Bij binnenkomst ziet hij het meteen. Het beest is in de acht dagen van zijn afwezigheid verder gegroeid. Vanaf de eettafel kijken felle ogen hem uitdagend aan. Een stap richting de tafel was ruim een week geleden nog voldoende geweest om de kat te verjagen. Nu moet hij met zijn linkerhand in het nekvel grijpen om de tafel weer vrij te maken. Gelukkig is hij links niet gehavend.
‘Nee!’ zegt hij bezwerend.
De kat schiet richting de vensterbank, om daar languit te gaan liggen.
‘Ik heb het een beetje opgegeven,’ zegt zijn vriendin, ‘er is geen beginnen meer aan.’
De korte autorit en het in- en uitstappen hebben hem meer vermoeid, dan hij had verwacht. Het voelt als thuiskomen na een vakantie. Alles is hetzelfde en toch moet het huis zich weer gaan vormen naar zijn aanwezigheid.
‘Koffie?’
‘Lekker,’ antwoordt hij.
Met stramme passen loopt hij naar de bank. Het zitten lukt. Met moeite. In pufjes blaast hij de steken weg. Hij kijkt om zich heen en stelt zich voor dat hij hier op bezoek is. De wandkast is volgestouwd met ongeordende stapeltjes boeken, post en tijdschriften, met allerhande spulletjes waaronder kinderspeeltjes. Een televisie trekt de aandacht naar het midden van de kast. Her en der staan bossen bloemen. Tulpen vooral, maar ook rozen en een groot gemengd boeket. De vloer verraadt nog meer kinderaanwezigheid.
‘Hier, de koffie. Ik moet even de was doen. Ga jij maar lekker genieten van je thuiskomst.’
Zo zit hij alleen. De kinderen zijn buitenshuis. Hij neemt een slok koffie.
De kat richt zich op, springt naar beneden en loopt over zijn voeten richting de tafel. De vacht strijkt langs zijn broek. Bij de tafel wordt een sprong voorbereid. De oren iets naar achter, de kop naar boven gericht, de heen en weer slaande staart en een kleine beweging achteruit.
‘Nee!’ zegt hij.
Even kruisen de blikken elkaar weer. De kop wendt zich schijnbaar ongeïnteresseerd af. In een soepele beweging wordt de waarschuwing genegeerd. Met moeite schuift hij zijn billen naar de rand van de bank.
‘Nee!’ herhaalt hij zichzelf.
Ook in het totale negeren vormt zich een herhaling. Voorzichtig zet hij één voet iets voor de andere en probeert alleen vanuit zijn benen op te staan. Een zwaard lijkt beurtelings in zijn schouder en in zijn ribbenkast te steken. Een steek erin, een kort moment van wrikken, zwaard eruit en dan de reeks opnieuw op de andere plek. Hij strijdt tegen pijn en principe. Toen de kat een half jaar geleden als kitten in huis werd toegestaan had hij het duidelijk gemaakt: niet op tafel, niet op het aanrecht en niet in de slaapkamer. De slaapkamer was meteen de eerste week al veroverd.
‘Nee!’
Meteen de greep in het nekvel, de zwaai en het loslaten. In een soepele beweging sprint de kat de deur door en de trap op.
Weer de bank, weer het zitten, weer het wegpuffen van de pijn.
Hij is moe. Suf ook. Door de pijnstillers en de gebeurtenissen. Zijn gedachten dwalen af naar het tijdstip waarop er gaten in zijn geheugen zijn geslagen.
‘Weet u waar u bent?’
Er hangen zeven gezichten boven hem, daarboven de regenwolken. Hij draait zijn hoofd naar rechts en ziet een bekend gebouw. Het lijkt alsof het gebouw danst in een zinderende lucht. Toch, in de winter zindert de lucht niet.
‘Ja, ik weet waar ik ben. Maar kunt u mij vertellen waarom ik hier ben? Dit is niet de weg naar mijn werk.’
‘Hoe voelt u zich?’
Het ergert hem dat hij geen antwoord op zijn vraag krijgt.
‘Pijn,’ antwoordt hij.
Dan een klein gat in zijn geheugen.
‘Ik ben arts. Ik wil er graag even bij. Het is verstandig als u meneer wat ruimte geeft.’
Weer een gat in zijn geheugen. Vage beelden van een agente, die hem vragen stelt. De rit in de ambulance. Pijn. De milde vloekwoorden en de excuses, die hij er meteen achteraan nodeloos in de ruimte slingert. De EHBO. De eerste foto’s. De plotselinge verandering in sfeer. De versnelde pas om hem heen.
‘Meneer, u heeft zoveel gebroken, dat u waarschijnlijk ook zoveel pijn heeft, dat we niet zeker weten of u alle verwondingen goed voelt.’
Zijn hoofd wordt stevig vastgehouden en hij krijgt een kraag om zijn nek.
‘We moeten u overleggen om een CT-scan te kunnen maken. Bent u claustrofobisch?’
Met hulp draait hij op zijn linkerzij. Een draagmat wordt onder hem geschoven.
‘Op drie. Eén, twee, drie.’
Pijn. Constante pijn, met een paar uitschieters, die in deze storm nauwelijks de felheid nog verder weten aan te jagen.
De scan. De uitslag. De telefoontjes in dronkenmanspraat. De rit in een bed naar het zetten van een ruggenprik. De prik zelf. De Medium Care. De andere afdelingen. De bezoekers. Het ontslag.
De herinneringen buitelen over elkaar heen. Soms chronologisch, meestal niet. De gaten, blijven gaten.
Een doffe plof brengt hem terug in de kamer. De kat zit op het aanrecht van de open keuken. Even overweegt hij om op te staan. Het draaien van zijn hoofd doet hem al zeer. Hij is te vaak in beweging geweest. Roepen lijkt hem op dit moment nutteloos. De kat keurt hem geen blik waardig.
Acht dagen, denkt hij, en zoveel gebeurd. Ik had dood kunnen zijn.
Vanuit de keuken hoort hij hoe de kat op hem afloopt. Hij springt op de bank en kruipt al spinnend op schoot. Opnieuw stelt hij zich voor hier op bezoek te zijn. Even alleen in de kamer, met een vreemde kat op schoot. Wachtend op de gastvrouw. Denken in de derde persoon enkelvoud, creëert een tijdelijke afstand van de situatie. Een welkome afstand.
Terwijl ik de kat aai, weet ik dat ik nog veel zal moeten heroveren.
Laat een antwoord achter aan Nienke Pool Reactie annuleren