Gedichten


  • Voorheenkijken

    in deze nu nog lege ruimte
    deze mogelijk laatste plek
    schijnt door het open raam
    de zon
    hij warmt
    zorgen uit het hoofd
    werpt een licht op morgen
    terwijl achter gesloten ogen
    de kamers van vroeger
    als een bonte stoet voorbij trekken

    in ieder vertrek
    schuilt een nieuwe ontmoeting


  • Afstemmen

    weet je, straks zijn de potloden tot stompjes weggeslepen
    en heb ik verlegen de mensen bedankt
    die mijn bestaansrecht aflezen van papier
    om een hokje rood te mogen kleuren

    terwijl ik iedere middag bij thuiskomst
    jouw keuze op mijn lippen voel
    als we zonder papieren bij de hand
    elkaar opnieuw bestemmen

    telkens weer
    onverslijtbaar
    heel even zonder woorden
    ons bestaan weer richting geven


  • Opgeruimd

    ik zou het liefst in een piepklein doosje willen sterven
    verscholen in een hoekje van de kamer
    daar waar stofvlokken zich verzamelen
    om bij de voorjaarsschoonmaak amper zichtbaar
    weggezogen te worden, in de afvalbak geworpen
    en met al het andere vuilnis verbrand te worden


  • Wat rest

    in de kapel de kist
    de deksel net gesloten
    daaronder de man met de baard
    de ingevallen wangen
    een bril voor zijn gesloten ogen
    een beeld van wie hij niet meer was

    nog geen dertig mensen
    familie en helpende handen
    de vriend die meer een kennis was
    heeft een kaartje gestuurd
    griep hindert de laatste groet
    een dominee die koster heet

    zijn lever, zijn longen
    zijn slokdarm, zijn hart
    zijn hang naar gezelligheid
    maar geen talent om dit te bieden
    sigarettenrook en alcohol
    zelfs de televisie stond op zwart

    een oude man op jonge leeftijd
    de beperking van de wereld
    die hij nooit begrepen heeft
    na afloop koffie en een broodje
    een afspraak voor de familiedag
    zijn as in urn komt bij zijn ouders


  • Door de sneeuw

    ook dit jaar weigert de sneeuw
    na het eindeloze wachten
    en het nauwelijks vallen
    na het eindeloze nauwelijks vallen
    te blijven liggen
    roerloos vlekkenwit
    in amper een uur
    vertrapt tot pap
    verreden tot sporen
    die niet meer terug te vinden zijn
    als ik mijn ogen open
    vlak daarvoor in gedachten

    zag ik de zon voor me
    de heuvels van de vakantie
    het heerlijk koele glas
    dat ik aan mijn lippen zet
    en ik niet alleen

    zo leg ik mijn sporen uit
    in het dwarrelen van de sneeuw