Alles chronologisch

  • Tijdloos drama

    ik daar fietsend op de Langegracht
    (niet te water, maar zo heet de straat)
    jij lopend in een zomers bloot gewaad
    keek ik niet uit wat ons in botsing bracht

    een wrange glimlach toonde jouw gelaat
    verbaasd was ik want toen had ik verwacht
    een schelden vloeken tieren voortgebracht
    door jou in pijnlijk meer dan boze staat

    nu jaren later zijn we lang getrouwd
    en leerde ik jou steeds wat beter kennen
    zo raakte ik vol tegenzin vertrouwd
    met zaken waar ik nooit aan wilde wennen

    had iemand nu een tijdmachien gebouwd
    ik keerde terug om heel snel weg te rennen

    langegracht

  • Man aan de afwas

    eerst de glazen zo is mij geleerd
    en geen televisie in de ochtend
    maar hij ligt zo lekker in ons grote bed
    rustig, soms hardop lachend en ik
    heb tijd om schoon te maken

    bestek ligt te weken in het water dat
    veel te heet is waardoor ik telkens
    weer mijn handen brand
    stel dat ik hier nu neerval
    door hartfalen of verdwaalde kogel

    een afrekening in het crimineel circuit
    maar eigenlijk van God
    in deze veel te nette buurt en hij daarboven
    gezogen in de tekenfilms merkt niets
    pas als de anderen terugkeren

    zal ik gevonden worden
    en herinnerd als een fijne vent
    met zijn nukken en zijn grappen
    ze zullen huilen aan mijn graf
    of valt de keuze voor een urn

    van boven komt geschreeuw
    over beelden die zijn gaan storen
    verwart kwast ik zacht een bord
    en keer langzaam terug in het besef
    dat de vaatwasser snel gemaakt moet worden

  • Twijfeltijden

    ‘Werk nou mee, kom nu je tanden poetsen.’
    Zijn zusje sputtert tegen bij het naar bed gaan. Snel doe ik tandpasta op haar borstel. Gelukkig geeft ze haar verzet even op.
    ‘Nee! Dat is mama’s tandpasta!’
    Ik weet bijna zeker dat ik me echt niet vergist had, maar verbeter mijn fout.
    Later breng ik hem naar bed.
    ‘Wat smaakt de tandpasta anders’, zegt hij.
    Vreemd, hij herkent ieder afwijkende smaak.
    ‘Het is écht de goede’, antwoord ik.
    Als hij is ingestopt, loop ik de kamer uit.
    ‘Heb je wat geks geproefd bij het tandenpoetsen?’ hoor ik zijn oudste broer -die onderweg naar bed is- aan hem vragen.
    ‘Ja, die smaakte heel gek.’
    ‘Ik heb ze omgewisseld. Ha, ha, 1 april.’

    ‘Bijsluiter’ Bijna non-fictie.

  • In zijn hum

    ‘Hallo, kom je weer terug naar planeet aarde?’
    Het is negen uur ’s avonds en ik kom de pomp voor de sondevoeding aansluiten. Hij is nog wakker, stuitert in zijn bed, maakt een geluid dat nog het meest op het loeien van een koe lijkt en zijn ogen loensen enorm. Wij noemen dat hummen.
    ‘Hallo, aarde hier.’
    Zijn ogen trekken weer recht.
    ‘Had je nog zoveel om over na te denken?’
    ‘Ja papa. Wat gebeurt er als Dagobert Duck en Lucky Luke in één filmpje komen?’
    ‘Dat weet je zelf toch?’
    Hij vraagt het de hele dag door.
    ‘Wat ga je straks doen?’
    ‘Slapen en niet hummen.’
    ‘Goedzo. Lekker slapen.’
    Straks zal ik hem weer uit zijn hum moeten halen.

    ‘Bijsluiter’ Bijna non-fictie.

  • Behouden

    Om twee uur precies hoort hij de brievenbus klepperen. De voordeur mijdt hij nu al zeker drie weken. Hij leeft uit de diepvries die in de bijkeuken staat, van zijn ruime voorraad wijn en in de herinneringen die voor hem realistischer aanvoelen dan het heden. De bank is sinds kort ook zijn bed. Vandaag gaat hij dood.

    De kaarsen branden.
    ‘Wil je nog wat wijn?’
    Haar ogen hebben nog geen bril nodig en kijken hem verliefd aan. Hij voelt de kriebels in zijn buik, wijn krijgt hij wel naar binnen. Eten zal hem niet lukken, ook al heeft ze zijn lievelingseten gekookt.
    ‘Ja’, zegt hij, ‘Ja, ik wil.’
    Ook nu kijken dezelfde ogen hem aan. De ogen van voorspoed. Ze is net achttien, hij eenentwintig en sinds hij haar kent hoeft hij maar naar haar te kijken om zich beschermd te weten tegen alle mogelijke rampspoed.
    ‘Geen kinderen?’
    ‘Nee, de dokter was duidelijk. We hebben elkaar, dat zal genoeg zijn.’
    Hij gelooft haar meteen en zoals altijd heeft ze gelijk. Ze hebben elkaar en het huis.
    ‘Hier ga ik nooit meer weg, als dat maar duidelijk is.’
    ‘Ik zag de boodschap al voordat jij haar woorden gaf, lief.’
    ‘Kom sluit de gordijnen maar.’
    Uiteindelijk zijn zij het laatst overgebleven van de bewoners die er woonden toen zij het huis betrokken. De meesten zijn vertrokken naar de nieuwbouwwijken. Buren kwamen eerst onaangekondigd via de achterdeur, daarna -toen de schuttingen geplaatst werden- via de voordeur en de laatste jaren bijna helemaal niet meer. Het zijn doorgangshuizen geworden, waar stelletjes of gezinnen wonen als tijdsoverbrugging van een verkochte naar een nieuw aangeschafte woning.
    ‘Let er maar niet op. Geluk hangt niet van de buren af.’
    Hij kan er moeilijk aan wennen, maar ook nu haalt zij er de scherpe randen van af.
    ‘Welk boek lees je?’
    Ze zit in haar stoel vlak bij het raam, het licht schijnt over haar schouder en reflecteert in haar leesbril. Het zijn de tekenen van ouderdom.
    ‘Hij staat je goed’, zei ze lachend toen hij als eerste van hun twee een leesbril had gekocht. Hij had zich er voor geschaamd, maar wist dat hij hem nodig had. Zij volgde vrij snel.
    Haar ogen zijn gesloten.
    ‘Ik leg je bril op het tafeltje’, fluistert hij.
    Haar gezicht is bleek en vertoont vlekken. Ze is haar hele leven slank geweest, vet heeft nauwelijks kans gekregen om zich in haar lijf op te hopen.
    De thermostaat van de centrale verwarming staat behaaglijk hoog. De bakjes die aan de radiatoren hangen om de luchtvochtigheid op peil te houden, staan al jaren droog.
    Er wordt op de voordeur gebonsd. Na enkele minuten wordt de deur ingetrapt, vaag hoort hij hoe de stapel kranten en post ruw opzij geduwd worden.
    Ze lijkt te ontwaken. Merkwaardig rustig staat zij op, zonder haar lichaam mee te nemen. Haar blik laat zijn ogen niet los, hij voelt de onverbrekelijke band met haar.
    ‘Kom, het is tijd om te gaan.’
    ‘Zeker weten?’
    ‘Ja, kom maar.’
    Hij volgt haar in alles.

    Terwijl ze het huis verlaten hoort hij achter zich twee mensen tegen elkaar praten.
    ‘Een natuurlijke dood lijkt me. Niet gelijktijdig, hij is nog warm en de vrouw is al aan het mummificeren.’