“Hallo.”, groet hij iedereen die te lang naar hem of zijn rolstoel kijkt.
Hij wacht bij de accordeonist als ik een karretje pak.
We gaan de winkel in.
Meestal blijft hij bij het magazijn naast de flesseninname staan. Medewerkers lopen regelmatig heen en weer. Genoeg te zien.
Als ik alles heb gaan we richting de kassa.
Ik zet hem bij de uitgang naast de schuifdeuren. Ondertussen reken ik af.
Buiten staan de kinderen die wachten op mensen die spaarkaarten of -poppetjes weggeven. Zij mogen niet binnenkomen.
“Kijk eens jongetje voor jou.”, hoor ik iemand zeggen.
Ik zie dat meer mensen hem wat gegeven hebben. Hij zegt netjes dankjewel.
Het is oneerlijke concurentie. Ik zeg maar niet dat hij niets spaart.
Alles chronologisch
-
Binnenlopen.
-
Schijn behouden (voor J weet wel)
Zonder energie
Somber energie
Matglans
Glansloos
KansloosSchijn houden
Oppotten
en bewaren
Sparen
Tot de lente
Warmen
Omarmen
ZonneschijnStralen
Verdwalen
Verdelen
Helen
Behouden
Onthouden
Weten
Nooit vergeten
Kriebel
Giebel
Wenteling
TintelingSterkte
En veel geduld -
Voor het volk.
Een militair op een podium die op zijn trompet met een serieus gezicht de Can Can speelt. We leven in een bijzonder land.
In het publiek staat een generaal. Hij ziet geen aanleiding om in te grijpen.
Bij de herhaling van het couplet zingt het voltallige publiek een zelfverzonnen tekst met de melodie mee. Vrouwen in de leeftijd tussen de dertig jaar en begin veertig zingen van alle aanwezigen het meest enthousiast.
Als de laatste tonen zijn uitgespeeld volgt een daverend applaus en een luid gejoel.
De soldaat glundert. Terecht. Alleen hijzelf heeft de missertjes opgemerkt. De anderen vonden het foutloos. De trompet wordt opgeborgen.
Snel vormt zich een rij. De soldaat is mijn zoon van elf. Het is carnaval. -
Niet te verwoorden.
Twee dagen logeren bij opa en oma. Hij heeft er zin in.
“Hee papa, knuffel gaat mee en we gaan ook nog auto’s kijken.”
Hij stopt niet met praten. Ondertussen wordt hij in de aangepaste autostoel gezet. Zijn lijf en armen zwaaien door het plezier alle kanten op.
Het portier klapt dicht. Alles is gereed voor de reis. Zijn hoofd verkrampt, het praten stopt. Plots zie ik zijn vingers langs de deurlijst doorsteken. Pas bij het openen begint hij onbedaarlijk te huilen.
“Ik wil naar bed. Ik ben zo moe!”, praathuilt hij.
“Waar doet het zeer?”
“Ik was eigenlijk de hele tijd al moe!”
Gelukkig mankeert er niets aan zijn vingers. Woorden geven aan zijn gevoel lukt hem helaas niet. -
14 februari
noem mij alles
lief, schat, kerel mijn
bedenk de stomste woorden
maar gebruik geen Valentijn
omdat ik voor jou altijd
een bekende naam wil zijn
