“Ik heet Dagobert en eet alleen maar snert.”
Hij zit in de ‘Dagobert Duck’ fase. Hij kiest voor langere tijd een onderwerp waar hij constant op terugkomt. Nu is ‘Lucky Luke’ ingewisseld voor de rijke eend.
Bij alles komt Dagobert voorbij tot we het zat worden.
“De Dagobertinator maakt alleen muntjes voor het geldpakhuis.”
Hij barst in een keihard gelach uit.
We besluiten dat Dagobert even een verboden onderwerp is. Geholpen door de televisie lijkt dit te helpen.
Het is een serie over een dierentuin, we kennen de aflevering al. Kinderen stellen vragen aan medewerkers.
“Wat ik wel eens zou willen vragen over de papagaai…” begint hij.
“Nee maar, een ander onderwerp.”, denk ik.
“… of ze ook Dagobert kunnen zeggen.”
-
In de herhaling.
-
Doorkijkje.
“Zet je beste beentje voor. Zing het laag en luid in koor.”
We lopen in optocht door de gang van het ziekenhuis. Onze oudste zoon voorop. Hij is bijna drie jaar en liefhebber van de Disneyfilm Jungleboek. Als er mensen ons tegemoet lopen zwijgt hij, maar blijft doormarcheren. Ik voel me dan een beetje onhandig.
“Compagnie rechtsaf!”, roept hij bij de afslag naar de intensive care.
Zijn broertje ligt aan de meest geavanceerde apparatuur. De duimdikke en doorzichtige slangen zitten in de nek en pompen het gezuiverde bloed door het lijf.
“Ik zie bloed!”, zegt hij wat paniekerig.
“Ja, die gaan door de slangen.”, probeer ik uit te leggen.
“Nee.”, antwoordt hij en wijst naar een korstje op zijn wang.
-
Binnenlopen.
“Hallo.”, groet hij iedereen die te lang naar hem of zijn rolstoel kijkt.
Hij wacht bij de accordeonist als ik een karretje pak.
We gaan de winkel in.
Meestal blijft hij bij het magazijn naast de flesseninname staan. Medewerkers lopen regelmatig heen en weer. Genoeg te zien.
Als ik alles heb gaan we richting de kassa.
Ik zet hem bij de uitgang naast de schuifdeuren. Ondertussen reken ik af.
Buiten staan de kinderen die wachten op mensen die spaarkaarten of -poppetjes weggeven. Zij mogen niet binnenkomen.
“Kijk eens jongetje voor jou.”, hoor ik iemand zeggen.
Ik zie dat meer mensen hem wat gegeven hebben. Hij zegt netjes dankjewel.
Het is oneerlijke concurentie. Ik zeg maar niet dat hij niets spaart.
-
Niet te verwoorden.
Twee dagen logeren bij opa en oma. Hij heeft er zin in.
“Hee papa, knuffel gaat mee en we gaan ook nog auto’s kijken.”
Hij stopt niet met praten. Ondertussen wordt hij in de aangepaste autostoel gezet. Zijn lijf en armen zwaaien door het plezier alle kanten op.
Het portier klapt dicht. Alles is gereed voor de reis. Zijn hoofd verkrampt, het praten stopt. Plots zie ik zijn vingers langs de deurlijst doorsteken. Pas bij het openen begint hij onbedaarlijk te huilen.
“Ik wil naar bed. Ik ben zo moe!”, praathuilt hij.
“Waar doet het zeer?”
“Ik was eigenlijk de hele tijd al moe!”
Gelukkig mankeert er niets aan zijn vingers. Woorden geven aan zijn gevoel lukt hem helaas niet.
-
Geen cadeautje.
Nog een paar dagen en dan wordt hij vijf jaar. Hij zit in zijn Bob de Bouwer en Knuffel fase. Alles krijgt een verwijzing naar Bob of Knuffel.
“Hoe was het vandaag op school?”
“Het was heel erg Bob de Bouwerachtig en Knuffel was er niet eens bij.”
Het valt te raden wat hij voor zijn verjaardag wil.
“Ga je straks mee naar de winkel?”
“Alleen als Bob de Bouwer het dak heeft dichtgespijkerd. Enne mag Knuffel ook mee?”
Toch wil ik het zeker weten.
“Wat wil je nu eigenlijk voor je verjaardag?”
Hij kijkt zijn hoogzwangere -bijna uitgerekende- moeder aan.
Zijn gezicht betrekt. Je ziet hem denken.
Dan schreeuwt hij in paniek:
“Ik wíl géén baby voor mijn verjaardag!”