Alles chronologisch

  • Waarnemer

    Je handen bleven zweven alsof
    ze voor je lichaam uit
    de hemel vonden.
    Van bed naar brancard,
    brancard naar auto naar
    gekoelde kamer om
    strakjes toonbaar.

    Nu ‘s avonds stream
    ik de docu over Kylie
    Minogue
    en voel
    de tranen branden.

    Wie zal er na jou komen?

    Je bent dood
    en wat

    moet ik voelen?

  • Opsteken

    ‘Je weet wat ze zeggen over de lange vingers van een man,’ zegt Josje uit het niets.
    Ze heeft groene ogen, kattenogen. Ik ken haar al lang.
    ‘En weet je wat ze zeggen over de grootte van de neus bij een vrouw?’ verzin ik ter plekke.
    ‘Nee. Wat dan?’
    ‘Hoe groter, hoe dieper.’
    ‘Echt?’ zegt ze.
    Ze lacht. Haar kleine neus wipt omhoog. Ze wrijft er met haar duim over.
    ‘Kom eens met je vinger.’

    Ik steek mijn middelvinger naar haar uit. Ze buigt naar voren. Met gesloten ogen neemt ze hem tussen haar lippen en zuigt de volle lengte langzaam naar binnen. Ik voel het pulsen van haar tong. Langzaam schuift ze haar mond op en neer. Met een plop schiet mijn vinger los. Ik schrik.

    ‘Nee, het klopt niet,’ zegt ze.
    ‘Wat?’
    Ik duw met mijn vrije hand de bult in mijn broek weg.
    ‘Over mijn neus en de lengte van je vinger. Jou kan ik hebben. Met gemak.’

    Ik bloos. Ze lacht. We zitten aan tafel in haar studentenkamer. Aangeschoten. We hebben een keer gezoend. Alleen dat.
    ‘Raken vrouwen echt opgewonden van woorden alleen?’ vraag ik.
    ‘Hoe bedoel je?’
    ‘Erotische zinnen.’
    ‘Van zinnen houd ik,’ zegt Josje. ‘Woorden weet ik niet. Probeer eens.’

    Haar neus wipt opnieuw op.

    ‘Je ogen,’ begin ik, ‘hebben een scherpe blik. Klaar om je prooi te kiezen en te verslinden.’
    Ik kijk haar aan, ze kijkt strak terug.
    ‘Hmm, kattenogen? Geen smaragden of liever, diamanten?’

    ‘Je haren dansen als de twijgen van een gouden regen in de lentewind, die de geur van je parfum meeneemt.’
    Ik zwijg even en ruik wijn en oude pizzadoos. Josje staat op en strijkt met haar hand langs haar kin en hals. Weer duw ik op mijn gulp.
    ‘Ja hoor, gouden regen. Klitten dus. Ik ben meer een treurwilg, met een trotse stam en een weelderige kruin.’

    ‘Je opgeheven kin toont je trots. Het kuiltje dat meedeint met je ademhaling verraadt de spanning die zich langzaam opbouwt.’
    ‘Spanning? Hmmm.’

    Ze glimlacht uitdagend en danst mee op het ritme van mijn woorden. Langzaam opent ze haar blouse, knoopje voor knoopje. Mijn hart bonst bijna hoorbaar.
    ‘Je houdt je huid verborgen voor het zonlicht. Je moedervlekjes zijn tegen het wit goed zichtbaar als kleine imperfecties die een muze tot leven brengen.’

    De blouse glijdt van haar lichaam.
    ‘En, achttien plus genoeg zo?’ vraagt ze.
    Een druppel zweet glijdt vanuit mijn oksel langs de binnenkant van mijn arm.

    ‘Je borsten,’ ik slik even, ‘zijn klein en stevig. Je huid vraagt om aangeraakt te worden.’
    Josje draait zich om, ze wiegt heen en weer en haakt het bandje van haar bh los. Haar ruggengraat slingert als een slang. Haar lichaam ruist met haar bewegingen mee. Ik probeer weg te kijken.
    ‘Ga door,’ zegt ze.

    Graag, denk ik.

    Josje keert zich naar me toe. Ze kneedt de welvingen met haar handen.
    ‘Je navel rekt mee met de beweging van je strakke buik.’
    Ze laat haar borsten los en slaat er een arm omheen. Met haar vrije hand strijkt ze over haar buik. Ze kijkt me strak aan en rilt een beetje. Mijn adem stokt. Haar hand glijdt onder de strakgespannen band van haar broek die door de kruipbeweging openspringt. Ik zie haar met kant afgezette slip.

    ‘Damn,’ zucht ze, ‘toch aangekomen.’
    Ze sluit haar ogen.

    ‘Je ademhaling keert terug in je liesstreek. Terwijl je broek naar beneden zakt, beginnen je tepels te twijfelen tussen kou en opwinding.’
    ‘Kou,’ antwoordt Josje.

    Ik hoor haar nauwelijks, wil mijn handen uitsteken en haar aanraken. Ik wil haar heupen pakken om haar te kussen in het centrum van haar lichaam. Mijn tong langs de binnenkant van haar dijen naar boven bewegen.
    ‘Je bent een godin, die …’

    In gedachten scroll ik door de afbeeldingen van mijn mobieltje.
    ‘Een heilige die hunkert naar …’
    Ik hoor mijn gedachten terug in de echo van mijn woorden.
    ‘Die …,’ aarzel ik. ‘Die …’

    Ik zie ons in de spiegel. Mijn rode bezwete hoofd, de rommelige kamer en Josje. Mijn erectie zakt weg. Met één hand steunt ze op mijn knie. Ik voel haar adem, ruik de wijn. Ze wankelt onhandig. Haar broek zakt eindelijk op haar enkels.

    ‘Euh …,’ vervolg ik.
    ‘Euh, wat?’

    Josje gaat staan. Haar vaalrode onderbroek wiegelt voor mijn neus. Er zit een draadje los. Ze kijkt me aan.
    ‘Nee,’ zegt ze. ‘Dit werkt niet.’

    Opnieuw is het stil. Ik voel me opgelucht. Weer die opwippende neus. Ze trekt haar broek op en grist de blouse van de grond. Ik wrijf zachtjes over mijn gulp.
    ‘Blijven oefenen,’ zegt ze met ontbloot bovenlijf.

    Lachend steek ik mijn middelvinger naar haar op. Even staat hij in volle lengte tussen mij en Josje.

    Dit past, denk ik.


    Dit verhaal werd geschreven naar aanleiding van de wedstrijd van Het Rode Oor 2026 van Nieuwe Buren, met als opdracht om te spelen met de clichés van het erotisch genre.

  • Mijlpaal

    Je ligt in bed met de gordijnen open.
    Je ogen dicht, terwijl de zon fel schijnt.
    Die schemertijd waarin je steeds verdwijnt:
    Moet ik nu op dood of leven hopen?

    Jouw dagen ben ik langzaam aan het tellen.
    Eerst naar voren nu alleen maar terug,
    waar uren en seconden even vlug
    als lange weken lijken voort te snellen.

    Ik zie je met mijn moeder wakend, trouw,
    een echtpaar in de spiegel van de ramen
    nu drieënzestig jaren man en vrouw.

    Geen ma en ik, die voor mijn vader kwamen:
    Ik zie als echtpaar: even vreemden nou
    en weet: voor altijd in de liefde samen.

  • Ankerpunten

    Ik zwierf door straten, zocht naar plekken waar
    ik vroeger met mijn vrienden samen speelde.
    De plekken waar we onze hutten deelden
    en waar we binnenliepen bij elkaar.

    De toren in de verte was ons baken.
    De klok die met zijn grote wijzers zei:
    ‘Je moet naar huis, want etenstijd!’, maar wij
    besloten steeds om eigen tijd te maken.

    Ik zocht de houten gymzaal en het veld
    en zag mezelf weer met de voetbal rennen,
    maar veld bleek flat, de zaal allang geveld.

    Het lukte niet om aan dit dorp te wennen.
    Ik had mijn komst bij ‘t huis al aangemeld.
    Mijn vader, denk ik, zal hij mij herkennen?

  • Gesloten

    Schuifdeur, kale hal.
    Lange, lege gang.
    Oude lift wiebelt naar
    etage vier.
    Wijsheid, wit
    krijt op zwart.

    ‘Sluit de deur zorgvuldig.’
    Kamer, wc, wc, kamer,
    kamer, wc, wc, kamer.
    Binnenkomen. Slapend.
    Ogen open toch
    herkenning. Zachte stem en
    adem halen, lange halen.
    Vage blik, verheldert soms.
    Moe, zo moe.

    Na vijf minuten weg.

    Wc’s. Kamers.
    Uitgang. Toetsen.
    Cijfertjes en hekje.
    Lift en gang en hal,
    de schuifdeur.

    Zon en zoeken
    naar de tranen.