het stinkt in huis
naar oud geluk
en lang gestorven complimenten
kom, als jij de ramen sluit
schenk ik wat in, is samen al genoeg
dan klaart vanzelf de lucht
het stinkt in huis
naar oud geluk
en lang gestorven complimenten
kom, als jij de ramen sluit
schenk ik wat in, is samen al genoeg
dan klaart vanzelf de lucht
mijn donkere zijde
heeft duizenden rupsen gedood
levend gekookt en uitgeplozen
mijn donkere zijde
legt draden als verbanden om mijn lijf
en wil geraakt worden
zacht beroerd aan de gedachte van
mijn donkere zijde
is mijn cocon
waarin de warmte mij omhelst
want zo maak ik het bont
mijn centemptuur is stuk
gesneuveld op de kade
nooit kan ik te rade
voor de tijden van geluk
mijn centemptuur is stuk
mijn centemptuur is stuk
ik zag de hoge kranen
aan takels hingen tranen
waarheid stond al onder druk
mijn centemptuur is stuk
mijn centemptuur is stuk
geen schipper kan me leren
het ding te repareren
voel nu nog het klemmend juk
mijn centemptuur is stuk
mijn centemptuur is stuk
mijn centemptuur is stuk
ik ruik, ik zie, ik lach, ik buk
ik dol en draai, ik dag en pluk
mijn centemptuur is stuk
mijn centemptuur is stuk
belerend hoor ik zeggen
taal is meer dan klanken
vorm van beeld en proeven
hoekig, zacht, verwarrend
schralend rijk des konings heerschappij
hoed u voor het ver-
gezicht te ver
schakeren
kleurrijk spel van zwart en wit
in stijl
daar gaat een dame aan de zwier
geleerde pakken zitten bij de waarheid
dit is wat ik weet
regels gelden hier
maar ik grijp mijn stukken
en spuug er op
verzet zo zelf mijn zinnen
zie de onbestaande lijnen
dit eind
is zo bedoelt
‘Wil hij misschien een snoepje?’
Tegenwoordig volstaat een krachtig:
‘Nee, dank je wel.’
In het begin voelde ik me verplicht om steeds uitleg te geven, maar daar ben ik mee gestopt. In de winkel zien ze vooral de vrolijke jongen in de rolstoel. Paniekmomenten zijn voor thuis bij storende televisiebeelden en als er te lang naar een boekje gezocht moet worden.
We zitten bij de kapper. Mijn haar wordt geknipt en hij kijkt toe.
‘Mag ik een boekje van Bob de Bouwer?’
‘Donald Duckjes zijn hier wel, maar Bob niet.’
Ik probeer een mogelijk probleem te voorkomen.
De kapster beaamt het. Gelukkig.
‘Volgens mij hebben we nog wel een Bob boekje hoor’, zegt een andere kapster.
‘Ik zal even zoeken.’