Alles chronologisch

  • Schittering

    Hartstikke dood!

    Op de -inmiddels inactieve- schrijverssite ‘Boekvoorhaar’ verschenen regelmatig thema-opdrachten waar Alicia van ‘Schrijfatelier Alicia’ haar blik over liet gaan en een winnaar uitkoos. De laatste thema-opdracht was als volgt omschreven:

    Hartstikke dood!
    Op de afdeling moordzaken prijken foto’s van een afschuwelijk delict op het prikbord; 20 rechercheurs zijn op de zaak gezet.
    Na een dag afwezigheid op haar werk ging haar collega poolshoogte nemen in haar woning en trof de mooie Angélica aan in haar bad. Een naakt, zwaar geschonden, bijna onherkenbaar lichaam in roodgekleurd water… hoe en waarom heeft dit kunnen gebeuren?
    De autopsieresultaten zijn nog niet binnen.
    Heeft de moord inderdaad in de woning plaats gevonden? Wat was het moordwapen? Vingerafdrukken en sporen worden bestudeerd en vergeleken.
    Maar het allerbelangrijkste: wie is de dader en vooral: wat was het motief?
    Rechercheur Bart van Tooren staart gebiologeerd naar één van de foto’s: een Marlboro peuk op de vloer, rode voetafdrukken op de tegels, een zwarte shawl, gedrapeerd over de badrand, haar diamanten ring triomfeert hierop; hij weet dat dit moedwillig gedaan is door de dader.
    Maar door wie en waarom? Zijn ogen glijden af naar de volgende foto …

    Naast de opdracht stond een afbeelding van Sherlock Holmes.
    Dit is het verhaal dat hieruit voortkwam:

    Schittering.

    Het kantoor van de afdeling moordzaken is op één persoon na leeg. Op een ouderwets grijs prikbord vol gaatjes prijken twintig foto’s, als een soort provocatie richting de moderne tijd waarin computers en andere digitale technieken de boventoon lijken te voeren. Rechercheur Bart van Tooren heeft zijn voeten op een bureau gelegd en wipt langzaam met zijn stoel op en neer. Eén foto houdt zijn blik vast.

    Rechecheur van binnendienst, wordt hij achter zijn rug om gekscherend genoemd. De klank in de stemmen die hem zo noemen verraadt bewondering, zeker geen minachting. Van Tooren weet -van alle collega’s op landelijk niveau- de meeste zaken op te lossen waarbij hij het minst van allen het bureau verlaat.
    ‘The man comes around’, zingfluistert hij voor zich uit terwijl zijn ogen naar een volgende foto glijden.
    Johnny Cash heeft altijd een passend lied voor elke gelegenheid, maar dit keer weet van Tooren dat hier een sleutel ligt. In een vloeiende beweging slingert hij zijn benen op de grond en staat op uit zijn stoel. Op de toon van een dominee schallen de woorden waarmee Cash het lied opent in de Nederlandse vertaling door de ruimte:
    ‘En ik hoorde één uit de vier dieren zeggen, als een stem van een donderslag: Kom en zie! En ik zag, en ziet, een wit paard.’
    De aankondiging van de vier ruiters uit de Openbaring van Johannes slaat dood tegen het systeemplafond.

    Van Tooren beent naar een telefoontoestel, drie minuten later staat Mark Janssen bij hem.
    ‘Wat zie je hier, Janssen?’
    Van Tooren tikt met de knokkel van zijn wijsvinger op een foto.
    ‘De plaats delict, ik was er zelf. Een dode toegetakelde naakte vrouw met een donkere huidskleur in een bad gevuld met rood water, waarschijnlijk niet haar bloed. Een zwarte shawl op de badrand, met daarop een ring met zo te zien een forse diamant. Het lijkt zorgvuldig geënsceneerd.’
    ‘Mooie eerste poging, maar vertel me meer’, van Tooren klinkt ongeduldig.
    ‘Ik zie een peuk’, Janssen doet een stap dichter naar de foto en kijkt naar de uitvergroting die ernaast hangt.
    ‘Merk Marlboro en afdrukken van schoenen op de vloer. Een soort slippers vermoed ik.’
    ‘Birkenstock’, zegt van Tooren.
    Janssen is binnengehaald als hét talent van de afdeling. Zijn opleiding heeft hij Cum Laude afgesloten en bij de opfriscursussen steekt hij met kop en schouders boven de anderen uit. Ook van Tooren weet hem daarin niet te evenaren en toch steekt Janssen in de praktijk magertjes af bij de heldere geest waarmee hij moet samenwerken. Door de manier waarop van Tooren met hem omgaat voelt hij zich niet ondergeschikt aan van Tooren.

    ‘Honoré Trustworthy, de eerste plaag’, zegt de rechercheur van binnendienst.
    Zijn collega kijkt hem met vragende ogen aan.
    ‘Het slachtoffer heette Angélica nietwaar?’
    ‘Ja, een collega had zich zorgen gemaakt nadat ze al een paar dagen niet op haar werk was gekomen’, beaamt Janssen.
    ‘Jij was op de plaats delict. Heb je nog wat geroken?’
    ‘Nu je het zegt, er hing een sterke muskusgeur. Alsof er een fles te sterk parfum was opengevallen.’
    ‘Engelwortel, Janssen. Angelica, de naam van een plant uit de schermbloemfamilie. Als de plant gekneusd wordt, ruikt hij naar muskus. Muskus en een diamant, wat zegt ons dat?’
    ‘Nou?’
    ‘Synthetisch.’
    ‘Suggereer je dat de diamant synthetisch is?’
    ‘Laat het onderzoeken. Muskus wordt alleen nog synthetisch vervaardigd, dat lijkt me reden genoeg.’
    ‘En nog even terug naar Honoré …’
    ‘Trustworthy. De eerste plaag. Een schilderij, of meer een bewerkte foto. Je zou hem eens moeten bekijken. Hij hangt drie bij vier meter groot in het Museum van Moderne Kunsten in Laren. Een kunstwerk met enorm veel symbolisme. Met allerlei Bijbelse verwijzingen én een aanklacht tegen de handel in bloeddiamanten. De foto van de plaats delict is een exacte kopie in een real live uitvoering. Alles moet tegenwoordig real live Janssen. Honoré heeft de laatste jaren steeds meer vreemd gedrag laten zien, maar dat hij tot moord als vorm van kunst zou overgaan, dat had ik niet verwacht.’

    Van Tooren zucht opzichtig.

    ‘Dit is geen uitdaging Janssen. Laat Trustworthy oppakken, het lijkt me voor de hand liggen dat hij in hotel de Profeet in de Jordaan verblijft.’
    ‘Help me even van Tooren. Welke symbolieken zien we?’
    ‘De eerste plaag, het rode badwater, het water van de Nijl dat rood kleurde. Rood badwater met een mishandelde overleden donkere vrouw als achtergrond tegen een diamant op een zwarte shawl -een teken van rouw- verwijst naar de handel in bloeddiamanten. De vrouw als teken van vruchtbaarheid, maar na mishandeling overleden zoals de doodse akkers rondom de mijnen in Afrika. Sommige denken dat het verwijst naar Eva die geen kinderen meer zal krijgen en daarmee de mensheid haar bestaansrecht ontneemt. De voetstappen in de vorm van de zolen van Birkenstocks die weglopen van het bad. Birkenstocks -de JezusNikes- Janssen, Jezus lijkt weg te lopen. God verlaat de streek. De peuk van the Marlboro man, de aankondiging van de vier ruiters van Apocalypse. The man comes around.’
    Van Tooren kijkt naar de foto alsof het een waar kunstwerk is en het hier niet gaat om een moordpartij.

    ‘We hebben een match bij de vingerafdrukken!’ roept Tjalle Gaatstra vanuit de gang.
    ‘Honoré Trustworthy?’ vraagt Janssen.
    ‘Hoe weet jij dat?’ Gaatstra kijkt hem verwonderd aan.
    Janssen knikt slechts naar van Tooren.
    ‘Kom we pakken hem op’, zegt Janssen terwijl hij wegbeent.
    ‘Vraag hem naar de titel van dit werk en je weet de doodsoorzaak!’ roept van Tooren hem na.
    ‘Zoveel rechercheurs op zo’n simpele zaak’, mompelt hij schijnbaar teleurgesteld.

    Na een kort proces wordt Trustworthy veroordeeld tot langdurige dwangverpleging, alle deskundigen geven aan dat hij niet toerekeningsvatbaar was op het moment van zijn daden.
    Alleen in de dossiers van de afdeling moordzaken is zijn laatste kunstwerk Verdronken Hoop te zien.

    De link naar het lied van Johnny Cash: The man comes around.

  • Uit het nest

    De rolkoffer is knalroze en versierd met een Disney tekening van drie prinsessen. Thuis heeft ze me uitgebreid verteld welke prinsessen het precies zijn: Assepoester, Doornroosje en Sneeuwwitje. Zelf is ze prinses Amalia. Een naijlend effect van de Kroningsdag. De koffer komt van de kleedjesmarkt.

    We lopen samen naar de winkels en de koffer gaat mee om boodschappen in te doen. Ze praat honderduit over verschillende onderwerpen en deinst er niet voor terug om halverwege haar verhaal het thema te veranderen.
    Als eerste gaan we naar de supermarkt.
    ‘Mag ik een karretje?’
    ‘Dat is niet handig,’ zeg ik, ‘dan moet je met je koffer en het karretje lopen.’
    Vol twijfel gaat haar blik van het kinderwinkelwagentje naar haar koffer.
    ‘OK dan.’
    ‘Ik neem wel een grotemensenkar,’ laat ik haar weten.
    Binnen wil ze alle boodschappen zelf pakken.
    ‘Wat staat er op het lijstje? Geef maar papa, dan lees ik het zelf wel.’
    ‘Kan jij het lijstje al lezen dan?’
    ‘Ja hoor, ik ben al heel groot hoor. Ik ben al vier, dat weet je toch.’
    Met grote ogen staart ze naar het briefje.
    ‘Wat is er?’ vraag ik.
    ‘O, ik kan het wel lezen, maar nog niet begrijpen.’
    Samen lukt het ons om de inkopen te doen.
    ‘Nee, eerst gaan we betalen en daarna mag je wat spullen in je koffer doen.’
    Het liefst rijdt ze direct door naar de kassa.
    Na het betalen zorg ik ervoor dat zij de lichte zaken meekrijgt. Zakken chips, een zak koffiepads, wattenschijfjes en vergelijkbare artikelen.

    Onze tweede stop is de kapper. We moeten even wachten en zitten aan de tafel waar allerlei tijdschriften liggen met nieuws en foto’s uit de kapperswereld.
    ‘Welk haar zou jij willen?’
    ‘Deze’, zegt ze vastberaden.
    Haar vinger wijst een felrood en kort kapsel aan van een model met stijl haar. Ik kijk naar haar lange blonde haren die in krullen naar beneden hangen.
    ‘Wat vind je van deze?’
    ‘Nee papa, deze.’
    Gelukkig heeft ze nog de leeftijd waarop het lukt om een beetje bij te sturen en gaat ze mee in het voorstel van de kapster.
    ‘Ga je straks logeren?’
    Ze kijkt via de spiegel stoïcijns naar de dame die haar knipt.
    ‘Nee, we hebben net boodschappen gedaan’, geef ik voor haar antwoord.
    Als een wassenbeeld blijft ze zitten. Pas op het eind weet ze te communiceren door ja te knikken of nee te schudden. Ondertussen houd ik een soort van gesprek op gang.
    Als ze de rolkoffer weer vast heeft zwaait ze uitbundig ter afscheid.

    In de zon is het warm, maar in de schaduw daalt de temperatuur direct.
    ‘Ik heb het koud.’
    ‘Kom, dan steken we over. Wel goed uitkijken hoor.’
    Mijn uitgestoken hand slaat ze weg.
    ‘Ik kan het zelf wel.’
    Dit zijn de momenten dat ik extra goed oplet. Ze denkt alles zelf te kunnen, maar een auto op twee meter afstand kan ze nog over het hoofd zien.
    We lopen dezelfde weg terug en ook op bijna dezelfde manier. Ze blijft constant aan het woord. Soms huppelt ze om mij weer in te halen, het lukt mij niet om haar tempo aan te houden. Zeker niet met twee volle tassen met boodschappen.

    Als we bijna thuis zijn, zie ik op de stoep langs een heg het lijkje van een jonge vogel. Klein en nog vrijwel helemaal naakt.
    ‘Pas op!’ waarschuw ik haar.
    Ze hoort me niet en trekt een wiel van haar koffer recht over het beestje heen. Ik besluit om er geen woorden aan vuil te maken.
    Al snel zijn we thuis.

  • Verluchting

    ooit schreef ik waardevolle zinnen in de lucht
    die uiteengeslagen werden in hopeloze woorden
    naar alle windrichtingen uitgestrooid
    naar hemel en naar aarde

    sommige woorden bleven tollen om mijn hoofd
    beukten op mijn ogen schreeuwden in mijn oren
    maar ik sloot mezelf hermetisch af
    keerde langzaam in mezelf

    niets beschreef ik wat niet te beschrijven is
    de lucht, de wolken, de zon, de druppels regen
    de regenboog, de flarden zon en zeker
    niet de wegen naar jouw hart

    maar jouw lippen vonden alle woorden terug
    die enkel voor jouw blik geschreven waren
    zoekend naar de vormen waar we samen
    toch weer tot zinnen kwamen

    (Naar aanleiding van de gedichtenwedstrijd van
    Literair Dispuut Flanor, met als thema Niet te beschrijven.)

  • Schets van een tijd vlak voor de gang naar het toilet

    Een slim mens gaat nu maar slapen
    Slokt zijn laatste biertje weg
    Schakelt lichten uit en zet
    De verwarming nog wat graadjes lager

    Heeft eerst het slot gecontroleerd
    Eerst het slot en dan de lichten
    Daarvoor dus de verwarming
    En het allerlaatste bier

    Ach eentje dan nog maar want
    Eigenlijk is het alweer te laat
    Zet ik meteen de verwarming lager
    Warmte blijft hier toch wat hangen

    En het slot niet vergeten straks
    Of als ik nogmaals naar de koelkast
    Wat ik straks niet moest vergeten
    Nu ja, had ik dat ook net gedaan

    Zo, voor bier nog best wel heftig
    Het etiket is heel slecht leesbaar
    Vast geen vijf procent veel meer
    De verwarming, lichten, slot en slokken

    Eentje nog en dan de laatste
    Blijf ik slapen op de bank
    Licht blijft aan verwarming prima
    Open sloten houd ik hier de wacht

  • Voortwoekeren

    met een laatste blik probeer ik te kijken
    het pas gegroeide blad
    een vogel schiet voorbij
    de tuin zonder slakken
    en de regen die al dagen valt

    ik kijk alsof mijn leven ervan afhangt
    het zilvervisje schiet weg
    en oogt wonderlijk mooi
    het mag blijven lopen
    vandaag kijk ik alleen nog maar

    in gedachten zie ik de uitbundige man
    in kleding die hem past
    fleurig opvallend vrolijk
    terwijl ik weet dat hij
    een harnasloze ridder is

    hij strijdt met weinig meer bescherming
    dan zijn opgewekt gemoed
    schijnbaar luchtig optimisme
    houdt hem niet alleen maar
    de hele wereld om hem staande

    hier loopt een leven genadeloos voorbij
    met de blik gericht op morgen
    en per dag daarna de dagen
    nu geen laatste blikken
    en houdt het leven vol met leven