hij draait zijn hoofd naar rechts en ziet een bekend gebouw. Het lijkt alsof het gebouw danst in een zinderende lucht. Toch, in de winter zindert de lucht niet.
    ‘Ja, ik weet waar ik ben. Maar kunt u mij vertellen waarom ik hier ben? Dit is niet de weg naar mijn werk.’
    ‘Hoe voelt u zich?’
    Het ergert hem dat hij geen antwoord op zijn vraag krijgt.
    ‘Pijn,’ antwoordt hij.
    Dan een klein gat in zijn geheugen.
    ‘Ik ben arts. Ik wil er graag even bij. Het is verstandig als u meneer wat ruimte geeft.’

    Weer een gat in zijn geheugen. Vage beelden van een agente, die hem vragen stelt. De rit in de ambulance. Pijn. De milde vloekwoorden en de excuses, die hij er meteen achteraan nodeloos in de ruimte slingert. De EHBO. De eerste foto’s. De plotselinge verandering in sfeer. De versnelde pas om hem heen.
    ‘Meneer, u heeft zoveel gebroken, dat u waarschijnlijk ook zoveel pijn heeft, dat we niet zeker weten of u alle verwondingen goed voelt.’
    Zijn hoofd wordt stevig vastgehouden en hij krijgt een kraag om zijn nek.
    ‘We moeten u overleggen om een CT-scan te kunnen maken. Bent u claustrofobisch?’
    Met hulp draait hij op zijn linkerzij. Een draagmat wordt onder hem geschoven.
    ‘Op drie. Eén, twee, drie.’
    Pijn. Constante pijn, met een paar uitschieters, die in deze storm nauwelijks de felheid nog verder weten aan te jagen.
    De scan. De uitslag. De telefoontjes in dronkenmanspraat. De rit in een bed naar het zetten van een ruggenprik. De prik zelf. De Medium Care. De andere afdelingen. De bezoekers. Het ontslag.
    De herinneringen buitelen over elkaar heen. Soms chronologisch, meestal niet. De gaten, blijven gaten.

    Een doffe plof brengt hem terug in de kamer. De kat zit op het aanrecht van de open keuken. Even overweegt hij om op te staan. Het draaien van zijn hoofd doet hem al zeer. Hij is te vaak in beweging geweest. Roepen lijkt hem op dit moment nutteloos. De kat keurt hem geen blik waardig.
    Acht dagen, denkt hij, en zoveel gebeurd. Ik had dood kunnen zijn.
    Vanuit de keuken hoort hij hoe de kat op hem afloopt. Hij springt op de bank en kruipt al spinnend op schoot. Opnieuw stelt hij zich voor hier op bezoek te zijn. Even alleen in de kamer, met een vreemde kat op schoot. Wachtend op de gastvrouw. Denken in de derde persoon enkelvoud, creëert een tijdelijke afstand van de situatie. Een welkome afstand.

    Terwijl ik de kat aai, weet ik dat ik nog veel zal moeten heroveren.


  • De overname (2)

    (Soms blijf je schaven aan een verhaal. Vandaar een tweede versie.)

    De sneeuw waait aangejaagd door een harde wind tegen mijn gezicht. De kou kruipt door mijn kleren. Banden hebben hun sporen door de verse sneeuw getrokken en leiden naar de auto die tegen een pui tot stilstand is gekomen. Ik loop bij de auto vandaan. Het is mijn auto niet. Niet mijn probleem.
    Ik ben hier eerder geweest, lang geleden. Aan het eind van de straat zie ik een gebouw dat me vaag bekend voorkomt. Hier moet ik zijn, mijn intuïtie laat me nooit in de steek.
    Ik ben handelaar in onroerend goed en op zoek naar een nieuw pand, dat ik tegen een hoge prijs kan verhuren.
    Ik loop op de deur af.

    Ben zo terug staat er op het papiertje dat op de ruit is geplakt.
    Ik kijk naar binnen en zie een oude man achter de toonbank staan. Hij staat met zijn rug naar mij toe. Ik besluit het berichtje te negeren.
    Bij het binnengaan verwacht ik gekraak, maar de deur gaat makkelijk open. De ouderwetse winkelbel rinkelt en valt dan van zijn veer, vlak voor mijn voeten.

    ‘Goddondersnogaantoe!’
    Hoewel ik niet geraakt ben, voel ik me licht in mijn hoofd. De vochtige geur van een brandende gaskachel, vermengd met de geur van lang liggend, opgewarmd stof, dringt mijn neus binnen.
    Langzaam draait de man zich om.
    ‘Ja, ja,’ zegt hij.
    Hij kijkt me vriendelijk aan. Zijn reactie brengt me van mijn stuk.
    Een gevoel van woede flitst door mijn lijf.
    Doe normaal jij! denk ik. Je ziet zelf toch ook wat er gebeurd! Kan je geen sorry zeggen of op zijn minst vragen hoe het met me gaat? Wat een oude zooi hang je aan je deur. Ik had wel gewond kunnen raken! Of nog erger!
    Ik verbijt mijn woede en het lukt me met moeite mijn mond te houden, omdat ik weet dat het me zal helpen om mijn doel te bereiken.
    Ik haal diep adem, onderdruk een kuch, en loop naar de toonbank. Achter de man zie ik kasten vol snoepgoed. Gewoonlijk kom ik direct ter zake, maar hij is me voor.
    ‘Zoet of zuur?’
    Verdwaasd kijk ik hem aan.
    Is hij gek? Een seniele oude vent? Dat zou bij de onderhandelingen zeker in mijn voordeel zijn. Hoe kan ik hem het best benaderen?
    Ik neem aan dat hij de eigenaar van het gebouw is.
    ‘U lijkt me een zuur type,’ zegt hij, ‘Hier neem deze maar.’
    Hij graait in een pot en houdt me een zuurtje voor. Zijn glimlach is zacht, maar zijn uitgestoken hand verraadt een man die geen tegenspraak duldt.
    Is hij echt gek of is hij gewend zijn wil aan anderen op te leggen?
    Zijn ogen kijken me onafgebroken aan. Ik kijk terug.
    Niet wegkijken nu. Wie het eerst wegkijkt toont zijn zwakte. Vroeger hadden we zuurtjes in de auto, als we op vakantie gingen. In een blikje. Hoe smaken ze ook alweer? Welk zuurtje heeft hij eigenlijk in zijn hand?
    Ik kijk naar zijn hand.
    Verdomme, denk ik, eerste slag verloren.
    Weer flitst woede door mijn lijf.
    Ik neem het zuurtje aan en steek het net iets te gejaagd in mijn mond. Terwijl ik het snoepgoed door mijn mond laat gaan, kijk ik de winkel rond. Het is er niet ruim. Een sigarenboer, een telefoonzaak of een tijdschriftenwinkel zouden hier passen. Snoepwinkels zijn niet meer winstgevend. Eventueel een shoarmazaakje of een afhaalpizzeria. Oud hout en spinnenwebben. De man en ik blijven zwijgen. Daarnet keek ik het eerste weg, maar nu zal hij als eerste de stilte doorbreken. Daarmee zal ik hem mijn kracht tonen.
    Op het moment dat de zoete buitenlaag in mijn mond door het zuur verdrongen wordt, gaat een telefoon. De man laat hem gaan. Een extra bel versterkt het geluid. Ik houd niet van harde geluiden.
    ‘Moet je niet opnemen?’ vraag ik hem.
    Shit, tweede slag verloren. Zelf het zwijgen doorbroken.
    ‘Ja, natuurlijk,’ zegt hij.
    Hij neemt tergend langzaam de hoorn op, zet hem aan zijn oor, luistert zonder iets te zeggen en geeft de hoorn aan mij.
    ‘Voor u.’
    De situatie is zo absurd, dat ik zonder vragen de hoorn overneem.
    ‘We hebben een probleem,’ hoor ik nog voordat ik mijn naam genoemd heb.
    Ik herken de stem.
    ‘Wat voor een probleem, Harry?’
    Harry antwoord niet.
    ‘Wat voor een probleem, Harry?’ hoor ik een andere stem mijn woorden herhalen.
    Het is Johnny.
    ‘Er is een onderzoek gestart,’ vervolgt Harry.
    ‘Onderzoek waarnaar?’
    ‘Witwassen en afpersing. Ik had hem gewaarschuwd.’
    Ik ben midden in een telefoongesprek beland en kan alleen toehoren.
    Ja het klopt, Harry had mij inderdaad gewaarschuwd. De aanscherping van de wet- en regelgeving en met name de controle daarop, had al meerdere collega’s tegen de lamp laten lopen. In mijn werkkring is de grens tussen legaal en illegaal dun en over het algemeen bevind ik me aan de kant waar de wetgevers mij niet graag willen zien. Harry is de man die ervoor zorgt dat de juiste mensen op tijd wegkijken. Soms met geld, soms met geweld, maar altijd effectief. Johnny helpt hem daarbij.
    ‘Hoe ga je dit oplossen Harry?’
    ‘Ik weet het niet. Ik krijg hem niet te pakken. Normaal is hij goed bereikbaar, maar nu niet.’
    Terwijl ik Harry aanhoor blijft de man mij onafgebroken vriendelijk aankijken. Hij staat onbeweeglijk. Zijn ogen lijken mij te doorboren. Ik voel me er ongemakkelijk bij en draai me van hem af.
    Hoe kan het dat hij een telefoongesprek doorgeschakeld krijgt, dat over mij gaat?
    Het idee dat ik misschien bang voor hem ben, schuif ik direct terzijde. Hij ergert me. Hij is te rustig, te vreemd. De hele situatie ergert mij.
    Hij moet oppassen, die vent. Ik doe hem wat aan! Als hij zo doorgaat steek ik hem neer. Niemand die het nu merkt. Kloothommel. Ik heb ze voor minder gestoken. Ik ken de plekken waar het optimaal zeer doet.
    Het mes zit in mijn rechterjaszak, maar met rechts heb ik ook de hoorn vast.
    ‘Is er dit keer wel een oplossing, denk je?’ vervolgt Johnny.
    ‘Ik vraag het me af. Dit keer kan ik alleen proberen de schade te beperken.’
    ”Dat zal hij niet …’
    Ik slik het zuurtje door, de verbinding valt weg.

    ‘Je zou het kunnen doen,’ zegt de man vanachter de toonbank.
    ‘Wat?’
    ‘Het mes.’
    ‘Welk mes?’
    ‘Ik was ook goed met messen, toen ik jonger was. Eentje is een keer te lang aan mijn mes blijven hangen, daar moet ik nog steeds voor boeten.’
    ‘Wat wil je zeggen, dat ik bang voor je moet zijn?’
    ‘Ja, ja,’ zegt hij, ‘nog maar een zuurtje.’
    Hij is echt gek! Wat weet hij van mijn mes? Zou hij helderziend zijn? Zou hij echt iemand aan het mes geregen hebben? Nu niet in mijn kaarten laten kijken! Speel het spel mee! Pak het maar aan. Het is warm hier. Misschien kan ik beter weggaan. Weg van die mafketel. Ik kan hem nog steeds neersteken. Nee, niet aan denken nu. Denk aan iets anders. Straks kan hij echt gedachten lezen. Neem het zuurtje aan.
    Bijna meteen nadat ik het zuurtje in mijn mond steek, trekt mijn mond samen, een golf zuur verspreidt zich. Met moeite slik ik het opkomende speeksel weg.
    De man bukt, mijn hand schiet naar mijn jaszak. Hij staat rustig op en heeft een krant in zijn hand, die hij met een kleine boog voor me op het hout gooit.
    Blijf rustig. Doe niet zo angstig. Herpak je, lul die je bent!
    Ik kijk naar de pagina voor me.

    Slachtoffer bij brand in snoepwinkel, staat er boven een artikel. Ik herken de winkel.
    Verdomme. Het is deze winkel, op een andere plek in een andere tijd. Nu weet ik het weer. De vorm die ik buiten herkende. De eigenaar wilde niet verkopen. Waar ben ik beland?
    Het was één van de eerste zaken waar ik mijn zinnen op had gezet, maar de eigenaar weigerde te verkopen. Hij reageerde agressief, wilde me zelfs aanvliegen, maar ook toen liet ik al niet over me heen lopen. Ik dacht dat een brandende lap stof door zijn brievenbus hem wel op andere gedachten zou brengen. Wist ik veel dat de winkel maar één in- en uitgang had. De man was zelf ook niet brandschoon. Hij had zijn weegschaal gemanipuleerd en was altijd net door zijn centen heen, zodat de prijzen op stuivers naar boven afgerond moesten worden.

    Vanachter de toonbank zie ik de glimlach van de oude man groter worden, tot ik vooral een rij ontblote tanden zie. Het vlees van zijn lippen trekt letterlijk weg, de huid op zijn gezicht verandert van een gezonde, naar verbrande huid.

    ‘Ja, ja en nu het zoet.’
    Hij is het! Verdomme. Niet alleen manipulatie en oplichting. Hij is net als mij. Beide weten we wat doden is. Wat gebeurt er met me? Ik moet hier weg!
    Mijn benen weigeren iedere medewerking.
    Hij houdt me een roomboterbabbelaar voor. Een vreemde kracht stuurt mijn arm, mijn hand, mijn lichaam.
    Ik wil dit niet! Ik moet mijn mond dichthouden. Die babbelaar mag ik niet nemen! Doe het niet! Help! Nee, niet in mijn mond! Nee!
    Het lukt me niet. Ik proef de zoete smaak. Een heerlijk zoete smaak.
    Vind dit vies! Walg hier van! Gadver, het is lekker. Zijn hier meer van? Nee, niet aan denken! Denk het weg. Heerlijk. Meer!
    De man opent de klep in de toonbank.
    ‘Kom verder.’
    We wisselen van plek.
    ‘Veel plezier de komende tijd. Je zult er heus aan wennen.’
    Hij trekt een jas aan, doet een das om en loopt naar de deur.
    Langs hem heen zie ik hoe de brandweer buiten een lichaam vanonder de auto wegtrekt. Het is mijn lichaam. Een ambulance staat klaar.

    ‘Laat het briefje maar hangen. Er komt vast wel iemand die nog een schuld bij jou heeft uitstaan.’

    Voordat hij de deur geopend heeft, is de man al verdwenen.


  • De overname

    Ben zo terug staat er op het papiertje dat scheef aan de binnenkant van de ruit geplakt is. Zowel het papiertje als het plakband is vergeeld en als ik door het glas kijk zie ik een oude man scharrelen achter de toonbank.
    De sneeuw waait aangejaagd door een harde wind hinderlijk tegen mijn gezicht. De kou kruipt door mijn kleren. Door de weersomstandigheden heeft geen mens zich op straat gewaagd.
    Bij het binnengaan had ik gekraak verwacht, maar de deur gaat met een redelijk gemak open, de vochtige geur van een brandende gaskachel vermengd met de geur van lang liggend stof slaat in mijn gezicht. De ouderwetse winkelbel rinkelt één keer en valt dan van zijn veer naar beneden recht op mijn hoofd.
    ‘Auw! Goddondersnogaantoe!’
    Ik grijp naar mijn hoofd en voel dat zich al een bult aan het vormen is. Eigenlijk zou ik de man aan moeten klagen, maar ik heb hem nodig. Ik wil dit pand. Dit pand op deze plek aan het eind van de winkelstraat, juist nu. In deze stad heb ik nog geen winkelruimte in mijn bezit. De sneeuwstorm heeft mij niet weerhouden om op weg te gaan. Ik heb voor hetere vuren gestaan.
    ‘Ja, ja,’ zegt de man en zwijgt.
    Hij kijkt me vriendelijk aan. Ik loop naar de toonbank, daarachter zie ik kasten vol snoepgoed en drop. Het kan niet anders dan dat deze man forse verliezen lijdt, dat zal in mijn voordeel zijn. Meestal kies ik de frontale aanval, maar hij is me voor.
    ‘Zoet of zuur?’
    Verdwaasd kijk ik hem aan. Is hij gek? Een seniele oude vent? Dat zou zeker in mijn voordeel zijn.
    ‘U lijkt me een zuur type. Hier neem deze maar.’
    Hij graait in een pot en houdt me een zuurtje voor. Zijn glimlach is zacht, maar zijn uitgestoken hand en de manier waarop hij staat maakt dat ik het niet durf af te slaan. Op het moment dat de zoete buitenlaag in mijn mond door het zuur verdongen wordt, gaat mijn telefoon.
    ‘We hebben een probleem,’ hoor ik nog voordat ik mijn naam genoemd heb. De beller ratelt door:
    ‘Er is een onderzoek gestart naar intimidatie, witwassen en afpersing. Jij bent in beeld hiervoor. Neem zo snel mogelijk contact op met je advocaat. Het zal er hard aan toegaan. Ik hoop alleen dat ze het sterfgeval nog niet in het onderzoek hebben meegenomen.’
    Terwijl ik de monoloog aanhoor blijft de man mij onafgebroken vriendelijk aankijken. Het ergert me. Het mes zit in mijn rechterjaszak, maar met rechts heb ik mijn telefoon ook vast. Ik slik het zuurtje door, de verbinding valt weg.
    ‘Je zou het kunnen doen,’ zegt hij.
    ‘Wat?’
    ‘Het mes.’
    ‘Welk mes?’
    ‘Ja, ja,’ zegt hij, ‘nog maar een zuurtje.’
    Ik herken mezelf amper in de handelingen die ik verricht. Het mes laat ik op zijn plek en weer neem ik het etenswaar aan. Ditmaal trekt mijn mond meteen samen van een golf aan zuur. Met moeite slik ik het opkomende speeksel weg.
    De man bukt en pakt een krant, die hij met een kleine boog voor me op het hout gooit.
    Slachtoffer bij brand in snoepwinkel, staat er boven een artikel. Ik herken de winkel. Het was de eerste zaak waar ik mijn zinnen op had gezet, maar de eigenaar weigerde te verkopen. Ik dacht dat een brandende lap stof door zijn brievenbus hem wel op andere gedachten zou brengen. Later werkte dat bij anderen wel, soms moest ik nog wat meer aansporende tactieken gebruiken. Wist ik veel dat de winkel maar één in- en uitgang had. Bovendien was de man zelf ook niet brandschoon. Hij had zijn weegschaal gemanipuleerd en was altijd net door zijn centen heen, zodat de prijzen op stuivers naar boven afgerond moesten worden.
    Vanachter de toonbank zie ik de glimlach van de man groter worden, tot ik vooral een rij ontblote tanden zie. Het vlees van zijn lippen trekt letterlijk weg, zijn gezicht is bekleed met verbrand huid.
    ‘Ja, ja en nu het zoet.’
    Hij houdt me een roomboterbabbelaar voor. Ik kan hem niet weigeren, ik word geleid door duistere krachten. De man opent de klep in de toonbank.
    ‘Kom verder.’
    We wisselen van plek.
    ‘Veel plezier de komende tijd. Je zult er heus aan wennen.’
    Hij trekt een jas aan, doet een das om en loopt naar de deur.
    ‘Laat het briefje maar hangen. Er komt vanzelf iemand die nog een schuld bij jou heeft uitstaan.’


  • Mank gaan

    ‘Jongen ga terug, je hoort hier niet!’
    Mijn opa praat gehaast, tante Maartje staat zwijgend naast hem.
    ‘Zoek hulp. Snel!’
    Tante en opa zijn dood en ik lig in de sneeuw. Ik zie mezelf liggen. Mijn ogen dicht. De fiets naast me. Een opengevallen plastic bak met erwtensoep. Sporen van autobanden. Rakker draait rondjes om mij heen, zijn staart kwispelt onophoudelijk.
    ‘Maar opa, hoe kan ik dan terug? Ik sta al bij jou en tante Maartje.’
    ‘Maak gebruik van je kracht en je vrienden.’
    Mijn vrienden: Jan en Jules. Iedereen kent ons. Vooral gekke Gerrit. Als we langs zijn huis rijden, gooien we van alles naar zijn ruiten. Steentjes, voorgekauwd brood en laatst nog in ketchup gedrenkte tampons, die Jules van zijn oudere zus weg had gejat.
    ‘Kom eens hier jongens!’ roept Gerrit steeds, al strompelend op zijn stramme benen.
    Zijn huis staat iets van het dorp af en zijn tuin is een rommeltje. Verroest ijzer overwoekerd door allerlei planten.
    ‘Hoe kan ik mijn vrienden dan gebruiken?’
    ‘Je vrienden hoeven niet altijd de mensen te zijn,’ zegt tante met een glimlach.
    Ze kijkt naar mijn hond, hij likt wanhopig over mijn gezicht.
    ‘Toe maar,’ zegt opa en knikt bemoedigend met zijn hoofd.
    Ik concentreer me op Rakker en voel hoe ik naar hem toegetrokken word. Weer zie ik mezelf liggen, maar nu vanuit een veel lager perspectief. Door de ogen van Rakker.
    Ik neem een besluit: Jules!

    Zo snel ik kan ren ik naar zijn huis. Als ik langs gekke Gerrit kom maak ik me zo klein mogelijk. Na enkele minuten rennen ga ik bij Jules via de poort de achtertuin in en kom bij de keukendeur. Hoewel we al drie jaar vrienden zijn, werp ik voor het eerst een blik op de huiskamer.
    Het gezin zit aan tafel, de kaarsen branden en de maaltijd wordt net opgediend. Onder de kerstboom staan mooi ingepakte cadeaus klaar om later op de avond uitgepakt te worden. Wij hebben geen kerstboom, we eten erwtensoep met roggebrood. De soep heb ik net gehaald bij de familie Harmsen, van de boerderij. Mama heeft het huis versierd met hulsttakken.
    Ik spring tegen de deur aan, de vader van Jules heeft me snel in de gaten. Als hij de deur opent komen mijn woorden er in een luid geblaf uit. Jules’ vader stapt op me af.
    ‘Vieze rothond, scheer je weg!’
    Hij geeft me een schop tegen mijn achterlijf en terwijl ik wegren gooit hij nog een stuk hout achter mij aan. Op de achtergrond hoor ik het luide gelach van Jules.
    ‘Dat is dat schurftbeest van Joris!’

    Langzaam voel ik mijn leven wegzakken. Mijn poten voelen zwaar.

    Ik weet waar Jan ongeveer woont. Hij heeft het mij verteld, derde afslag links na de oude watertoren bij de Jaguar op de oprit. Het huis vind ik makkelijk, de auto valt in het niet bij de woning waar hij naast staat. Als ik de oprit opvlieg bots ik tegen de wagen, het alarm slaat direct aan. Terwijl ik versuft bijkom van de hoge tonen vliegt de voordeur open. Ook nu stormt een vader naar buiten, in zijn handen houdt hij een honkbalknuppel en zijn ogen kijken woest in het rond.
    Voordat de knuppel naar mij opgeheven wordt vlucht ik alweer weg.

    Mijn eigen huis is te ver weg, ik moet terug. Als er niet snel iets gebeurt, zal ik sterven. Desnoods moet ik op mijn eigen lichaam gaan liggen om niet te bevriezen. Ik ben moe, zo moe. Ik voel dat ik bijna uit het lijf van Rakker treed. Weer moet ik langs gekke Gerrit, weer maak ik me klein.
    ‘Schhhhhh!’
    Een kat springt plotseling luid blazend op mij af, van schrik spring ik door een opening in de heg. Mijn voorpoot raakt beklemd in iets dat op een fietswiel lijkt. Ik schreeuw het uit en kan niet meer stoppen met jammeren. Gerrit komt naar buiten. Hij heeft een dikke deken om zijn schouders geslagen en loopt op dikke sokken. Ik krimp ineen van angst.
    ‘Wat scheelt er jong?’
    Het lijkt er bijna op dat hij weet dat ik geen hond ben.
    ‘Kom maar eens hier, dan bekijken we de schade even.’
    Voorzichtig haalt hij mijn poot los. Zodra ik bevrijd ben ontworstel ik me aan zijn zachte grip.
    ‘Rustig maar jochie, ik doe je niks.’
    ‘Kom mee, kom mee!’ blaf ik naar hem en ik zet mijn tanden voorzichtig in zijn deken.
    ‘Niet te hard jong. Mijn benen zijn niet meer zo snel.’
    Toch loopt hij achter me aan en even later ziet hij mijn fiets, mijn plastic bak erwtensoep en mij. Daarna ben ik het kwijt.

    ‘Joris, Joris, hoor je me?’
    Ik word wakker. Mijn bed. Mijn kamer. Mijn hoofd knalt uit elkaar van de pijn. Moeder glimlacht naar me.

    ‘Je mag meneer Teunissen en Rakker wel dankbaar zijn,’ zegt ze een paar dagen later tegen me.
    De week daarop besluit ik meneer Gerrit Teunissen te gaan bedanken. Jules en Jan heb ik nog niet gezien. Ik zet me over al mijn schaamtegevoel heen. Als ik het pad naar de voordeur oploop zie ik dokter Jager naar buiten stappen.
    ‘Wat kom jij hier doen, Joris?’
    ‘Meneer Teunissen bedanken.’
    ‘Dat zal niet meer gaan jongen.’
    De arts loopt door en laat mij in vertwijfeling achter.
    ‘Het is zijn tijd,’ hoor ik naast me.
    Ik zie opa, die vervolgt:
    ‘Geloof me, meneer Teunissen heeft het goed.’
    Ik volg de blik van opa. Van een afstandje zie ik tante Maartje arm in arm met meneer Teunissen de tuin uitlopen.


  • Wederkeren

    ‘Ja, ik ben schuldig.’
    Ik kijk naar haar foto. Toen ze werd geboren huilde ik.
    Een tik van mijn vinger laat het lijstje achterover tuimelen.
    ‘Meer dan schuldig.’
    De holle klank van de kamer houdt mij gezelschap. Als ik terugzak in de stoel reflecteert het licht op de fijne stofdeeltjes die door de kamer wervelen. Schaamte woelt door mijn lichaam. Het glas in mijn hand is snel bijgevuld. De telefoon werp ik tegen de muur.

    De deur, waar is de deur? Verdomme, waar is de doorgang naar buiten? Waar is de verbinding naar de wereld die de mijne niet meer is? Waarom overkomt mij dit? Waarom laat ik dit toe? Ik raak het kwijt. Het gaat te snel.

    De geur van verwelkte bloemen hangt in de kamer, hij komt vanaf de tafel.
    Ik hou van papa, staat er in haar kinderhandschrift op het kaartje aan de bos.
    Ze kwam naar beneden op het hoogtepunt van onze ruzie.

    ‘Papa, kom je nog voorlezen?’
    De verwijten die we al een uur naar elkaars hoofd slingerden, vielen langzaam naar beneden in een deken van wegstervend geluid. Ze moest ons schreeuwen hebben gehoord. Ze moest weten dat we volop aan het strijden waren. Ze moest aan kunnen voelen dat dit moment –juist dit moment- het minst geschikte moment was om naar beneden te komen. Toch kwam ze naar beneden alsof er niets aan de hand was. Ze vroeg om voorgelezen te worden.
    Voorlezen, dacht ik, het kind is gek geworden. Voorlezen maakt alles goed, de stem van een ouder die via een verhaal duidelijk maakt dat het kwaad te bestrijden is. Maar hier was niets goed, het kwaad was in volle omvang aanwezig. De wereld was voorgoed onveilig.
    Haar onschuldige houding daagde de demonen uit. Vanaf de vloer leken de schadelijke woorden zich weer op te richten. Ze kropen langs mijn benen omhoog, twijfelden bij mijn buik, maar besloten zonder mededogen hun weg te vervolgen om tenslotte mijn mond te bereiken. De stilte vulde zich met redeloze woede, die uitbarstte in een stem die ik nauwelijks van mezelf herkende.
    ‘En zij dan, hoelang weet zij het al!’
    Mijn blik bleef gericht op haar moeder terwijl mijn wijsvinger ruw tegen de slaap van het kinderhoofdje prikte.
    ‘Hou daarmee op, je doet haar pijn! Zij weet niets!’
    ‘Papa, stop!’
    Mijn vingers vormden zich tot een platte hand en haalde uit naar de enige persoon die vrij van schuld was.
    Terwijl ze languit op de grond lag, viel de stilte voor de tweede keer neer. Ik vertrok en kon niet meer terug.

    Mijn ogen speuren naar de tafel, de bloemen en het kaartje. Ik vind ze niet.

    Mijn dochter blijft mijn dochter, ookal blijken we niet genetisch verwant. Vaderschap is niet alleen gebaseerd op eigen vlees en bloed. Als er iemand is waar ik onvoorwaardelijk van hou, dan is zij het.
    ‘Snel je kleren aan. Straks mist de juf je nog.’
    ‘Mag ik je hand, papa?’
    ‘Natuurlijk schatje.’
    ‘Kijk je goed uit bij het oversteken?’
    ‘Ja papa, ik kan al heel goed fietsen.’
    ‘Ik wil kleurenhagels op mijn brood en ik eet vandaag geen korstjes.’
    De eerste zwemlessen.
    ‘Ik ben al helemaal gewend aan de zwemmeester, papa.’
    De verjaardagsfeestjes waarbij ik achter de poppenkast kroop. De lachende vriendinnetjes.
    De avonden.
    ‘Ik zoek zelf wel een boekje uit.’
    ‘Ga je dan ook zelf voorlezen?’
    ‘Ik kan het wel lezen hoor, maar nog niet praten. Lees jij maar voor.’
    ‘Lekker slapen meisje.’
    ‘Welterusten papa. Ik ga je nu al missen.’
    ‘Droom maar lekker van ons samen.’

    Het gezicht van mijn dochter kijkt me vanuit het lijstje beschuldigend aan, zelfs liggend. Ik ontkom niet aan de ogen, die me bij elke beweging volgen.
    Het is onmogelijk dat ze nog van mij kan houden. Langzaam zie ik de afdruk van mijn hand op haar gezicht verschijnen. Ze huilt niet, ze veracht me.
    ‘Blijf bij me’, fluister ik haar toe.
    Het helpt niet. De foto verdwijnt terwijl ik er naar kijk.

    ‘Kan ik met haar praten?’
    Een kwartier geleden probeerde ik haar te bellen.
    ‘Ze wil je niet spreken, het is er nu de tijd nog niet voor. Dring je nu maar niet op.’
    ‘Kan ze dan alleen luisteren?’
    Zwijgend werd de verbinding verbroken.

    ‘Het vuur was weg, dat weet je zelf ook wel’, had mijn vrouw eerder gezegd.
    Echt vuur was er nooit geweest. Ze was er bijna nooit. Toch voelde ik me veilig in onze relatie. Het was prima zo.
    Toen kwam zij. Een klein mens afhankelijk van mijn zorg. Er was direct een verbondenheid en ik wist dat wij hecht in elkaars gedachten zouden vergroeien.
    In één ruk is dat verbond uit elkaar gerukt.

    Ze is bezig alle herinnering aan mij te wissen, ik voel hoe ze mij stukje bij beetje uit het leven verdrijft.

    Ik vul mijn glas met het laatste restje drank en zet de fles neer. Zeven lege flessen staan er naast me op de grond. Langzaam vervagen de muren. De ramen verdwijnen. Het grote Niets rukt op als een onzichtbaar, allesverslindend monster.
    Dit is mijn straf.
    Ik denk niet meer. Ik zie alleen nog het wervelende stof. Alleen maar stof.






    Dit verhaal haalde de shortlist van de wedstrijd ‘Voorlezen maakt alles…’ van literairwerk.nl. Op die site is ook de ontwikkeling van dit verhaal te volgen via de verschillende versies. Deze zijn via de tabbladen hier te lezen.