Bijna non-fictie


  • De tijd vliegt

    ‘Ik ga niet trakteren!’
    Sinds het trakteericoontje op zijn kalender staat, begint de dag met deze zin. Hij is in de vakantie jarig, daarom mag hij vandaag al de klassen rond.
    ‘Gooi die schaal maar in de prullenbak!!’
    Op school weten ze ook hoe hij er over denkt. Het blijft altijd lastig inschatten of we nu door moeten zetten of niet.
    ‘We geven het gewoon mee en dan mag je op school ook nog nee zeggen.’
    ‘Nee, nee! Ik wil het niet!’
    ’s Middags komt hij met een grote lach terug. In het heen en weer schrift staat dat hij het fantastisch heeft gevonden. Gelukkig hebben we volgehouden.
    Komend schooljaar gaan ze met de klas vliegen. Een heel nieuwe overweging.

    ‘Bijsluiter’ Bijna non-fictie


  • Kopzorgen

    Terwijl ik in de keuken aan het opruimen ben hoor ik hem vallen. Hij zat op zijn knieën televisie te kijken. Daarnet was hij nog één brok letterlijk stuiterend kijkplezier. Nu is het stil. Te stil.
    ‘Gaat het wel?’, vraag ik hem.
    Hij ligt roerloos met een van pijn vertrokken gezicht op de grond.
    ‘Jawel hoor’, zegt hij na een poosje.
    Ik inspecteer hem snel, maar zie verder niets. Zelf geeft hij geen bijzonderheden aan.
    ‘Mag ik in mijn rolstoel?’
    Het televisiekijken wordt nu zittend voortgezet. Ik ga weer aan de slag.
    Na een poosje vraag ik: ‘Hoe is het nu?’
    ‘O’ , antwoordt hij, ‘het bloeden is nu gelukkig wel gestopt.’
    En inderdaad in zijn haar zie ik het gestolde bloed.

    ‘Bijsluiter’ Bijna non-fictie


  • Kunst zinnig

    ‘Kom we gaan!’
    Ik heb onze vaste oppas gevraagd of zij onze jongste achterop de fiets wil nemen. Zelf bestuur ik de rolstoelbakfiets. We gaan op weg naar een markt waar mijn vriendin haar zelfgemaakte sieraden heeft uitgestald.
    ‘En hierna gaan we naar het handbal, toch?’, vraagt hij om bevestiging.
    Inderdaad, eerst naar de markt en daarna naar het toernooi waar zijn broer speelt.
    De kramen vindt hij maar matig interessant. Het fietsen is veel leuker.
    Bij het handbalveld kan hij uit zijn rolstoel en op het gras. Het is lekker weer.
    ‘Wat is dit voor een gek gras?’, vraagt hij.
    ‘Kunstgras.’
    Zijn ogen verraden een vrolijke gedachte.
    ‘O’, zegt hij, ‘die is zeker ook eerst langs de kunstmarkt geweest.’

    ‘Bijsluiter’ Bijna non-fictie


  • Uit het hoofd.

    ‘Hee papa, kijk eens wat ik voor je heb!’
    Uitgelaten komt hij naar me toe. Hij duwt me een papier in handen met daarop een uitgeprint verhaal.
    ‘Ik heb het zelf getypt!’
    Het thema op school is Helden. Het verhaal is bijna een gedicht.

    ‘Mijn held is papa.
    Heeft me van Bob verlost.
    Hij heeft dat in mijn kamer gedaan.
    Hij heeft dat gisteren gedaan.
    Ik had over Bob gedroomd.
    Papa had het opgelost door te zorgen dat Bob
    helemaal uit het hoofd ging.’

    Een vader die als een held wordt gezien. Een groter compliment kan je je eigenlijk niet wensen.
    En toch maak ik mijn heldenrol niet waar. Bob de Bouwer woelt blijkbaar nog steeds rond in zijn gedachten.

    ‘Bijsluiter’ Bijna non-fictie


  • Kappen

    ‘Wil hij misschien een snoepje?’
    Tegenwoordig volstaat een krachtig:
    ‘Nee, dank je wel.’
    In het begin voelde ik me verplicht om steeds uitleg te geven, maar daar ben ik mee gestopt. In de winkel zien ze vooral de vrolijke jongen in de rolstoel. Paniekmomenten zijn voor thuis bij storende televisiebeelden en als er te lang naar een boekje gezocht moet worden.
    We zitten bij de kapper. Mijn haar wordt geknipt en hij kijkt toe.
    ‘Mag ik een boekje van Bob de Bouwer?’
    ‘Donald Duckjes zijn hier wel, maar Bob niet.’
    Ik probeer een mogelijk probleem te voorkomen.
    De kapster beaamt het. Gelukkig.
    ‘Volgens mij hebben we nog wel een Bob boekje hoor’, zegt een andere kapster.
    ‘Ik zal even zoeken.’

    ‘Bijsluiter’ Bijna non-fictie