Alles chronologisch

  • Kreukels

    bed aan het raam en ik daarin
    kijkend naar buiten
    de stofzuiger overstemt
    James Brown Live at the Apollo
    negentientweeënzestig
    het ruist alle geluiden weg en ik zie
    een vogel zaadjes pikken
    de regen druilen op het gras
    het gras vol mos
    minitrampoline
    een zandbak, parasolvoet, plastic tafeltje, oude doek
    een kartonnen doos met flesjes bier
    de kinderfiets nog buiten
    verroest de afgedankte step
    de druivenrank bijna zonder leven
    klaar om uit te lopen

    daar blijf ik hangen want

    morgen loop ik uit
    en anders overmorgen

  • Aan de rol

    Toen Albert zeven jaar oud was, had zijn vader de schouderriem van de driepuntsgordel achter zijn rug om geleid, zodat hij alleen met de heupriem op de passagiersstoel zat. De klap op het dashboardkastje had de herinnering aan het ongeluk weggewist en zijn zicht op de wereld voorgoed veranderd. Zijn moeder had hem en zijn vader jaren daarvoor al verlaten.
    Albert groeide op met een beperking en zijn vader leefde verder met een schuldgevoel. Op dat schuldgevoel en het litteken bij zijn linkeroog na, leek hij op zijn vader. Ze hadden beide een lichtgetinte huid, donker haar, een gespierd lijf door intensief zwemmen, een gevoeligheid voor verslavingen en een goed stel hersenen.
    Albert’s vader had zich lang geleden al weten te ontwikkelen tot chirurg en hield zijn nachtmerries in bedwang met pillen en poedertjes uit de ziekenhuisapotheek. Albert maakte gebruik van zijn al vroeg verworven zelfstandigheid en zijn uiterlijk. Ook wist hij zijn beperking in te zetten om zoveel mogelijk meisjes in zijn bed te krijgen. Toen hij negentien jaar was had hij op de wand achter het bed in het tuinhuisje, dat omgebouwd was tot zijn residentie, al meer dan tweehonderd veroveringen afgeturfd. Zijn vader financierde zijn grillen en vroeg zelden waar hij het geld voor gebruikte. Alleen een auto behoorde niet tot de mogelijkheden. Daarvoor was zijn zicht te zeer verwoest.

    ‘Albert, ik heb met Harmsen van de experimentele chirurgie gesproken. Er zijn nieuwe ontwikkelingen op het gebied van de oogheelkunde.’
    ‘Kan je me het zout even geven?’ antwoordde Albert.
    ‘Albert, luister nou. Dit is echt interessant,’ vervolgde zijn vader terwijl hij het zout aangaf.
    ‘Luister, ik hoef jullie proefkonijn niet te zijn. Bij de vorige ingreep heb ik mijn oog helemaal verloren. Laat me nu maar lekker eten.’
    ‘Hiermee zou je kunnen beginnen met autorijden.’
    Even stopte het malen van de kaken en met volle mond zei Albert:
    ‘Autorijden zei je? Vertel me meer, maar weet wel dat je aanstuurt op een Porsche.’
    ‘Het is nog experimenteel, maar in China boeken ze er al goede resultaten mee. China gaat wat makkelijker om met het uitvoeren van proeven op mensen.’
    ‘To the point pa!’
    ‘Goed. Ze hebben een oog ontwikkeld dat elektrische impulsen omzet naar beeld.’
    ‘En dan gaan ze zeker allemaal draden leggen in mijn hoofd!’
    ‘Nee Albert. Het is vrijwel draadloos. Het oog is een zender en er wordt een kleine ontvanger in de hersenen geplaatst.’

    Vader en zoon spraken sinds lange tijd weer serieus met elkaar. De gesprekken werden voortgezet met experimenteel chirurg Harmsen, die een kans zag om zichzelf voorgoed op de kaart te zetten.

    ‘De operatie is geslaagd,’ hoorde Albert in de uitslaapkamer.
    Hij was nog versuft, maar dat was hem bijgebleven. Hij moest leren kijken. De vlekken die hij in het begin zag, moest hij afstemmen met het zicht van zijn andere oog, maar na verloop van tijd zag hij steeds scherper. De auto kwam er. Binnen twee jaar. Een Porsche. Daarmee breidde de turflijst achter zijn bed zich gestaag uit.

    Bij het schoonmaken van zijn oog had hij een andere mogelijkheid ontdekt. In het zwembad bij de dameskleedhokjes zat hij in zijn zwembroek, met gesloten oog en één lege oogkas te genieten van wat hij zag. Een handdoek verborg zijn erectie. Die verslapte slechts wanneer hij eraan dacht dat zijn oog zou vallen en over de grond zou rollen.

  • Terug naar het gewone leven.

    Onze oudste zoon is inmiddels dertien jaar oud. In december 2000 werd ik daardoor voor het eerst vader en vanaf dat moment merkte ik dat mijn kijk op het leven veranderde. Zijn geboorte maakte me bewust van de verantwoordelijkheden die ik naar hem voel. Onze zoon, mijn kind, is een bijzondere jongen vanaf dag één van zijn bestaan. In zijn ontwikkeling en zijn gezondheid waren er geen grote obstakels, hij groeit op als ieder ander. En net als iedere ouder dat zal hebben zit hij diep in mijn hart, geniet ik van zijn aanwezigheid en ben ik ook wel eens ongerust over hem. En ja, soms haalt hij het bloed onder mijn nagels vandaan.

    Ons middelste kind, ook een zoon, is in die zin niet anders. Hij is nu tien jaar oud. Ja, zijn geboorte verliep beroerd. Hij heeft veel zorg en aandacht nodig. Afhankelijk van een rolstoel, sondevoeding, een verstandelijke beperking en een diagnose klassiek autisme. Maar ook: vrolijk, praatgraag (al is het in constante herhalingen), humorvol en soms zeer irritant.

    Kind nummer drie is een nakomende dochter. Zij is vijf jaar. Ook voor haar geldt hetzelfde als haar broers. Een weer compleet ander kind, maar net zo mooi en speciaal als de andere twee.

    Over onze jongste zoon, ons middelste kind dus, schrijf ik verhaaltjes van precies 120 woorden. Zijn situatie wijkt af van het ‘normale’. Dat observeer ik, dat raakt me, dat deel ik, maar dat maakt hem zelf niet specialer, beter of meer bijzonder dan zijn broer of zus.
    Binnen de verschillende social media komt ik regelmatig bijzondere uitspraken tegen, meestal in het Engels en meestal voorzien van een wat zoet plaatje. Vandaag merkte ik dat één zo’n ‘spreuk’, met bijpassend plaatje, mij stoorde.

    De tekst is: Parents who have children with special needs never fail to appreciate what they already have.

    De positie van mensen met een beperking -en hun familie- is lange tijd niet benijdenswaardig geweest en nog steeds kan de zorg op veel fronten stukken beter. Ook aan de vooroordelen en de wat angstige houding richting deze doelgroep kan veel verbeterd worden.

    Maar nu mijn moeite.
    Ouders van kinderen met een beperking, zijn vooraleerst ouders. Ouders zoals ‘reguliere’ kinderen die ook hebben. Leuke ouders, fijne ouders, stomme ouders en zelfs slechte ouders. Natuurlijk zullen ouders van kinderen met een beperking waarderen wat ze al hebben, maar dat doen bijna alle ouders. De ‘speciale behoefte’ is hier zeker geen voorwaarde voor. Door de geboorte van ons tweede kind veranderde dit voor mij althans niet, dat gevoel had ik al bij ons oudste kind. De Engelse zin voelt voor mij bijna als het achterstellen van mijn ‘gezonde’ kinderen.

    Daarmee kom ik op het tweede punt waar ik moeite mee heb. Kinderen met een beperking worden in mijn ogen op een misplaatst voetstuk gezet. Door hun beperking(en) zou hun leven meer heroisch zijn. Ze moeten immers -lijkt de gedachtengang- harder strijden om het leven levenswaardig te maken. De hardwerkende ouders pakken een glimp van de heroïek mee. Daarmee zijn zij een voorbeeld voor de anderen, de niet beperkten. Verwoord dat in een mooie pakkende zin en onze gevoelige snaar wordt al snel geraakt. In onze hang naar zingeving, wordt er tegenwoordig ook over Nieuwetijdskinderen of Indigokinderen gesproken. Hun anders zijn moet ons leiden naar nieuwe inzichten.

    Naar mijn idee slaan we daarmee door naar de andere kant. Worden mensen met een beperking eindelijk meer en meer beoordeeld op hun mogelijkheden rekening houdend met hun onmogelijkheden, net als dat ook bij mij wordt gedaan in mijn gewone leven (want ja, ook ik kan niet alles even goed), nu moeten we ze op een voetstuk hijsen.

    Volgens mij is het simpeler: Het is zoals het is en bij ieder kind halen we het onderste uit de kan. De lat niet te hoog leggen en zeker niet te laag. Mogelijkheden zoeken en benutten. Iedere weldenkende ouder zal dat doen. Voor ouders met een kind met een beperking is dat harder aanpoten. Dat is vervelend, dat is zwaar soms, maar ook dat is zoals het is. Dat maakt mij geen betere ouder en mijn ‘beperkte’ kind geen beter mens.

    Ik heb drie fantastische kinderen -en vlak hun supermoeder niet uit- die alledrie evenveel voor mij betekenen. Ieder van hen heeft zijn specialiteiten en zijn nukken. Ons middelste kind is extra bijzonder. Extra bijzonder, omdat zijn leefsituatie meer afwijkt van het gewone leven van een doorsnee kind. Maar hij is verder als persoon niet beter of meer speciaal, want dan zou ik uitgaan van zijn beperkingen en niet van hemzelf. Eerst het kind en dan de beperking.

    Om Soul II Soul aan te halen: Back to life, back to reality, back to the here and now.

    image

  • Verbazing

    Bij binnenkomst ziet hij het meteen. Het beest is in de acht dagen van zijn afwezigheid verder gegroeid. Vanaf de eettafel kijken felle ogen hem uitdagend aan. Een stap richting de tafel was ruim een week geleden nog voldoende geweest om de kat te verjagen. Nu moet hij met zijn linkerhand in het nekvel grijpen om de tafel weer vrij te maken. Gelukkig is hij links niet gehavend.
    ‘Nee!’ zegt hij bezwerend.
    De kat schiet richting de vensterbank, om daar languit te gaan liggen.
    ‘Ik heb het een beetje opgegeven,’ zegt zijn vriendin, ‘er is geen beginnen meer aan.’
    De korte autorit en het in- en uitstappen hebben hem meer vermoeid, dan hij had verwacht. Het voelt als thuiskomen na een vakantie. Alles is hetzelfde en toch moet het huis zich weer gaan vormen naar zijn aanwezigheid.
    ‘Koffie?’
    ‘Lekker,’ antwoordt hij.
    Met stramme passen loopt hij naar de bank. Het zitten lukt. Met moeite. In pufjes blaast hij de steken weg. Hij kijkt om zich heen en stelt zich voor dat hij hier op bezoek is. De wandkast is volgestouwd met ongeordende stapeltjes boeken, post en tijdschriften, met allerhande spulletjes waaronder kinderspeeltjes. Een televisie trekt de aandacht naar het midden van de kast. Her en der staan bossen bloemen. Tulpen vooral, maar ook rozen en een groot gemengd boeket. De vloer verraadt nog meer kinderaanwezigheid.
    ‘Hier, de koffie. Ik moet even de was doen. Ga jij maar lekker genieten van je thuiskomst.’
    Zo zit hij alleen. De kinderen zijn buitenshuis. Hij neemt een slok koffie.
    De kat richt zich op, springt naar beneden en loopt over zijn voeten richting de tafel. De vacht strijkt langs zijn broek. Bij de tafel wordt een sprong voorbereid. De oren iets naar achter, de kop naar boven gericht, de heen en weer slaande staart en een kleine beweging achteruit.
    ‘Nee!’ zegt hij.
    Even kruisen de blikken elkaar weer. De kop wendt zich schijnbaar ongeïnteresseerd af. In een soepele beweging wordt de waarschuwing genegeerd. Met moeite schuift hij zijn billen naar de rand van de bank.
    ‘Nee!’ herhaalt hij zichzelf.
    Ook in het totale negeren vormt zich een herhaling. Voorzichtig zet hij één voet iets voor de andere en probeert alleen vanuit zijn benen op te staan. Een zwaard lijkt beurtelings in zijn schouder en in zijn ribbenkast te steken. Een steek erin, een kort moment van wrikken, zwaard eruit en dan de reeks opnieuw op de andere plek. Hij strijdt tegen pijn en principe. Toen de kat een half jaar geleden als kitten in huis werd toegestaan had hij het duidelijk gemaakt: niet op tafel, niet op het aanrecht en niet in de slaapkamer. De slaapkamer was meteen de eerste week al veroverd.
    ‘Nee!’
    Meteen de greep in het nekvel, de zwaai en het loslaten. In een soepele beweging sprint de kat de deur door en de trap op.
    Weer de bank, weer het zitten, weer het wegpuffen van de pijn.
    Hij is moe. Suf ook. Door de pijnstillers en de gebeurtenissen. Zijn gedachten dwalen af naar het tijdstip waarop er gaten in zijn geheugen zijn geslagen.

    ‘Weet u waar u bent?’
    Er hangen zeven gezichten boven hem, daarboven de regenwolken. Hij draait zijn hoofd naar rechts en ziet een bekend gebouw. Het lijkt alsof het gebouw danst in een zinderende lucht. Toch, in de winter zindert de lucht niet.
    ‘Ja, ik weet waar ik ben. Maar kunt u mij vertellen waarom ik hier ben? Dit is niet de weg naar mijn werk.’
    ‘Hoe voelt u zich?’
    Het ergert hem dat hij geen antwoord op zijn vraag krijgt.
    ‘Pijn,’ antwoordt hij.
    Dan een klein gat in zijn geheugen.
    ‘Ik ben arts. Ik wil er graag even bij. Het is verstandig als u meneer wat ruimte geeft.’

    Weer een gat in zijn geheugen. Vage beelden van een agente, die hem vragen stelt. De rit in de ambulance. Pijn. De milde vloekwoorden en de excuses, die hij er meteen achteraan nodeloos in de ruimte slingert. De EHBO. De eerste foto’s. De plotselinge verandering in sfeer. De versnelde pas om hem heen.
    ‘Meneer, u heeft zoveel gebroken, dat u waarschijnlijk ook zoveel pijn heeft, dat we niet zeker weten of u alle verwondingen goed voelt.’
    Zijn hoofd wordt stevig vastgehouden en hij krijgt een kraag om zijn nek.
    ‘We moeten u overleggen om een CT-scan te kunnen maken. Bent u claustrofobisch?’
    Met hulp draait hij op zijn linkerzij. Een draagmat wordt onder hem geschoven.
    ‘Op drie. Eén, twee, drie.’
    Pijn. Constante pijn, met een paar uitschieters, die in deze storm nauwelijks de felheid nog verder weten aan te jagen.
    De scan. De uitslag. De telefoontjes in dronkenmanspraat. De rit in een bed naar het zetten van een ruggenprik. De prik zelf. De Medium Care. De andere afdelingen. De bezoekers. Het ontslag.
    De herinneringen buitelen over elkaar heen. Soms chronologisch, meestal niet. De gaten, blijven gaten.

    Een doffe plof brengt hem terug in de kamer. De kat zit op het aanrecht van de open keuken. Even overweegt hij om op te staan. Het draaien van zijn hoofd doet hem al zeer. Hij is te vaak in beweging geweest. Roepen lijkt hem op dit moment nutteloos. De kat keurt hem geen blik waardig.
    Acht dagen, denkt hij, en zoveel gebeurd. Ik had dood kunnen zijn.
    Vanuit de keuken hoort hij hoe de kat op hem afloopt. Hij springt op de bank en kruipt al spinnend op schoot. Opnieuw stelt hij zich voor hier op bezoek te zijn. Even alleen in de kamer, met een vreemde kat op schoot. Wachtend op de gastvrouw. Denken in de derde persoon enkelvoud, creëert een tijdelijke afstand van de situatie. Een welkome afstand.

    Terwijl ik de kat aai, weet ik dat ik nog veel zal moeten heroveren.

  • Onbreekbaar

    ‘Oohh, hier heb ik zo naar uitgekeken,’ verzucht hij terwijl hij ons busje wordt uitgereden.
    Tenminste, dat bericht krijg ik van mijn vriendin via de mobiele telefoon. Zij laat me ook weten dat hij zich netjes aan het team mensen in de operatiekamer voorstelde voordat hij in slaap werd gebracht.
    ‘Dokter bedankt dat u ook hier bent,’ kreeg de revalidatiearts van zijn school te horen.
    Er wordt, onder narcose, Botox in zijn hamstrings gespoten. Over twee weken worden zijn benen beurtelings gegipst, om de spieren op te rekken.
    De berichtjes vliegen heen en weer over de telefoon.
    Ik lig in een ander ziekenhuis op te knappen van een aanrijding.
    Zijn moeder draagt gelukkig al jaren haar onzichtbare cape van supervrouw.

    ‘Bijsluiter’ Bijna non-fictie