Gedichten


  • Nomen est omen

    Amersfoort is al eeuwen
    en zal ook eeuwen blijven
    een plaats om door te waden.
    Hoe hoog het water ook
    aan onze lippen staat,
    hoe zeer we door uitersten
    toch steeds gemiddeld blijven,
    we blijven waden
    met vaste voet aan grond
    en tegen alle stromen in.

    Amersfoort komt altijd boven drijven.

    (Geïnspireerd op de stadsdichtersopdracht: Gedicht over toekomst Amersfoort (niet naar meegedongen)

  • Ontkroond

    mijn handen tasten in het ongemak
    dat tussen ons blijft hangen
    ik slik mijn kriebels door en
    durf mijn neus niet op te halen
    zelfs mijn kussen houd ik weg
    van jouw versgestifte lippen
    mijn hoofd draait de adem van jou af
    voordat we woorden wisselen
    zo komen wij tot zinnen
    terwijl ik juist zou willen zwijgen
    om mijn gevoel te laten spreken
    raken wij elkaar in onvermogen

  • Overdenken

    de zon schijnt warm
    in deze tot afstand gekroonde tijd
    bankje buiten bord op schoot
    krant ongelezen weggelegd

    de tuinen klinken naar vakantie
    straks de eerste zweem van barbecue
    klanken, geuren en daarnaast beelden
    op een scherm van mensen die je mist

    het tasten voelt de warmte 
    van andere huid niet meer
    lippen worden voorzichtig nog geproefd
    gevoel zoekt evenwicht

    afstand tussen mensen
    is niet in meters uit te drukken
    nabij zijn is even de gedachte
    die de ander bij je houdt


  • Thuis

    de kat kijkt langer naar mij
    dan ik naar hem wil kijken
    maar in zijn blik blijf ik gevangen

    hij ligt uren in de holte
    van mijn benen in de nacht
    waardoor ik niet tot draaien kom

    hij miauwt zijn kostje bij elkaar
    en eist een handdoek op
    na regennatte tochten

    de kat slaapt langer
    en nog dieper dan
    een puberzoon kan slapen

    hij toont zijn dankbaarheid
    in resten dode muizen
    en steeds weer nieuwe dokterskosten

    de kat en ik verdragen elkaar
    in dit gezin omdat hij en ik zonder
    hen niet weten hoe te overleven


  • Voortvarend

    we stapten samen op het veer
    en deinden dansend naar de overkant
    jouw hand op mijn schouder
    en ik pakte je middel
    tegen alle boze krachten in
    de eindeloze opkomst
    van de zon die met zijn stralen
    mijn vingers vond kroelend door je haar
    jij lachte ik kuste
    jij sprak ik wist
    dat niemand ooit nog sterven wilde
    de kalme schipper voer ons
    zeven keer het water over
    voor de prijs van beiden één
    alsof we toen al samenvloeiden
    we steeds meer leven maakten
    een enkel kaartje
    jij en ik
    naar de eeuwigheid