Gedichten


  • Rondhangen

    ik hang hier nu al uren rond
    tuur wat over plein en zee
    bloed druipt niet meer op de grond
    het zit me nooit nee nooit eens mee

    tuur wat over plein en zee
    de boten deinen op en neer
    het zit me nooit nee nooit eens mee
    er dreigt opeens heel ander weer

    de boten deinen op en neer
    geen weg terug, maar ook niet voort
    er dreigt opeens heel ander weer
    hier stopt mijn vluchten voor de moord

    geen weg terug, maar ook niet voort
    verloor ik zomaar mijn geduld
    hier stopt mijn vluchten voor de moord
    toch was het ook zijn eigen schuld

    verloor ik zomaar mijn geduld
    de rechter zal mij niet meer redden
    toch was het ook zijn eigen schuld
    de doodstraf, durf ik om te wedden

    aan de galg en moegestreden
    bloed druipt niet meer op de grond
    weet ik uit mijn lijf getreden:
    ik hang hier nu al uren rond

    Bovenstaand gedicht is een zogenaamd Pantoum, waarop ik door Schrijfcafé Amersfoort gewezen werd.


  • Amicitia

    hoe voelt het nu zo afgedaald
    uw stappen over trap en treden

    want wie heeft wie hier heen gehaald
    wie bracht uw vriendschap naar beneden

    hoe bent u in de goot beland
    dat zou ik zo graag willen weten

    ach

    de vriendschap nam u aan de hand
    naast de zin in lekker eten

    Foto Koopgoot Amicitia van Carl030nl (via: http://www.panoramio.com/user/372958)
    Foto Koopgoot Amicitia van Carl030nl (via: http://www.panoramio.com/user/372958)

  • Voorbij de bron

    langs de eindeloos rechte weg
    staan hekken aan weerszijden om
    in het licht van de koplampen
    herten het verlammen te beletten

    wij zitten naast elkaar voorin
    de lege rolstoel achter vastgegespt
    aan riemen met zware haken en
    we zingen luidkeels met de radio

    laat dit niet ons laatste lied zijn
    nee laat dit niet ons laatste lied
    Engels verminkt naar moeder-
    taal en jouw benen stevig in je spalken

    een lantaarnpaal schijnt op
    een gat waardoor een hert kan sluipen
    of wij naar binnen als ik de auto tijdig
    veilig langs de kant kan zetten

    jouw benen in hun vorm gedwongen
    voor altijd te opstandig om te lopen
    door het gat zouden we hindes
    bij het klare water ontmoeten kunnen


  • De ratelaar

    haar moeder is op reis, vakantiepret
    en ik, haar vader, lig op bed
    hier boven slapend, hoop ik maar,
    de ratelaar

    hoewel vakantie, -ach, het lijkt nog nacht
    de wekker meldt: nog geen half acht-
    de deur gaat open staat zij daar
    mijn ratelaar

    ze groet mij dansend meer dan opgewekt
    terwijl ik zwijg en zij maar kwekt
    verzucht ik zachtjes: toe bedaar
    jij ratelaar

    ze hupt haar droom bezingt de nieuwe dag
    haar grapjes en haar mooie lach
    verstild is hoe ik naar haar staar
    die ratelaar

    ze springt op bed en deint me op en neer
    haar zinnen stromen telkens weer
    wanneer is deze kwelling klaar
    o ratelaar

    dan stopt ze plots en trippelt naar de trap
    beneden maakt ze zelf een hap
    zo ben ik even zonder haar
    de ratelaar

    ik draai me om voor nog wat slaap, helaas
    die lege stilte, ‘k voel me dwaas
    en sta snel op en stommel naar
    mijn ratelaar

    ‘je bent de liefste papa die ik ken’
    ik weet dat ik dat amper ben
    en luister slechts en denk zowaar
    ach ratel maar

    jij ratelaar


  • Na twaalven

    het raam staat open en
    de kerkklok slaat één
    om vlak daarna
    vanaf een andere toren
    nogmaals één te slaan

    een estafette lijkt te starten
    van kerkklokken die na elkaar
    steeds weer één uur slaan
    als een lint van slagen
    door het hele land

    het raam staat open en
    op het aanrecht ligt de krant
    een pagina gevuld met vette koppen
    de klokken slaan steeds meer door
    het is al twaalf uur geweest