Ik zwierf door straten, zocht naar plekken waar
ik vroeger met mijn vrienden samen speelde.
De plekken waar we onze hutten deelden
en waar we binnenliepen bij elkaar.
De toren in de verte was ons baken.
De klok die met zijn grote wijzers zei:
‘Je moet naar huis, want etenstijd!’, maar wij
besloten steeds om eigen tijd te maken.
Ik zocht de houten gymzaal en het veld
en zag mezelf weer met de voetbal rennen,
maar veld bleek flat, de zaal allang geveld.
Het lukte niet om aan dit dorp te wennen.
Ik had mijn komst bij ‘t huis al aangemeld.
Mijn vader, denk ik, zal hij mij herkennen?

Geef een reactie