Alles chronologisch

  • Uit de kast.

    In Januari liep op www.imazed.nl een schrijfwedstrijd. De terechte winnaar vind je hier.
    Hadeke heeft ook een verhaal ingezonden. Een verhaal van rond de 800 woorden.
    De opdracht was om een kort verhaal te schrijven met als thema Surpriseparty going wrong. Daarnaast moesten er drie items in voorkomen: koffiebonen, een treinkaartje en een opgevoerde scooter.
    De inzending van Hadeke staat hieronder. Het verhaal is ten opzichte van de inzending gewijzigd op een paar details.

    Uit de kast.

    De Baganda gebruiken het bij hun bloedbroederceremonie. De twee bonen uit de Robusta koffiebes. Ooit heb ik het in een oude encyclopedie gelezen en daarna heb ik er mijn eigen ceremonie omheen bedacht. De naam Robusta sprak mij meteen aan. Ook de gedachten aan bloedbroeders en een Afrikaanse bevolkingsgroep maakte een grote indruk. Pas later bedacht ik er de mannelijkheid bij. Twee bonen, dat lag voor de hand. Misschien was dat al een eerste aanwijzing.
    De ceremonie is vrij simpel. Er zijn een aantal belangrijke voorwaarden: het moet buiten donker zijn, er branden kaarsen, er is een speld, er zijn -bij gebrek aan koffiebessen- twee gebrandde koffiebonen en alleen mijn bloedbroeder en ikzelf zijn aanwezig. De speld wordt ontsmet in de kaarsvlam.
    Straks zal ik hem nogmaals uitvoeren met John. Twee volwassenen mannen.
    “Met deze speld open ik mijn innerlijk om het de kans te geven samen te vloeien met Paul, mijn bloedbroeder.”
    De woorden worden van een briefje gelezen. Nooit door mij. De spelden prikken gelijktijdig in de top van onze middelvinger. De langste vinger, de vinger met de meeste symboliek. Het bloed wordt eruit gedrukt.
    “Door deze boon in mijn bloed te dopen geef ik het de kracht om samen te vloeien met Paul, mijn bloedbroeder.”
    De herhaling is belangrijk. De bonen raken de druppels bloed.
    “Paul, mijn bloedbroeder, neem deze boon in je mond. Ik neem de jouwe in de mijne.”
    De bonen leggen we in elkaars mond. Lachen is strikt verboden.
    Daarna volgt het moment waar ik met een mengeling van angst en genot naar uitkijk. Het voorover buigen. Mond op mond en het uitwisselen van de bonen.
    Vier bloedbroeders hebben de ceremonie al eerder doorlopen, maar John is de belangrijkste.

    “Wij hebben geen poten in de familie! Als dat maar duidelijk is.”
    “Maar dat kan je toch nooit zeker weten?”
    “Jongen, een poot mag bij ons meteen zijn achternaam veranderen. Die is geen familie!”
    Duidelijke taal. En mijn vader spreek je niet tegen. Zijn pistool ligt onder het matras in een speciaal vakje van zijn bed. Hij is een crimineel. Zo simpel is het. Een goede, want hij heeft geld en hij blijft uit handen van de politie.
    “Treinreizen is voor losers.”, is één van zijn favoriete uitdrukkingen. Zo legt hij nadruk op het feit dat hij altijd met de auto gaat. Voor elke afstand buitenshuis.
    Ik kan wel reizen met de trein, ook al heeft vader dat vaak verboden. Mijn eerste treinkaartje bewaar ik in mijn portemonnee, als bewijs dat ik echt tegen hem in durf te gaan. Soms kijk ik er naar om mezelf moed te geven. Mijn vader heeft moorden op zijn geweten. Moed is dus niet overbodig als je tegen hem in wil gaan. Ik weet van mijn vaders activiteiten. Ook nu ik al niet meer thuis woon. Verraden zal ik hem niet. Ik ben zijn jongste zoon, zijn familie.
    “Waar gaan we zo snel heen vanavond?”, had de agent gevraagd.
    Mijn vader was woest.
    “Besef je wel hoe je mij in gevaar had kunnen brengen met deze actie! De politie! Met een scooter nog wel! Welke gek voert die nu op!”
    Ik dus. Gewoon de varioglijbus vervangen en de begrenzing is opgeheven. Na die actie keek ik wel uit om met de politie in aanraking te komen. De scooter ging weg en ik had een maand huisarrest. Zo bleef ik de brave borst die ik nu nog ben.
    Ik ben in het huis van mijn geliefde. Een man. John. Mama was gelukkig bij het gesprek van gisteren. Ik heb het treinkaartje het hele gesprek als steun in mijn hand gehouden.
    “Ja, ik heb een vriend en ik houd van hem. En pa, ik blijf familie.”
    Mijn vader had me vernietigend aangekeken en mij daarna tot in detail uitgehoord. Zijn slotwoorden waren:
    “Zoon, jij blijft familie!”

    En nu is het tijd voor een feest. We kunnen openlijk samen gaan wonen. De afgelopen dagen sliep ik in mijn eigen huis. Vandaag wordt het een surprisefeest. Ik heb een klein aantal vrienden uitgenodigd en tegen John -als smoes- gezegd dat we met zijn tweetjes uit eten gaan, als hij klaar is met werken. Het was een kort telefoongesprek, maar het maakte me blij. Ieder gesprek kan het laatste zijn. Daarom nemen we altijd uitvoerig afscheid.
    Nog voor het feest begint zal ik de bloedbroederceremonie met hem uitvoeren. Ik heb alle spullen meegenomen.
    Ik huppel de slaapkamer in waar in de kast nieuwe kleren van mij hangen. Vanavond wil ik er piekfijn uitzien.
    Ik open de kastdeur. John valt bovenop mij in een vreemde omhelzing. Hij voelt nog warm.
    Terwijl ik me woest schreeuwend onder zijn lijk vandaan worstel, begrijp ik de laatste woorden van mijn vader.

  • Niet huilen.

    Het is een mooie dag om geboren te worden. Hartje zomer. Heerlijke temperatuur.
    De kinderkamer is nog niet helemaal op orde, maar dat geeft niet. De baby mag straks op onze kamer blijven. Alles gaat voorspoedig.
    ‘Kom nu meteen maar,’ had ik tegen de verloskundige gezegd.
    Bij de eerste ging alles ook sneller dan de beschrijvingen uit de boekjes. Die moest uiteindelijk met de vacuümpomp gehaald worden in het ziekenhuis. Dit wordt een thuisbevalling.
    Dan is het zover. Ik sta er wat hulpeloos bij.
    ‘Kijk jij maar wat het geslacht is.’
    Een jongen.
    In stilte mag ik de navelstreng doorknippen. Dan gaat het snel. De emoties zitten hoog, maar niemand huilt.
    Niemand.
    ‘Bel 112,’ zegt de verloskundige tegen mij.

    ‘Bijsluiter’ Bijna non-fictie

  • Dichten.

    Ik dicht met stift en nagellak

    de gaten in mijn panty.

  • Levende woorden.

    Voor haar is het beter om niet te drinken en ik moet nog dronken worden. De tuin grenst aan het bos. Er brandt een vuurtje, de muziek staat hard, maar we kunnen elkaar wel spreken. Het is druk en toch zijn wij even de enige op het feestje.
    “O Krinklende winklende waterding..”
    “…hun hoge hoeden weer op het hoofd/ men versta mij wel…”
    Om beurten zetten we een gedicht in. Ik kom niet verder dan flarden. Zij haalt hele gedichten aan. Als ik er niet uitkom breng ik mijn eigen variatie.
    Ons lachen gaat over in haar hoestbui. Ze is de moeder van het feestvarken.
    Bij een gedicht denk ik vaak aan haar. Zo blijf ze in gedichten altijd leven.

  • Optreden.

    Als ik snel loop kunnen we nog mee. Toch houd ik mijn pas in. De deur van de lift gaat weer open, omdat er een hand tussen gehouden wordt. Ik duw de rolstoel naar binnen.
    ‘Hoe vond je de muziek?,’ vraagt de man.
    Hij kijkt staand mijn zoon recht in de ogen. Dan volgt het onvermijdelijke.
    ‘Hee, wat ben jij een klein mannetje!’ schreeuwt hij met een vrolijke stem, ‘Zo klein heb ik ze nog nooit gezien!’
    Ik probeer niet te blozen. Hoe ga ik hiermee om?
    ‘Die meneer stelde je een vraag hoor.’
    ‘Ja, dat kleine mannetje vroeg of de muziek leuk was! Ik heb ontzettend genoten!’
    Ik voel me in die kleine ruimte degene met de grootste beperking.

    ‘Bijsluiter’ Bijna non-fictie