Het is donker en koud. De kat valt onze hond aan, door uit het niets op hem af te springen. Hij geeft een korte tik op de kop van de hond een schiet dan de struiken in. Er hangen nu geen besjes in, maar als ze er hangen passen die witte balletjes perfect in onze plastic blaaspijpen. Wanneer je ze hard genoeg wegblaast spatten ze uit elkaar tegen de ramen. Het is nu een ander seizoen. Ik geef een ruk aan de lijn. Ik wil naar huis.
De wijzers van de kerkklok geven aan dat ik amper vijf minuten buiten ben. Naar huis kan ik nog niet, want ik wilde immers een hond, dan moet ik er ook zelf voor zorgen.
Boven me zie ik de gaatjes die in het hemels folie geprikt zijn. Ik herken de patronen uit het boek van mijn moeder. De Grote Beer, de Kleine Beer en Auriga; de Voerman. Ik loop in de kijkdoos van de almachtige Voerman. Door het forse kijkgat valt licht, maar het oog is afwezig. Ik doe mijn best, maar zelfs Hij ziet me niet.
De hond trekt de lijn strak, ik geef hem wat ruimte om het veld op te lopen. Zolang hij niet om de boompjes heen loopt, kan ik blijven staan.
Voor me ligt een baksteen. Het kijkgat wordt nog steeds niet gebruikt. Met mijn blik dwing ik de steen de lucht in. Het lukt niet. Mijn buurjongen heeft een tijdschrift, daar stond het in. Naast de plaatjes van blote vrouwen, waar ik niet naar durfde te kijken. Levitatie. Het optillen van voorwerpen met behulp van innerlijke kracht. Even lijkt het licht vanaf het kijkgat te flakkeren.
‘God bestaat niet,’ zei mijn buurjongen stellig.
Op zijn kamer staat een televisie en een stereo-installatie. Hij is katholiek en zit bij mij in de klas. Een katholieke jongen, bij ons op een protestant-christelijke school. De katholieke stinkfabrieke zijn eigenlijk nog erger dan de openbare klapsigare. Hij is sterk. Zo sterk, dat het katholieke nooit een probleem is. Onder zijn bed ligt het tijdschrift dat hij van zijn broer heeft geleend. Dat weet ik wel, maar zijn ouders weten van niets. Mijn ouders al helemaal niet.
‘Je maakt een grapje.’
‘Nee, God bestaat niet. De dinosauriërs hebben bestaan. God niet.’
Ik zweeg en wist dat hij niet meer te redden was.
We draaiden aan de antenne van de televisie en kregen redelijk beeld. Als we doodstil op onze eigen plek bleven zitten, konden we het programma goed volgen. Hoe de superheld van kleur veranderde, zagen we aan de grijstinten.
Laat U hem niet sterven?
Natuurlijk gaat hij dood. De ongelovige. Sneller dan ik. Het is onzin om het onmogelijke te vragen en al helemaal als het alleen voor eigen gewin is.
Neem anders mij maar.
Meteorieten kunnen als kleine steentjes het aardoppervlak bereiken. De snelheid is dan zo groot dat ze een perfect rond gat in een glazen ruit kunnen slaan. In een schedel vast ook. Morgen word ik gevonden met een piepklein gaatje in mijn hoofd, waar nauwelijks bloed uit loopt. Ik zet de kraag van mijn jas omhoog.
Nog maar zeven minuten buiten. Dit keer concentreer ik me op de wijzers. Het lijkt of ik ze blokkeer in plaats van vooruit weet te duwen. Ik heb geen innerlijke kracht.
Als God de aarde heeft geschapen, wie heeft God dan geschapen? En als God geschapen is, wie heeft dan de Schepper van God geschapen? En …
Ik dwing mijn gedachten tot stilstand.
Denk nergens aan.
Als je niet kunt praten en lezen, kan je dan ook niet denken?
Laat U hem niet doodgaan? Ik zal hem wel overtuigen.
Onze kat heet Poeki. Ik mocht hem geen Bastet noemen, naar een Egyptische godin. Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. In mijn gedachten blijft hij Bastet heten.
De hond trekt me vooruit en kronkelt op zijn rug door het gras. Hij heeft waarschijnlijk wat geroken. Liever dit kronkelen, dan de drollen die hij vaak naar binnen schrokt.
Kunt U mij alstublieft een teken geven?
Een auto toetert in de verte. Ik twijfel.
Wie twijfelt heeft nagedacht. Nee, twijfel is van de duivel.
Ik vraag veel van U, maar kunt U misschien duidelijker zijn?
Vandaag hadden wij op school een invalleerkracht. Aan het begin van de les opende hij de deur tussen de klaslokalen, zodat twee klassen samen de dagopening konden volgen. De invaller mocht niet dag openen, maar ons wel les geven.
Misschien kan mijn buurjongen meester worden?
Weer flakkert het licht. Hij kijkt naar me, maar zou hij me ook echt zien? Ik ben nietig. Niets. Minder dan een zandkorrel in de woestijn.
De Heer kan alles, Hij weet alles. Zijn toorn is in staat om mijn hele familie uit te roeien. Ik weet het zeker, ze liggen dood. Thuis. Koolmonoxide. Of er is een roversbende binnengedrongen, die de deurpost met bloed besmeurd achtergelaten heeft en alleen mijn oudste broer levend heeft ontvoerd. Mijn broer die mij slaat en altijd het gelijk van mijn ouders krijgt.
Ik haal de lijn in. De hond stribbelt tegen. Achter de nieuwbouw ligt een braakliggend terrein. Daar is onze hut. Er liggen kaarsen en lucifers. Mijn buurjongen heeft zijn pendelbord daar achtergelaten.
‘Hier kan niemand ons zien, zelfs die God van jou niet,’ vertelde hij.
‘God ziet alles.’
‘Kijk, ik stel een vraag: Kan God ons zien?’
De pendel zwierde vrijwel direct over het woord Nee. Het voelde nog steeds niet veilig, maar de geesten hadden gesproken. Er trok een kriebel door mijn buik.
Ik kijk omhoog. Het kijkgat is leeg. De hond draait om mij heen. Ik haak hem los. Hij rent kwispelend naar huis.
Dan sprint ik in één ruk naar de hut. Mijn benen voelen slap, maar kunnen mijn gewicht nog dragen. Ik voel de maan in mijn rug schijnen, het voelt alsof een geweer op mij gericht staat. Ik duik naar binnen.
Heer bescherm mij.
Behoedzaam komt de kat tegen mij aanliggen. Bastet, zij kon de zon verduisteren. Het is donker en dat zal het blijven.
Geef een reactie