de rusteloze mens verwierf terrein
en plaatste grenzen om de ander
weg te wijzen te verdrijven
die eerste dag
dan de dieren tot voer gekist vermalen
onherkenbaar opgediend waar niemand
meer een naam aan gaf
die tweede dag
het water opgevuld met plastic opgepikt
naar wolken wemelend doods
voor eeuwig onafbreekbaar
die derde dag
de sterren verbleekten in het licht
van alle werkers die hun nachten
op dagen lieten lijken
die vierde dag
het water spoelde weer over
het ooit verworven land en zaad
kwam niet tot bloeien
die vijfde dag
het uitspansel boven de hoofden
raakte langzaam aan de aarde
waar nauwelijks onderkomen was
die zesde dag
tot de warme deken voor de zon
getrokken werd en de mens zichzelf
sussend zacht in slaap liet wiegen
die laatste dag
er waren allang geen goden meer
waar mensen nog aan hechtten
niemand zag dat het genoeg was
die laatste kans