Je ligt in bed met de gordijnen open.
Je ogen dicht, terwijl de zon fel schijnt.
Die schemertijd waarin je steeds verdwijnt:
Moet ik nu op dood of leven hopen?
Jouw dagen ben ik langzaam aan het tellen.
Eerst naar voren nu alleen maar terug,
waar uren en seconden even vlug
als lange weken lijken voort te snellen.
Ik zie je met mijn moeder wakend, trouw,
een echtpaar in de spiegel van de ramen
nu drieënzestig jaren man en vrouw.
Geen ma en ik, die voor mijn vader kwamen:
Ik zie als echtpaar: even vreemden nou
en weet: voor altijd in de liefde samen.

Geef een reactie