Onderdompelen

De rail naast me lijkt een eigen leven te leiden. Als een eindeloze slang die met me meeraast. Bij de wissels dreigt hij me te verlaten, toch zie ik hem snel weer. Het kronkelbeest voelt vertrouwd, maar boezemt me ook angst in.
Addergebroed, denk ik.
Ik verlang naar rust. Naar eenzaamheid. Naar de woestijn die we ooit bezochten op vakantie. Vader, moeder en ik. Bejaarde ouders met een onwerkelijk jong kind.
‘Is dat uw kleinzoon?’
‘Nee, dit is Jan. Ons gezegend kind.’
Geen verdere uitleg, geen nadere vragen.
Als ik de verhalen die ik later hoorde kan geloven, heeft mijn moeder zich voor mij geschaamd. Ik durfde nooit te vragen of de verhalen klopten. Tijdens haar zwangerschap zou ze zich maandenlang verstopt hebben. Een moeder die haar kind verbergt nog voor het op de wereld is, dat zegt genoeg.
‘Jij bent het mooiste dat ons is overkomen.’
‘Onze zoon. De voorbestemde zoon,’ vulde mijn vader aan.
Toen had hij de woorden er weer voor.
Ik ben op weg naar de hoofdstad.
‘Ga maar. Jij ontloopt je bestemming niet,’ had ze gezegd toen ik wegging.
‘Ik zoek je snel weer op,’ antwoordde ik.
‘Nee, lieverd. Jij komt hier niet meer terug.’
Ze had gelijk. Haar woorden haperen steeds meer. Ze moet de adem met alle kracht naar binnen halen. Kracht die haar aan het verlaten is. De verpleging heeft me al voorbereid op het onvermijdelijke. Ze zullen bellen als er verandering in haar toestand optreedt. Een man van mijn leeftijd hoort nog geen wees te worden. Amper volwassen.
‘Heb je het ons kwalijk genomen jongen? Het leeftijdsverschil.’
‘Nee ma. Ik weet ook hoe graag jullie kinderen wilden en hoe lang dat geduurd heeft.’
Natuurlijk heb ik ze het kwalijk genomen. Ik werd ermee gepest en dat heb ik ze nooit verteld.
In de buurt van een station verdwijnt de slang regelmatig onder de trein, alsof hij zich wil verstoppen. Loerend op onschuldige slachtoffers of als hoeder van zijn enige slachtoffer, van mij.
Passagiers stappen het perron op en nieuwe reizigers nemen plaats op de banken. Tegenover mij komt een vrouw zitten. Nee, geen vrouw, maar ook geen meisje. Adolescent, jong volwassene, jongedame, het zijn woorden die niet bij haar passen. Een mooie meid, dat wel. Verleidelijk. Toch staar ik al snel weer naar buiten.
We rijden tussen de weilanden door, langs sloten en plassen. Achter een verre rietkraag vandaan, zie ik hoe zwerm vogels omhoog schiet.
Mijn telefoon gaat. Ik herken het nummer en druk de oproep weg.
‘Van mij had je op mogen nemen hoor. Ik stoor me daar niet aan.’
‘O nee, maakt niet uit. Ik weet waar het om gaat.’
‘Op weg naar Amsterdam?’
‘Ja, ik heb een kamer in de Jordaan.’
‘Bofkont.’
‘Ik heb het gevoel dat ik daar iemand ga ontmoeten.’
‘O ja? En wie dan wel? Is er toevallig nog een kamer over, dan kom ik graag in de Jordaan wonen.’
‘Woon jij ook in Amsterdam?’
‘Ja. ik volg een dansopleiding.’
Ik zwijg. Mijn vader zweeg ook, maandenlang. Voorafgaand aan mijn geboorte. Vader is dood, moeder nu ook.
De slang duikt weer op en kronkelt over een complex gevormd spoornet vlak voor het Centraal Station. Ze danst vast heel mooi, denk ik.
‘Zou je voor mij willen dansen?’ vraag ik uit het niets.
Ik voel hoe mijn hoofd kleurt.
Ze lacht breeduit.
‘Ach jongen, als ik voor jou zou dansen, dan zou je je hoofd verliezen.’
Ik geloof haar meteen.
Terwijl we het station binnenrijden zie ik de slang weer wegduiken. Opnieuw schiet het woord door mijn hoofd: Addergebroed.
Het meisje en de slang, ik zal ze nog tegenkomen.


Geplaatst

in

Tags:

Reacties

Eén reactie op “Onderdompelen”

  1. @Hadeke avatar

    Geschreven met ‘Een vlucht regenwulpen’ van Maarten ’t Hart vaagjes in het achterhoofd. Net zoals het verhaal van Johannes de Doper, waarbij ik mijmerde over zijn periode voor zijn ‘roeping’. Inspiratie uit mijn jeugd.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *