Alles chronologisch

  • Mijn eerste gedicht.

    In één van mijn fotoboeken ligt een papiertje met vier zinnen. Het zijn aanzetten tot een moederdagrijmpje, maar het is duidelijk dat ik er niet uitkom. Uiteindelijk geef ik het blijkbaar op.
    De vier -niet rijmende zinnen- achter elkaar gezet beschouw ik als mijn eerste gedicht:

    Moederdag.

    Vandaag is het moederdag
    Daarom dansen de kinderen
    Moeder viert feest
    Het huis staat in brand

  • In de herhaling.

    “Ik heet Dagobert en eet alleen maar snert.”
    Hij zit in de ‘Dagobert Duck’ fase. Hij kiest voor langere tijd een onderwerp waar hij constant op terugkomt. Nu is ‘Lucky Luke’ ingewisseld voor de rijke eend.
    Bij alles komt Dagobert voorbij tot we het zat worden.
    “De Dagobertinator maakt alleen muntjes voor het geldpakhuis.”
    Hij barst in een keihard gelach uit.
    We besluiten dat Dagobert even een verboden onderwerp is. Geholpen door de televisie lijkt dit te helpen.
    Het is een serie over een dierentuin, we kennen de aflevering al. Kinderen stellen vragen aan medewerkers.
    “Wat ik wel eens zou willen vragen over de papagaai…” begint hij.
    “Nee maar, een ander onderwerp.”, denk ik.
    “… of ze ook Dagobert kunnen zeggen.”

    ‘Bijsluiter’ Bijna non-fictie

  • Laveren.

    Hier zit ik dan te staren door de ruit
    en zie de fietsers door de regen heen
    hun weg vervolgen. Lichaam diep ineen.
    Haal na haal bewegen zij vooruit.

    Wind slaat en striemt bij vlagen zeer gemeen,
    beukt op de neus en blaast het snot eruit.
    Spuug en regen mengt zich op de huid
    en ik zit binnen, warm en heel alleen.

    De zomer samen praten in de zon
    van liefde en hoeveel ik van je hou
    ik noem je schatje, liefje, honnepon.

    Toen kwam de herfst daarna de winterkou.
    Het blijft de liefde die hier overwon
    ik pak mijn fiets en ga op weg naar jou

  • In het zonnetje.

    Weet je
    Zal ik zeggen als ik aan de bloemen ruik
    om zo wat dichter naar je toe te buigen
    De schijn vermijdend
    dat het mij vanzelfsprekend
    om jou gaat
    Alleen om jou
    Voor altijd

    Zouden ze in de vensterbank
    Niet beter tot hun recht komen?

  • Poppenstreken.

    Sommige kinderen hebben een pop, anderen een beest als knuffel. Heel weinig kinderen hebben een hemd als knuffel en Borretje als klasgenoot.
    “Zal ik eens flink in je neus knijpen?”, vraagt Borretje.
    “Nee!”, zal je zeggen. Dat heeft geen zin, Borretje knijpt toch en roept:
    “Je neus is al zo groot en nu wordt hij rood.”
    En dan barst hij in lachen uit.
    Borretje is geen leuke jongen.
    “Wat een leuke jongen is die Borretje toch,” zegt juf Josefien en alle ouders knikken.
    Borretje is tegen grote mensen altijd heel vriendelijk.
    “Zal ik een kopje koffie voor u inschenken?” vraagt hij bijvoorbeeld. Of:
    “Wat ziet u er weer leuk uit mevrouw.”
    En ondertussen knijpt hij in je neus.
    Soms komt hij bij je thuis eten, omdat je moeder dat zo leuk vindt.
    Wat Borretje niet weet is dat jouw knuffel heel bijzonder is. Het is een hemd uit de diepe binnenlanden van Midden Azië.
    “Kijk eens wat ik hier heb?” riep vader toen hij van vakantie terugkwam.
    “Een krimphemd uit Rustandapi, met de hand gemaakt. Trek hem nooit aan! Geef hem wel heel veel liefde door hem flink te knuffelen.”
    Borretje weet dit niet en staat op je kamer te kijken naar je bed.
    “Wat ligt daar?”
    “Mijn knuffel.”
    “Dat is toch duidelijk een hemd man.”
    “Het is een krimphemd en mijn knuffel. Trek hem niet aan!”
    Dat moet je niet tegen Borretje zeggen.
    “Geef hier dat hemd. Wat een onzin. Ik zal je laten zien dat krimphemden sprookjes zijn.”
    Borretje trekt heel snel het hemd aan. Zo snel dat je niet eens de tijd hebt om “Stop!” te zeggen.
    En het krimphemd werkt. Borretje kijkt eerst heel blij. Dan wordt hij kleiner en kleiner.
    “Help!” roept hij.
    Eerst met een gewoon stemmetje. Daarna met een heel hoog en zacht stemmetje.
    “Help, help me dan!”
    Daarna is Borretje stil.
    De volgende dag is het plekje van Borretje in de klas leeg. De politie is nog steeds op zoek naar hem.
    “Hij is om vijf uur naar huis gegaan.” had je aan je moeder verteld. Dat was heel gewoon, want Borretje gaat altijd om vijf uur naar huis. Maar jij weet precies waar Borretje is. Hij ligt bij jou in bed. Je zorgt goed voor hem. Hij krijgt koekkruimels en kleine slokjes appelsap. Borretje is heel aardig tegen je.
    Sommige kinderen hebben een pop, anderen een beest als knuffel. Heel weinig kinderen hebben een pop met een hemd als knuffel. Een pop die heel veel op Borretje lijkt. En als je in zijn neus knijpt wordt die rood.