Gedichten


  • Dobberend (O.l.v. toren Amersfoort)

    Ik dobber op het water, in de gracht en
    bij de basis van de toren. Goed geaard
    dit fundament van een geloof, aanvaard
    door mensen met wat andere gedachten

    dan ik, die meer op feit dan fictie vaart.
    Die na zijn dood maar weinig te verwachten
    heeft, en toch het vertrouwen weet te achten
    dat een mens in Kerk en God bewaart.

    Zo kijk ik van de waterlijn omhoog
    en lees de lange regels oude stenen.
    Ik zie de nis waar net een duif wegvloog.

    Vliegt hij een olijftak zoekend heen? En
    dan merk ik: God die eventjes bewoog.
    Het huis verworpen, heilig nooit verdwenen.


  • Voor wie zich herkent

    achter het goed verzorgde gelaat
    onder zorgvuldig uitgekozen kleren
    kolken de gevoelens en gedachten
    die zij in woorden weet te pakken
    tot zinnen weet te rijgen
    naar buiten weet te loodsen
    in een rakend spel met taal

    zo vang ik slechts een flardje wind
    van de storm die in haar woedt


  • Stoffelijk overschot

    Op 15 juli 2017 kwam ik een tweet tegen van Claudia (@MadameDeSable). Ik volg haar al langer in ’twitterland’. Ze plaatst vaak mooie foto’s van haar hond, de natuur of van mensen. (En kan behoorlijk grappig uit de hoek komen.)

    Het beeld en haar tekst uit de tweet hierboven, zette me aan tot een sonnet.

    Claudia voegde tekst en beeld samen tot onderstaande:

     


  • Eindstation

    het meisje naast me in de trein
    meer een jonge vrouw
    spreekt opgewekt tegen haar mobieltje
    de dopjes van de koptelefoon
    schermen de wereld van haar af
    ze praat over feestjes over kleding
    over thuis
    over de drie dagen dagbehandeling
    per week en de momenten waarop
    ze over zelfmoord aan het denken was
    haar stem klinkt vrolijk ongedwongen
    ik kijk langs haar heen naar buiten
    en hoor alles wat ze zegt
    terwijl de wereld langsraast
    naderen wij in opgewekte stemming
    samen
    ons eindstation


  • Tonen

    in de grote ruimte met café in de naam
    druipt jaren zeventig muziek uit de boxen
    langzaam naar mijn oren
    ik denk het weg
    padam padam

    pubers lopen in groepjes langs
    en ouders laten kinderen achter
    bij de kamers om mij heen
    padam padam

    trompetten fluiten gitaren
    een enkel schildermeisje -jongen
    samen met een docent die niet
    zo schilderachtig lijkt naar het balkon
    padam padam

    de pubers spreken onzintalen
    over twee vakken in de open ruimte
    eten donuts lepelen kwark
    padam padam

    en ik wacht en duw de tijd vooruit
    de stroperige tijd
    die in jaren zeventig tempo voortgaat
    padam padam

    tot eindelijk toch nog onverwacht
    zij zich weer laat zien
    en wij samen huiswaarts stappen
    padam padam
    padam

    padam