De nevel van overmatig gesproeide toiletspray maakt dat ik met kleine teugjes ademhaal. Op de spuitbus staat dat het om de lucht van een zomerse bloemenweide gaat. Vanuit de pot walmen flarden van de geur van dennenhout me tegemoet. Een klein stroompje helder water mengt zich vanaf de stortbak met het lichtgroen gekleurde water.
Ik zal het personeel er niet op wijzen. Ook al staat er een kaartje, waarop de gast wordt uitgenodigd om dit zeker te doen. Het hoeft niet persoonlijk, alle contactgegevens staan erop vermeld. Ik wijs nooit iemand ergens op en vooral haar niet.
Ik wantrouw alles wat gemaskeerd lijkt te worden. Uit een metalen bakje pak ik twee vochtige doekjes om de bril mee te reinigen. ‘Doodt tot 85% van de bacteriën. Na gebruik in de afvalbak werpen.‘
Hoe hard je ook poetst er blijft altijd vuil achter. We hebben onze relatie al zo vaak opgepoetst. Het verleden achter ons gelaten om samen door te trekken. Doortrekken en maskeren. Meesters in het maskeren. Ook dat zijn we geworden.
Het is hier ruim. Ik twijfel of ik een velletje wc-papier in de pot zal gooien, om opspattend water te voorkomen. Ik doe het niet. Billen die naar dennen ruiken, waarom ook niet. Elke vorm van opfrissen kan ik goed gebruiken.
Tweeëndertig jaar nu. Tweeëndertig jaar precies. Daarom ben ik hier. Samen uit eten, want dat zal onze relatie goed doen, zoals onze oudste dochter opmerkte. Een dochter die vroeger in prinsen op het witte paard geloofde en uiteindelijk viel voor een Sinterklaas. Schoonzoon en vader, leeftijdsgenoten. Natuurlijk ben ik er op tegen, hoezeer ik hem ook kan begrijpen. Hij heeft het aangedurfd om weg te gaan en iets nieuws te beginnen. Ik niet. Ik ga niet weg. Vanavond eet ik teveel en drink nog meer, daarna rol ik ons bed in en ben tot niets meer in staat. Dat wordt al jaren niet meer van mij verwacht. Regelmatig zie ik een jonge vrouw, waar ik bij weg kan fantaseren. In mijn portemonnee bewaar ik een papiertje waarop een telefoonnummer staat. Ik was aangeschoten, zij was dronken. Altijd komt het moment dat ik mijn dochter voor me zie, een beeld dat mijn dagdroom ruw verstoort.
Als ik zit zie ik mezelf in de spiegel. De spiegel hangt boven de wasbak. Een luxe, een wasbak en spiegel in dezelfde ruimte als de wc. Ik zag er vroeger beter uit. De drank heeft me pafferig gemaakt, adertjes breken door mijn huid heen. Op het plankje voor de spiegel staan enkele geurtjes, maar geen deodorant. Die zou ik nu wel kunnen gebruiken. Vrouwen schijnen te vallen voor de natuurlijke geur van een man.
Tweeëndertig jaar is een lange tijd. Jezus werd één jaar ouder, tenminste dat hebben ze me verteld. Ik weet hoe mijn kruis te dragen. Zou ik volgend jaar eindelijk vastgenageld worden? Vroeger lazen we voor uit de Bijbel bij het begin van de avondmaaltijd. In ons huwelijk hebben we dat nooit gedaan. Zij geloofde niet. Te laat zag ik in dat ze al snel ook niet in mij geloofde. Ik word gedoogd, omdat ze me kan gebruiken. Mijn geld, mijn netwerk en mijn onmacht om tegen haar in te gaan.
Toch zou ik er eens wat aan moeten doen. Haar de waarheid vertellen. Op zoek gaan naar een andere vrouw. Een ander leven.
Ik kijk rond. Op. Op is op. Het leven in de uitverkoop. Niets meer op rolletjes. Grauw karton. Ik zou kunnen schreeuwen. Brullen als een oermens. Telefoneren is toch handiger, bedenk ik.
Mijn telefoon zit in mijn broekzak. Het kost wat moeite om hem te pakken te krijgen. Mijn blik valt op de afbeelding van lachende mensen op het restaurantkaartje. Ik lach te weinig. Veel te weinig. Snel toets ik het nummer in. Binnen drie keer overgaan heb ik contact.
‘Ja, sorry. Ik zit bij op u op het herentoilet, maar het papier is op.’

Geef een reactie