ik gooi mijn ogen hoog
en dub en dobbel in de verste verte
en terwijl ze vallen
in razend tempo
red ik mij
door mijn blik te haken
aan wat mij het naaste staat
zo zie ik mezelf
met eigen ogen
door een ander
en breng me tot mezelf
ik gooi mijn ogen hoog
en dub en dobbel in de verste verte
en terwijl ze vallen
in razend tempo
red ik mij
door mijn blik te haken
aan wat mij het naaste staat
zo zie ik mezelf
met eigen ogen
door een ander
en breng me tot mezelf
Het ware wolge waterweer
is knetter kater keltiseer
om nimmer navel novinant
te branden boven Bestenband
Doch alder arme avondrood
zal slochter slijmen soverdood
Met drachter dominante dijm
te razen rover rampenrijm
Nog een paar dagen en dan wordt hij vijf jaar. Hij zit in zijn Bob de Bouwer en Knuffel fase. Alles krijgt een verwijzing naar Bob of Knuffel.
“Hoe was het vandaag op school?”
“Het was heel erg Bob de Bouwerachtig en Knuffel was er niet eens bij.”
Het valt te raden wat hij voor zijn verjaardag wil.
“Ga je straks mee naar de winkel?”
“Alleen als Bob de Bouwer het dak heeft dichtgespijkerd. Enne mag Knuffel ook mee?”
Toch wil ik het zeker weten.
“Wat wil je nu eigenlijk voor je verjaardag?”
Hij kijkt zijn hoogzwangere -bijna uitgerekende- moeder aan.
Zijn gezicht betrekt. Je ziet hem denken.
Dan schreeuwt hij in paniek:
“Ik wíl géén baby voor mijn verjaardag!”
“Kijk daar komt het pontje!”
De regen valt met bakken en de wind waait stevig. Het bootje blijft verbazingwekkend stabiel op het water liggen.
“Papa! Ik heb gezeild!”, roept hij nog voor hij van boord is. De rolstoel wordt op de steiger getild.
“Ik zeil al heel lang, maar zelfs ik vond het heftig. Zo schuin! Maar voor hem kon het niet schuin genoeg.”, zegt zijn juf.
We zagen behoorlijk op tegen dit schoolkamp van twee dagen. Varen alleen al en dan die storm erbij. Overnachten op een eilandje. Gelukkig ging het goed.
Om op te warmen duiken we het café aan de overkant in.
“Help, help ik val!”, schreeuwt hij als ik de rolstoel voorzichtig over de drempel duw.
“Hoe is het met je keel? Je klinkt anders.”
“Goed ma. De dokter heeft gezegd dat mijn oude stem nooit helemaal terugkomt.”
De Moeder belt elke week minimaal drie keer. Ze heeft geen vaste dagen of uren waarop ze belt. Dat maakt haar interessant. Het kost me veel tijd, maar het levert ook meer op. Een goede intake is belangrijk én geloofwaardig overkomen.
“Wanneer kom je weer eens langs meisje?”
“Je weet dat ik het druk heb ma. Wacht, even mijn andere telefoon aannemen.”
Terwijl ik soepel overga op de tweede inkomende lijn bedenk ik dat de rekeningen er weer uit moeten.
Het blijkt een gat in de markt:
“Belbegeleidingsdienst Dochterszaken:
Wij spreken uw moeder alsof u het zelf bent.”