‘Hij stoort! Hij stoort!’
De auto rijdt over een hobbel en de CD-speler slaat over.
‘Nee hoor, hij stoort niet,’ zeg ik uit een soort Pavlov reactie.
Ik leg niet meer uit dat de muziek een sprongetje maakt, omdat we over een oneffenheid rijden. Nuchter reageren helpt vaak het beste.
‘Hij stoorde echt wel!’
Dit is een kantelmoment; toch uitleg geven om verdere paniek te voorkomen of nuchter blijven reageren met een kleine draai.
‘Hoor jij hem nog storen dan?’
‘Nee.’
‘Leuke muziek he?’
‘Gaat hij echt niet meer storen?’
‘Vast niet.’
Soms krijg ik ook weleens de vraag of zijn gedrag mij niet stoort.
‘Hij stoort niet,’ antwoord ik vanuit hetzelfde automatisme.
Ik ontwijk de meeste hobbels behendig.
-
Hobbelige weg
-
Grens verleggen
‘Ik tel tot drie en dan hou je op met dat lawaai!’
Het hele gezin is moe en dat zal voor januari nog niet voorbij zijn.
‘Eén, twee …’
Nog net op tijd houdt zijn zusje van vijf jaar zich in, maar dit soort manieren van aanpakken werken zelden voor langere tijd. Binnen een minuut trekt ze weer van leer.
‘Nu is het genoeg!’ val ik feller uit dan bedoeld.
Hij schrikt er meer van dan degene voor wie de boodschap is bedoeld.
‘Sorry, het was niet voor jou bedoeld.’
Eigenlijk ben ik nooit boos op hem. Hij vernielt niets, heeft nooit laden leeggehaald of -zoals zijn broer ooit- een stapel CDs tussen de versterker en de CDspeler gepropt.
Jammer eigenlijk.
-
Inzicht
‘Kerstgedachten, Sinterklaasgedachten, wat een hoop gedachten hebben die feestdagen.’
Uit zijn kamer klinken zinnen die los van elkaar logisch klinken, maar bij elkaar vrij onsamenhangend lijken.
‘Speciaal Onderwijs. Heel speciaal. Onderwijs.’
Sommige woorden hoor je hem proeven.
Even is het stil.
‘Het paard van Sinterklaas heet Amerigo. Americola!’
Hij begint luid te lachen, wat overgaat in hummen en het geluid van een lichaam dat wild door het bed heen en weer rolt. Ik hoor zijn armen en benen tekeer gaan. Voordat zijn bed tegen de muur bonkt loop ik naar binnen. Zijn ogen loensen in een bijna onmogelijke stand en lijken zijn hoofd in te draaien.
Soms zou ik zijn ogen willen lenen om in zijn hoofd te kunnen kijken.
-
Mechanismen
‘Zeg je even lekker slapen tegen je zusje?’
In ons gezin zijn er een paar rituelen: Voor het slapengaan wens je elkaar welterusten, bij het eten zitten we allemaal aan tafel -ookal ben je afhankelijk van sondevoeding- en we zeggen dag als we naar school of werk gaan. Over het algemeen lijkt dit vrij gemeend te gaan.
‘Hallo aarde hier. Zeg jij je zusje even welterusten?’
De televisie staat aan, dat maakt het wat moeilijk.
‘Nou kom op, zeg welterusten.’
Terwijl zijn zusje al op de trap loopt zwaait hij uitbundig, zonder zijn blik van het scherm af te wenden.
Ik moet denken aan de Apenband uit het warenhuis van mijn jeugd. Gooi er een muntje in en het speelt.
-
Voortploegen
‘Er zit zand aan mijn wielen!’
‘Hou je handen maar op schoot, dan worden ze niet vies’, antwoord ik.
De tuimelwieltjes van de rolstoel zijn ingeklapt, zo trek ik hem achterovergekanteld en achterstevoren over het strand.
‘Zal ik helpen?’ wordt me verschillende keren aangeboden. Er zijn genoeg welwillende mensen mee, die hij kent. Allemaal familie van ons.
Ik sla de hulp af, want als we hem samen langs de vloedlijn trekken kan ik niet goed voelen of de rolstoel omkiept. Daarnaast overvalt me soms de irreële drang om te normaliseren. Gewoon maar een vader die zijn zoon over het strand sleept.
De wielen vormen slingerende gleuven in het zand.
Eén van ons spoort niet, maar ik blijf mijn best doen.