De overname (2)

(Soms blijf je schaven aan een verhaal. Vandaar een tweede versie.)

De sneeuw waait aangejaagd door een harde wind tegen mijn gezicht. De kou kruipt door mijn kleren. Banden hebben hun sporen door de verse sneeuw getrokken en leiden naar de auto die tegen een pui tot stilstand is gekomen. Ik loop bij de auto vandaan. Het is mijn auto niet. Niet mijn probleem.
Ik ben hier eerder geweest, lang geleden. Aan het eind van de straat zie ik een gebouw dat me vaag bekend voorkomt. Hier moet ik zijn, mijn intuïtie laat me nooit in de steek.
Ik ben handelaar in onroerend goed en op zoek naar een nieuw pand, dat ik tegen een hoge prijs kan verhuren.
Ik loop op de deur af.

Ben zo terug staat er op het papiertje dat op de ruit is geplakt.
Ik kijk naar binnen en zie een oude man achter de toonbank staan. Hij staat met zijn rug naar mij toe. Ik besluit het berichtje te negeren.
Bij het binnengaan verwacht ik gekraak, maar de deur gaat makkelijk open. De ouderwetse winkelbel rinkelt en valt dan van zijn veer, vlak voor mijn voeten.

‘Goddondersnogaantoe!’
Hoewel ik niet geraakt ben, voel ik me licht in mijn hoofd. De vochtige geur van een brandende gaskachel, vermengd met de geur van lang liggend, opgewarmd stof, dringt mijn neus binnen.
Langzaam draait de man zich om.
‘Ja, ja,’ zegt hij.
Hij kijkt me vriendelijk aan. Zijn reactie brengt me van mijn stuk.
Een gevoel van woede flitst door mijn lijf.
Doe normaal jij! denk ik. Je ziet zelf toch ook wat er gebeurd! Kan je geen sorry zeggen of op zijn minst vragen hoe het met me gaat? Wat een oude zooi hang je aan je deur. Ik had wel gewond kunnen raken! Of nog erger!
Ik verbijt mijn woede en het lukt me met moeite mijn mond te houden, omdat ik weet dat het me zal helpen om mijn doel te bereiken.
Ik haal diep adem, onderdruk een kuch, en loop naar de toonbank. Achter de man zie ik kasten vol snoepgoed. Gewoonlijk kom ik direct ter zake, maar hij is me voor.
‘Zoet of zuur?’
Verdwaasd kijk ik hem aan.
Is hij gek? Een seniele oude vent? Dat zou bij de onderhandelingen zeker in mijn voordeel zijn. Hoe kan ik hem het best benaderen?
Ik neem aan dat hij de eigenaar van het gebouw is.
‘U lijkt me een zuur type,’ zegt hij, ‘Hier neem deze maar.’
Hij graait in een pot en houdt me een zuurtje voor. Zijn glimlach is zacht, maar zijn uitgestoken hand verraadt een man die geen tegenspraak duldt.
Is hij echt gek of is hij gewend zijn wil aan anderen op te leggen?
Zijn ogen kijken me onafgebroken aan. Ik kijk terug.
Niet wegkijken nu. Wie het eerst wegkijkt toont zijn zwakte. Vroeger hadden we zuurtjes in de auto, als we op vakantie gingen. In een blikje. Hoe smaken ze ook alweer? Welk zuurtje heeft hij eigenlijk in zijn hand?
Ik kijk naar zijn hand.
Verdomme, denk ik, eerste slag verloren.
Weer flitst woede door mijn lijf.
Ik neem het zuurtje aan en steek het net iets te gejaagd in mijn mond. Terwijl ik het snoepgoed door mijn mond laat gaan, kijk ik de winkel rond. Het is er niet ruim. Een sigarenboer, een telefoonzaak of een tijdschriftenwinkel zouden hier passen. Snoepwinkels zijn niet meer winstgevend. Eventueel een shoarmazaakje of een afhaalpizzeria. Oud hout en spinnenwebben. De man en ik blijven zwijgen. Daarnet keek ik het eerste weg, maar nu zal hij als eerste de stilte doorbreken. Daarmee zal ik hem mijn kracht tonen.
Op het moment dat de zoete buitenlaag in mijn mond door het zuur verdrongen wordt, gaat een telefoon. De man laat hem gaan. Een extra bel versterkt het geluid. Ik houd niet van harde geluiden.
‘Moet je niet opnemen?’ vraag ik hem.
Shit, tweede slag verloren. Zelf het zwijgen doorbroken.
‘Ja, natuurlijk,’ zegt hij.
Hij neemt tergend langzaam de hoorn op, zet hem aan zijn oor, luistert zonder iets te zeggen en geeft de hoorn aan mij.
‘Voor u.’
De situatie is zo absurd, dat ik zonder vragen de hoorn overneem.
‘We hebben een probleem,’ hoor ik nog voordat ik mijn naam genoemd heb.
Ik herken de stem.
‘Wat voor een probleem, Harry?’
Harry antwoord niet.
‘Wat voor een probleem, Harry?’ hoor ik een andere stem mijn woorden herhalen.
Het is Johnny.
‘Er is een onderzoek gestart,’ vervolgt Harry.
‘Onderzoek waarnaar?’
‘Witwassen en afpersing. Ik had hem gewaarschuwd.’
Ik ben midden in een telefoongesprek beland en kan alleen toehoren.
Ja het klopt, Harry had mij inderdaad gewaarschuwd. De aanscherping van de wet- en regelgeving en met name de controle daarop, had al meerdere collega’s tegen de lamp laten lopen. In mijn werkkring is de grens tussen legaal en illegaal dun en over het algemeen bevind ik me aan de kant waar de wetgevers mij niet graag willen zien. Harry is de man die ervoor zorgt dat de juiste mensen op tijd wegkijken. Soms met geld, soms met geweld, maar altijd effectief. Johnny helpt hem daarbij.
‘Hoe ga je dit oplossen Harry?’
‘Ik weet het niet. Ik krijg hem niet te pakken. Normaal is hij goed bereikbaar, maar nu niet.’
Terwijl ik Harry aanhoor blijft de man mij onafgebroken vriendelijk aankijken. Hij staat onbeweeglijk. Zijn ogen lijken mij te doorboren. Ik voel me er ongemakkelijk bij en draai me van hem af.
Hoe kan het dat hij een telefoongesprek doorgeschakeld krijgt, dat over mij gaat?
Het idee dat ik misschien bang voor hem ben, schuif ik direct terzijde. Hij ergert me. Hij is te rustig, te vreemd. De hele situatie ergert mij.
Hij moet oppassen, die vent. Ik doe hem wat aan! Als hij zo doorgaat steek ik hem neer. Niemand die het nu merkt. Kloothommel. Ik heb ze voor minder gestoken. Ik ken de plekken waar het optimaal zeer doet.
Het mes zit in mijn rechterjaszak, maar met rechts heb ik ook de hoorn vast.
‘Is er dit keer wel een oplossing, denk je?’ vervolgt Johnny.
‘Ik vraag het me af. Dit keer kan ik alleen proberen de schade te beperken.’
”Dat zal hij niet …’
Ik slik het zuurtje door, de verbinding valt weg.

‘Je zou het kunnen doen,’ zegt de man vanachter de toonbank.
‘Wat?’
‘Het mes.’
‘Welk mes?’
‘Ik was ook goed met messen, toen ik jonger was. Eentje is een keer te lang aan mijn mes blijven hangen, daar moet ik nog steeds voor boeten.’
‘Wat wil je zeggen, dat ik bang voor je moet zijn?’
‘Ja, ja,’ zegt hij, ‘nog maar een zuurtje.’
Hij is echt gek! Wat weet hij van mijn mes? Zou hij helderziend zijn? Zou hij echt iemand aan het mes geregen hebben? Nu niet in mijn kaarten laten kijken! Speel het spel mee! Pak het maar aan. Het is warm hier. Misschien kan ik beter weggaan. Weg van die mafketel. Ik kan hem nog steeds neersteken. Nee, niet aan denken nu. Denk aan iets anders. Straks kan hij echt gedachten lezen. Neem het zuurtje aan.
Bijna meteen nadat ik het zuurtje in mijn mond steek, trekt mijn mond samen, een golf zuur verspreidt zich. Met moeite slik ik het opkomende speeksel weg.
De man bukt, mijn hand schiet naar mijn jaszak. Hij staat rustig op en heeft een krant in zijn hand, die hij met een kleine boog voor me op het hout gooit.
Blijf rustig. Doe niet zo angstig. Herpak je, lul die je bent!
Ik kijk naar de pagina voor me.

Slachtoffer bij brand in snoepwinkel, staat er boven een artikel. Ik herken de winkel.
Verdomme. Het is deze winkel, op een andere plek in een andere tijd. Nu weet ik het weer. De vorm die ik buiten herkende. De eigenaar wilde niet verkopen. Waar ben ik beland?
Het was één van de eerste zaken waar ik mijn zinnen op had gezet, maar de eigenaar weigerde te verkopen. Hij reageerde agressief, wilde me zelfs aanvliegen, maar ook toen liet ik al niet over me heen lopen. Ik dacht dat een brandende lap stof door zijn brievenbus hem wel op andere gedachten zou brengen. Wist ik veel dat de winkel maar één in- en uitgang had. De man was zelf ook niet brandschoon. Hij had zijn weegschaal gemanipuleerd en was altijd net door zijn centen heen, zodat de prijzen op stuivers naar boven afgerond moesten worden.

Vanachter de toonbank zie ik de glimlach van de oude man groter worden, tot ik vooral een rij ontblote tanden zie. Het vlees van zijn lippen trekt letterlijk weg, de huid op zijn gezicht verandert van een gezonde, naar verbrande huid.

‘Ja, ja en nu het zoet.’
Hij is het! Verdomme. Niet alleen manipulatie en oplichting. Hij is net als mij. Beide weten we wat doden is. Wat gebeurt er met me? Ik moet hier weg!
Mijn benen weigeren iedere medewerking.
Hij houdt me een roomboterbabbelaar voor. Een vreemde kracht stuurt mijn arm, mijn hand, mijn lichaam.
Ik wil dit niet! Ik moet mijn mond dichthouden. Die babbelaar mag ik niet nemen! Doe het niet! Help! Nee, niet in mijn mond! Nee!
Het lukt me niet. Ik proef de zoete smaak. Een heerlijk zoete smaak.
Vind dit vies! Walg hier van! Gadver, het is lekker. Zijn hier meer van? Nee, niet aan denken! Denk het weg. Heerlijk. Meer!
De man opent de klep in de toonbank.
‘Kom verder.’
We wisselen van plek.
‘Veel plezier de komende tijd. Je zult er heus aan wennen.’
Hij trekt een jas aan, doet een das om en loopt naar de deur.
Langs hem heen zie ik hoe de brandweer buiten een lichaam vanonder de auto wegtrekt. Het is mijn lichaam. Een ambulance staat klaar.

‘Laat het briefje maar hangen. Er komt vast wel iemand die nog een schuld bij jou heeft uitstaan.’

Voordat hij de deur geopend heeft, is de man al verdwenen.


Geplaatst

in

Tags:

Reacties

2 reacties op “De overname (2)”

  1. Nootjes (@Indewar1) avatar

    Ik vind de eerste versie subtieler en suggestiever, daardoor spannender. En mooier.

    1. @Hadeke avatar

      Hmmm, dan ga ik deze misschien weer verwijderen. 🙂

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *