‘Januari 31 dagen. Februari 28 of 29 dagen. Maart 31 dagen.’
‘Heeft,’ bijt ik hem toe. ‘Januari hééft 31 dagen! Begin maar opnieuw!’
Zonder zijn blik van mij af te wenden begint hij opnieuw aan de opsomming.
Terug in de klas, ik ben negen jaar. Ik kijk over de bankjes waar -op een enkeling na- iedereen voorovergebogen op zijn armen ligt. Mijn buurjongen is aan het woord.
‘Maart heeft 30 dagen.’
‘Fout!’ onderbreekt de meester hem op barse toon en geeft de beurt door.
De meeste klasgenoten zeggen hun rijtje in één keer goed. Dan mogen ze recht gaan zitten. Ik zat het eerst overeind.
Als we jarig zijn trakteren we de meester op Caballero sigaretten, die hij voor in de klas oprookt. Hij kan schitterende verhalen vertellen en prachtig tekenen. Hij mag mij en ik mag hem. Ik hoef in ieder geval niet bang voor hem te zijn. Als hij boos is kan hij je neus raken met de bordenwisser. Als je geluk hebt gooit hij met de wisser die geen houten achterkant heeft. Hij wordt zelden boos, want hij heeft de wind er goed onder.
Mijn buurjongen zit nog steeds voorovergebogen en krijgt nogmaals de beurt. Het lijkt goed te gaan.
‘November 31 dagen.’
‘Blijf jij maar tot de pauze nadenken! Het is fout en je vergeet een hele zin te maken. Met jou wordt het nooit wat!’ briest hij vanachter zijn bureau.
De pauze is over een half uur. Ik kan me moeilijk concentreren met het zachte gesnik naast me, maar ik durf ook geen aandacht aan hem te besteden. De meester heeft een keer een aanwijsstok op een bankje kapotgeslagen toen iemand onder een stil moment aan het fluisteren was.
Er komen leerlingen het lokaal binnen die de klassen rondgaan. Eén van hen is jarig. Hij geeft de meester de geijkte Caballeros en een vrolijk versierd pakje rozijnen. Er zijn weinig dingen die ik niet lust, maar rozijnen is daar één van.
‘Kom eens,’ wenk hij naar me.
‘Hier eet jij deze maar op.’
‘Dank u wel meester,’ zeg ik. Ik eet de rozijnen meteen op door ze in hun geheel door te slikken. Ik probeer mijn afkeer voor deze smaak met alle mogelijke moeite te bedwingen.
Zo verlopen mijn dagen op school.
‘Was het leuk op school?’ vraagt mijn moeder regelmatig.
‘Ja,’ antwoord ik elke keer.
‘Wat heb je gedaan?’
‘Nou gewoon, van alles.’
Ik verschil daarin niet van andere negenjarigen.
Tegen de zomervakantie vertelt de meester weer één van zijn schitterende verhalen.
‘Jullie moeten weten dat ik een prins was, voordat ik bij jullie op school kwam. Ik leefde in een dorp in de rimboe en had nog nooit sneeuw gezien.’
Ik hang aan zijn lippen.
‘Wat denk je, verzin ik dit allemaal?’ vraagt hij plotseling aan mij.
Ik raak in de war van deze vraag. Als ik geen goed antwoord geef zal hij misschien boos worden. Hij kijkt me strak aan en wacht ongeduldig op een antwoord. Ik weet zelf niet goed waarom, maar voel de tranen in mijn ogen branden.
‘Ik denk dat u deze prachtige verhalen helemaal zelf bedacht heeft,’ antwoord ik met een onvaste stem.
‘Je denkt dus dat ik een leugenaar ben?’
Ik voel dat het fout gaat.
‘Nee meester. U bent een goede verhalenverteller.’
De meester luistert al niet meer.
‘Dat is dus jouw dank voor mij. Mij uitmaken voor leugenaar!’
Zijn gezicht kleurt rood van woede en ik kan mijn tranen niet meer bedwingen.
‘Kom jij maar naar voren,’ zegt hij op een verontrustend rustige toon.
Langzaam loop ik naar zijn bureau. Hij geeft me het schoteltje dat hij normaal als asbak gebruikt.
‘Hou dit maar onder je kin om je tranen op te vangen.’
De schotel stinkt naar vele jaren van Caballero as. Schokschouderend hou ik de schotel onder mijn kin, terwijl de tranen over mijn wangen rollen.
‘Kijk eens jongens, is dat geen grappig gezicht. Lach er maar eens goed om,’ zegt hij tegen de klas.
Een ongemakkelijk, maar luid gelach schalt door de klas. Daarna mag ik gaan zitten.
‘En hou de rest van de dag alsjeblieft je mond,’ bijt hij me nog toe.
Thuis blijf ik volhouden dat het weer een prima dag is geweest. Ik besef heel goed dat ik het zelf was die de meester boos heeft gemaakt.
In de weken tot de zomervakantie ben ik wat vaker ziek dan normaal.
Nu sta ik hier met een mes en hem zittend tegenover me.
‘December hééft 31 dagen.’
Zijn blik priemt in mijn ogen, de minachting straalt mij tegemoet.
Eigenlijk was het toeval. Ik liep hem tegen het lijf in de winkelstraat. Hij herkende mij niet, dat was duidelijk. Een andere plaats en heel wat jaren later. Mijn hele lijf herkende hém wel, de walging stroomde er doorheen. In een opwelling volgde ik hem en achterhaalde zijn woning. Een bejaardenwoning voor een man alleen.
Mijn vervolgplan was snel gemaakt, hij zou gaan boeten.
Mijn blik dwaalt rond door zijn kamer. Foto’s van mensen in een soort van jurken voor eenvoudige houten woningen. Beelden uit een andere cultuur. Een bundel speren in een hoek.
En natuurlijk de geur van sigaretten.
‘En wat wil je nu van me? De hoofdsteden van Europa?’
Het lijkt of zijn ogen niet eens knipperen. De twijfel slaat toe. Wat heeft me hiertoe gebracht. Van nature ben ik helemaal geen op wraak beluste man.
Langzaam laat ik het mes zakken en ook nu voel ik de tranen weer komen.
‘Ach jongen, zal ik een schoteltje pakken voor het opvangen van je tranen?’
Dat zetje had ik nodig.
Geef een reactie